Tuesday, February 7, 2012

Konosé bo Isla 2012-02: Lekker

Panlefi, panbolo, panseiku, pandushi

Vraag: Wat hoort niet thuis in bovenstaand rijtje en waarom niet?

Sluitingsdatum: zondag 4 maart 2012

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2012-01: antwoord

Antwoord:
Dichter: Ornelio Martina; gedicht: Orashon di Mucha


Er zijn 6 inzendingen, waarvan 5 goed:

Yolanda Chakoetoe
L.J.Chr. Dee
Glyraine Jukema
O. Koeiman
Arnolda Hous
Madelyn Fransisco

De winnares is Glyraine Jukema

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De UNA

Heet onze universiteit nu Universiteit van de Nederlandse Antillen of University of Curaçao? Om het even, wij liggen daar nu even niet wakker van. Wij hebben andere problemen aan ons hoofd.

De UNA heeft geld nodig. Ik ook, hoor ik u zeggen. Dat de UNA financiële problemen heeft, is niet nieuw. Maar de orde van grootte is nu dusdanig dat de situatie alarmerend wordt. Het schip zinkt en dat mag niet. Gedurende de 32 jaren van haar bestaan, heeft de UNA goed werk verricht. Een dikke voldoende. Het instituut heeft 2000 afgestudeerden afgeleverd, allemaal hebben zij een goede baan. Sommigen hebben de top van onze maatschappij bereikt: gedeputeerden, ministers, bankdirecteuren, advocaten, rechters, ingenieurs en ondernemers. Grote organisaties vertrouwen op UNA afgestudeerden.

Opdat het schip niet zinkt, moeten de financiële problemen opgelost worden. Ik wil de interim- rector niet triest maken, maar wat hij wil is niet mogelijk. De kosten verlagen tot een minimum en de kwaliteit behouden. Als dat zou lukken, dan zou dat betekenen dat er sprake was van geldverspilling. Op enkele uitzonderingen na waarbij vriendjes hoogleraren uit Nederland een lezing van twee uur kwamen houden en een week bleven, was er geen sprake van geldverspilling, althans niet in de operationele sfeer. Integendeel, al jaren is er geen financiële bewegingsruimte en gaat de kwaliteit achteruit. Er moet juist geïnvesteerd worden in kwaliteit. Desinvesteren betekent dat kerntaken, zoals onderzoek, verzaakt worden. Een universiteit zonder onderzoek is gewoon een school.

Het slaken van een noodkreet helpt niet. Het politieke klimaat is er niet naar. Wij moeten dus de rector helpen om een oplossing te vinden.
De UNA heeft acuut 11 miljoen nodig, dat schudt u niet uit uw mouw. Een deel hiervan is een schuld van 4.5 miljoen gulden aan het pensioenfonds. Dit moet betaald worden, het betreft zekerheden van het personeel. Als iedere afgestudeerde gemiddeld 2.500 gulden doneert aan de UNA, dan praten wij over een bedrag van 5 miljoen gulden. APNA kan in één keer afbetaald worden. Als tegenprestatie ontvangen de weldoeners ieder kwartaal de UNA Review in de bus, een tijdschrift met interessante artikelen geschreven door medewerkers en studenten. Wetenschappelijke medewerkers zijn verplicht om twee keer per jaar een bijdrage te leveren. De rector is hoofdredacteur.

Verder is de overheid de UNA 2,3 miljoen schuldig, die met een beetje minder reizen op korte termijn overgemaakt kan worden.
Er resteert dus een kleine 4 miljoen aan schulden aan, neem ik aan, commerciële schuldeisers, waaronder misschien ook consultants met een uurtarief van 400 gulden en advocaten die 600 gulden per uur in rekening brengen. Deze schuldeisers schelden de UNA 50% van de schulden kwijt en dragen hiermee bij aan de ontwikkeling van het nieuwe land Curaçao. Als zij kinderen hebben die aan de UNA studeren of gaan studeren, des te beter.

Het probleem is nu gereduceerd tot 2 miljoen gulden. De rector kan proberen om via de derde geldstroom dit bedrag bij elkaar te krijgen, makkelijk zal het niet zijn. De UNA moet eerst een ondernemende universiteit worden.

Voor de structurele subsidieverhoging van 4,5 miljoen per jaar moet de UNA aankloppen bij de Minister van Economische Zaken die de kenniseconomie wil stimuleren. Dit is een economie waarin de productiefactor kennis een belangrijke rol inneemt naast arbeid, grondstoffen en kapitaal. Door het toepassen van kennis is innovatie mogelijk, wat leidt tot nieuwe producten en diensten. Zo, dit wil de minister dus bevorderen. De kenniseconomie begint bij de kennisinstellingen. Op Curaçao is de UNA het belangrijkste instituut. Vandaar.
Ik hoop dat de rector nu rustig kan slapen.

Sunday, January 8, 2012

Konosé bo Isla 2012-01: Gedicht

Hier volgt een strofe van een bekend gedicht.

M’a tende mi mamachi pidi
Pa Chichi haña un yònkuman
M’a mira Bòi ta sunchi Chichi
Hasi pa e bin pidi man.


Vraag: Hoe heet de schrijver van het gedicht?

Sluitingsdatum: zondag 5 februari 2012

Prijs: een cadeaubon van de Delifrance.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-10: antwoord

Antwoord: Kabouter

Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:

Winsel Peney
Eduardo Vlieg
W.F. Martis
Ethel Mercera
Reginald Römer
Lucinda Martha
Rudy Hollander
Yolanda Chakoetoe
America Augusta

De winnaar is W.F. Martis. Iedereen bedankt voor het meedoen.

Perfect

David Fu staat voor de glazen wand van het luxeappartement en kijkt uit over het water van het Schottegat waarin de flitsende lichten van de Green Town weerkaatsen. Hij gaat op zijn linkerbeen staan en legt zijn rechterbeen in zijn nek. Zo blijft hij vijf minuten roerloos staan, daarna wisselt hij van been. Hij is die avond laat geland op de Curaçao Spaceport, iets over twaalven. Hij kwam zonder moeite door de immigratie, zonder zijn ware identiteit te onthullen. Een kabeltaxi heeft hem in tien minuten vervoerd naar het twaalfsterren hotel in Green Town.

Hij zet zijn linkerbeen weer op de grond en gaat languit liggen waarbij hij alle spieren van zijn lichaam tot het maximum spant en zijn hartslag opvoert tot 200. Dit houdt hij tien minuten vol, daarna ontspant hij zich weer.

Fu heeft pas zijn tweehonderdste verjaardag gevierd, maar hij heeft de vitaliteit van een jongeman van dertig. Iedere ochtend en iedere avond doet hij twintig minuten lang oefeningen om fit te blijven.

Hij kijkt op zijn universele horloge, twee uur in de ochtend lokale tijd. Hij heeft maar drie uren slaap nodig, dus kan hij nog een uurtje opblijven. Hij besluit om toch te gaan slapen. Morgen wordt het een zware dag. ’s Middags moet hij zijn geheime opdracht uitvoeren; codenaam: het Wiwi experiment. Er zijn maar drie personen in het universum die op de hoogte zijn van het experiment. Hijzelf, de betrokkene op Curaçao, met wie hij zonet in het geheim heeft overlegd en de betrokkene in Holland, met wie William Fu eerder op de avond heeft overlegd. Wacht eens even, dat zijn er vier. Nee, William is de kloon van David, en David telt hun beiden samen als een persoon.

David Fu heeft ook nog een persoonlijke reden om het eiland te bezoeken. Hij wil de perfecte negerin ontmoeten. Volgens de legende moet zij zich in het Caraïbisch gebied bevinden. Volgens het mathematisch model van dr. Cijntje is zij op Curaçao. Zijn vrienden lachen hem uit. De perfecte negerin is een mythe, zeggen zij. Maar hij is ervan overtuigd dat hij haar zal ontmoeten.

Hij kan geen slaap vatten. Morgenochtend moet hij op vossenjacht. Hij is uitgenodigd om op de zaten van Herr Schuss en Fräulein von Rhein te gaan jagen op Haagse goudpelsjes. Dat zal wel tijdverspilling worden, hij zal daar zeker de perfecte negerin niet ontmoeten.

Hij zet de holovisie aan. Het driedimensionale beeld wordt naast het bed geprojecteerd. Het late journaal wordt herhaald. Curaçao heeft een triple A credit rating van Standard and Poor gekregen. Een overbodige luxe, want Curaçao zwemt in de deviezen. Het voornaamste exportproduct is frisse lucht. De president van de Centrale Bank, de voormalige Minister van Financiën mr. J.M. Loodin, wordt slapend rijk op zijn Auping boxspringmatras.

’s Morgens vroeg vibreert zijn Galaxy 5G telefoon, de Curaçaose betrokkene. Hij krijgt koudwatervrees. Of er geen risico’s verbonden zijn aan het experiment. David Fu is de beste psychoanalyticus van het universum, zijn experimenten mislukken nooit. Maar hij kan niet garanderen dat dit experiment geheel zonder risico is. Of het experiment niet eerder kan, in de ochtenduren. Als de Nederlandse betrokkene dan ook kan en de zaal in het Sint Hacintha Ziekenhuis beschikbaar is.

Om klokslag negen melden President Wiel van Curaçao en President de Wilde van Holland zich voor het Wiwi experiment. Zij mogen tien minuten lang in elkaars ziel kijken, onder supervisie van David en William Fu. Plotseling slaat William alarm, President de Wilde wordt bruin. Op hetzelfde moment ziet David dat President Wiel blond wordt.

Terug is zijn appartement overpeinst David Fu de gebeurtenissen van die ochtend. Er wordt op de deur geklopt. ‘Binnen,’ zegt hij lusteloos. De deur gaat open. Fu’s mond valt open. ‘Zoekt u mij?’ vraagt de negerin. ‘Perfect,’ mompelt Fu.

Tuesday, December 6, 2011

Konosé bo Isla 2011-10: Spaanse griep

In 1918 heerste ook op Curaçao de beruchte Spaanse griep.

Vraag: Hoe heette de Spaanse griep van 1918 op Curaçao in de volksmond?

Sluitingsdatum: zondag 8 januari 2012

Prijs: een cadeaubon van de Cinemas.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-09: antwoord

Antwoord: patruli

Er zijn 16 inzendingen, waarvan 5 goed:

Edith Wal
Angélique Christine Lourdes Da Costa Gomez
America Augusta
Lucinda Martha
Winsel Peney
Erich Rene
Eduardo Vlieg
Ethel Mercera
Reginald Romer
Regina v/d Biest
R. Bulbaai
L.J.Chr. Dee
Glyraine Jukema
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Frans Kapteijns

De winnaar is Winsel Peney. Iedereen bedankt voor het meedoen.

Die hebben altijd pret

Binnen lig ik in mijn bed
met gedachten aan daarbuiten
waar kabouters vrolijk fluiten,
want die hebben altijd pret, pret, pret ...

De plaat is blijven steken, ik sta op om hem af te zetten. Ik kijk door het raam, buiten is het donker en het sneeuwt, brrr. Ik loop terug naar mijn bed om weer onder de wol te kruipen, maar ik zie iets bewegen in de sneeuw. Ik meen ook iets te horen, een piepstemmetje. Ik schuif het raam open en hij springt naar binnen.

‘Ben je doof?’, vraagt hij, ‘ik schreeuw mijn ziel en zaligheid uit. Het is berenkoud daar buiten. Doe het raam dicht.’ Hij is een kabouter, een zwarte kabouter, met een baard en een puntmuts op.
‘Wat sta je mij zo aan te staren? Is er iets raars aan mij? Vertel mij liever waar ik ben, want ik ben niet waar ik moet zijn.’
Ik antwoord niet, ik ben nog steeds sprakeloos, een zwarte kabouter. Zou hij ook kroeshaar hebben? Hij neemt zijn muts af en krabt zich op zijn kale kop.
‘Waar moet je zijn?’ komt het eindelijk uit mijn keel.
‘Ik heb het al gezegd. Niet hier. Ik moet in een droom van een meisje zijn, een nare droom, een enge droom.’
‘Een droom waar een zwarte kabouter in voorkomt?’ vraag ik aarzelend.
‘Wat is er voor naars en engs aan een zwarte kabouter?’ reageert hij boos, ‘er zijn zwarte feeën, een zwarte prins op een zwart paard, drie zwarte sneeuwwitjes in opleiding, de wereld is veranderd, vriend. Wat voor kabouter ben je eigenlijk dat je dat niet weet?’
‘Ik ben geen kabouter,’ antwoord ik snel.
‘Jawel,’ zegt hij met een brede grijns op zijn gezicht, ‘kijk maar om je heen.’
Ik kijk rond. Alles is groter geworden, de stoelen, het bed, ik kan amper over de lage tafel heen kijken. Allemachtig, heremetijd, godsamme.
‘Nondeju, et cetera, et cetera,’ zegt hij spottend. ‘Kom, wij moeten opschieten, anders komen wij te laat. Het meisje is in gevaar.’

Hij pakt mijn hand vast en wij springen uit het raam. Wij komen terecht in een cactusveld. Overal om ons heen zijn er grote infrou’s met lange doornen. De zon schijnt fel. In de verste verte is er geen huis te bekennen waarin een meisje zou liggen dromen, midden op de dag.

‘Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats,’ horen wij plotseling achter ons. Een muis rent hijgend voorbij. Achter hem komt een enorme kat. Wij springen geen seconde te vroeg in de holle stam van een kadushi. De kat rent voorbij.

‘Wat nu?’ vragen wij allebei tegelijkertijd.
‘Ik moet vragen stellen en niet jij,’ zeg ik, ‘jij hebt mij uit mijn kamer gehaald en hierheen gebracht.’
‘Jij moet niet klagen,’ antwoordt hij, ‘ik ben nu verder van huis dan jij, zo te zien ben je lekker thuis.’
‘Deugniet, wat doe je daar in het cactusveld?’ roept mijn moeder boos, ‘kom onmiddellijk naar huis.’ Ik schrik. De kabouter rolt over de grond van de lol.
‘Jij bent er lekker ingetrapt, ha, ha, ha. Je dacht dat het je moeder was.’ Hij blijft plotseling stil en verstijft. Ik draai mij om en kijk in de groene ogen van de kat die net voorbij was gerend..

‘Wie zijn jullie? Waar gaan jullie naar toe? Hoe smaken jullie?’ vraagt de kat. ‘Nieuwsgierigheid doodde de kat,’ fluistert de kabouter in mijn oor.
‘Wij zijn twee zwarte kabouters, wij zijn op weg naar een droom en wij smaken naar rabarber,’ antwoordt hij de kat.
De kat trekt een vies gezicht, kijkt daarna vals en begint tenslotte keihard te lachen. ‘Een vanachter-naar-voren reactie,’ fluistert de kabouter weer.
‘Rabarber is vies,’ zegt de kat, ‘ik ben jullie ergste droom en jullie zijn helemaal geen kabouters, want die hebben altijd pret, pret, pret ... Ik word wakker. De plaat is blijven steken .

Monday, November 7, 2011

Konosé bo Isla 2011-09: Papiaments

Wancho en Pedro hebben ieder een terrein. Zij zijn buren, de twee terreinen liggen naast elkaar. Tussen de twee terreinen loopt een zandpaadje naar het terrein van hun andere buurman, Tjodó.

Vraag: Hoe vertaal je in dit geval zandpaadje in het Papiaments? (Geen ‘kaminda di tera’!)

Sluitingsdatum: zondag 4 december 2011

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-08: antwoord

Antwoord: Een soort grote mango.

Er zijn 8 inzendingen, waarvan 3 goed:

Martha van Bergen
Madelyn Francisco
Ethel Mercera
Frans Kapteijns
Reginald Römer
Rudy Hollander
Yolanda Chakoetoe
L.J.Chr. Dee

De winnares is Madelyn Francisco. Iedereen bedankt voor het meedoen.

Palòli

Ik kijk op de klok. Het is acht uur, een prachtige zondagochtend. De zon schijnt. Ik lees de krant nog eens op na. Hier staat het echt, op bladzijde 7 van het AD. Grote kop: Gezonde zondag op Nieuwe Haven. ‘Nieuwe Haven wordt vanaf morgen elke zondag tussen 5.00 en 20.00 uur gedeeltelijk afgesloten voor voertuigen.’ Vanaf vandaag dus. Ik lees verder. ‘Premier Gerrit Schotte en collega-ministers zullen morgenochtend om 6.00 uur de spits afbijten bij Biesheuvel ter hoogte van het pompstation.’

Ik ben vanochtend om 5 .00 uur opgestaan. Ik wilde deze primeur niet missen, een prachtig initiatief. Een gezonde geest in een gezond lichaam. Gezonde geesten hebben wij hard nodig. Ik had mijn nieuwe New Balance schoenen klaargezet, die ik normaal alleen maar binnen draag in de gym. Voor deze gelegenheid kun je niet met versleten schoenen aan komen zetten. Grijze sportschoenen voor de duidelijkheid. Daar paste een nieuwe zwarte trainingsbroek van het merk Otomix Sport prima bij, gekocht bij Amazon. Hier hebben zij die luchtige trainingsbroeken niet. Ik twijfelde welke T-shirt ik aan zou trekken. Uiteindelijk koos ik voor een shirt met een afdruk van ‘Si no yobe, lo pinga’ erop. Dan kon ik ook meteen reclame maken voor het boek. Het zal wel heel druk worden, dacht ik. Met sokken aan van Adidas en een pet op van Nike, was ik helemaal in stijl. Merk onderbroek? Doet er niet toe.

Om half zes ging ik van huis, ruim op tijd. De broodjestruck aan de Santa Rosaweg was barstens vol. Met een broodje stobá op de maag naar bed. Ik huiverde en voelde mij extra gemotiveerd. De Snipweg was rustig. Ik verwachtte een opstopping bij de stoplichten van het kruispunt Nieuwe Havenweg en Schottegatweg, want je zou niet rechtdoor mogen. Ik nam de baan om rechtsaf te slaan en via de Schottegatweg Emmastad binnen te rijden. Maar tot mijn grote verbazing was het kruispunt niet afgesloten. Ik parkeerde op de parkeerplaats van Asiento en liep naar de Nieuwe Havenweg. Wat autovrije zondag? De auto’s raceten harder dan normaal. Een autorace zondag was het.

Ik kon mij toch niet zo vergissen? Zij hadden gisteravond vast wel bericht op Telecuraçao dat het niet doorging. Misschien hadden de ministers buikpijn. Of misschien omdat het gisteren regende. Ik heb in ieder geval niets gehoord. Gisteravond keek ik, precies een zwarte makamba, naar een Turkse speelfilm op Nederland 2. Een heel mooie film overigens.

Over regen gesproken, nu schiet mij een verhaal te binnen dat iemand mij lang geleden verteld had. Een aannemer die pas op het eiland was en nog niet ingeburgerd, wij dronken samen een biertje bij de snèk.
‘Roy,’ vertelde hij, ‘moet je eens horen wat mij laatst overkomen is. Ik heb een bouwproject in Bonam en daar werk ik met een stel van mijn jongens. Goede vaklui. Eigen tempo. Wij hadden pas een heel groot terrein bouwrijp gemaakt. Plotseling rende iedereen weg. Ik schrok mij een aap. Wat is er nu aan de hand, vroeg ik mij af. Iedereen was verdwenen. Zij lopen als een schildpad, maar rennen als een paard. Ik keek om mij heen, maar zag niets. Toen nam ik het zekere voor het onzekere en zette het ook op een lopen. Ik heb een tijdje in Indonesië gezeten en daar zijn er tijgers. Ik weet natuurlijk wel dat er hier geen gevaarlijke dieren zijn, maar je kon nooit weten, dacht ik toen. Ik haalde een van de jongens in. Wat is er, vroeg ik buiten adem. Regen, baas, regen, antwoordde hij en wees met een vinger naar het oosten. Ik keek op en zag heel in de verte een wit wolkje aan komen drijven.’

Om terug te komen op vanochtend. Ik stond alleen bij Biesheuvel en voelde mij eerlijk gezegd precies een palòli.

Het is nu 11.00 uur en ik hoor dat alles gewoon is doorgegaan. Ik was te vroeg. Echt een palòli.

Krampen

‘Inosensio, heb je wel eens last van krampen?’ vraagt ze zomaar zonder aanleiding, out of the blue.
‘Nee,’ antwoord ik, ‘nooit.’ Dat is simpelweg de waarheid. Ik kan mij niet herinneren ooit last te hebben gehad van krampen.
‘Iedereen heeft wel eens last van krampen,’ zegt ze bits. Nou als het zo is, waarom vraag je het dan, denk ik, maar ik zeg het niet, anders staat Colon in brand. Moet ik nu liegen dat het mij plotseling te binnen schiet wel eens last van krampen te hebben? Maar dan vraagt ze wat ik precies voel en kan ik niet antwoorden, en weet ze dat ik lieg. Dan staat niet alleen Colon in brand.
‘Iedereen behalve ik, schat,’ antwoord ik.
‘Behalve jij wat?’ Zij is met haar gedachten al ergens anders.
‘Van het krampen krijgen.’
‘O dat, als je de hele dag op je luie gat in die stoel ligt, heb je inderdaad geen last van krampen.’
Jij zit ook de hele dag op je luie gat in die schommelstoel, waar moet jij krampen van krijgen, gaat er door mijn hoofd. Trouwens, het is niet waar dat ik de hele dag in deze stoel lig. Ik heb vanochtend de vuilnisbak buitengezet en hem later weer binnengezet. Ik heb de waterbakken van de honden gevuld en daarna water voor thee opgezet. Verrek, de ketel staat nog op het vuur.
‘Waarom spring je zo verschrikt op? Wat is er gebeurd? Je laat mij ook schrikken. Je weet dat ik een zwak hart heb. Waarom laat je mij verdomme zo schrikken? Dat doe je met opzet, alleen maar omdat ik je iets gevraagd heb dat je niet zint. Als je niet wilt dat ik je iets vraag, dan moet je dat zeggen hoor. Ik hou mijn mond wel.’
‘De waterketel is drooggekookt op het vuur. Ik ben opgestaan om het vuur uit te maken. Jij mag alles vragen.’
‘Natuurlijk mag ik alles vragen. Jij antwoordt toch niet. Laat het een van die wijven zijn uit de hoerentent waar jij komt. Dan praat jij honderduit. Dacht je dat ik dat niet wist? Wij wonen hier op Curaçao, niets blijft verborgen. Dacht je dat ik niet wist dat ze je daar Chavez noemen, je kunt uren aan een stuk lullen, zeggen ze. Maar zodra je thuis bent, ben je je tong kwijt. Ja en nee, dat zijn de enige twee woorden die je kent.’
Wat zit je nu te raaskallen vrouw, wil ik zeggen, maar ik hou mij in. Het ene moment lig ik de hele dag in een luie stoel en het andere moment hang ik de hele dag in een hoerentent rond. De hele dag is overdreven en een hoerentent is het ook niet. Omdat er Spaanstalige vrouwen komen? Dat is je reinste onzin. Niet alle Spaanstalige vrouwen zijn hoeren. Mercedes is een nette vrouw. Zij houdt van een beetje plezier maken, maar verder is zij heel serieus. Haar zoon studeert aan de universiteit van Medellin en zij stuurt geld om zijn studie te bekostigen. Eind van de maand wanneer ik geïnd heb, stop ik haar wat toe. Dat mag de vrouw natuurlijk niet weten, want dan staat niet alleen Colon in brand, maar heel Otrobanda en Punda erbij. Een man mag toch ook een keertje een verzetje hebben?
‘Ik kom amper het huis uit.’
‘Waar moet je nou weer naar toe? Lig je niet lekker in die stoel?’
‘Je zei dat ik de hele dag in een hoerentent rondhang en ik zeg dat ik amper het huis uitkom.’
‘Waar ontmoet je die Colombiaanse hoeren dan? Toch niet hier op het balkon?’
‘Ik ken helemaal geen Colombiaanse vrouwen, laat staan hoeren.’ Ik kan nu beter mijn mond houden..
‘ Inosensio!’
‘Wat is er nu weer?’
‘Er is ene Mercedes voor jou hier aan de poort.’
Krijg ik toch plotseling een vreselijke kramp in mijn onderbuik.

Het s-boek

Voor mij op tafel liggen naast elkaar: een BlackBerry telefoon, een Kindle e-book reader en een Apple iPad2 tablet. Maar toch heb ik een pocketboek in mijn hand. ‘The girl with the dragon tattoo’, een thriller van Stieg Larsson Met al die elektronische snufjes, wat doe je nog met een papieren boek in je hand, zult u zich afvragen. Laten wij eerst naar de snufjes kijken.

De BlackBerry is een product van het Canadese bedrijf Research in Motion (RIM) en razend populair op Curaçao. Je krijgt zowat een minderwaardigheidscomplex als je in een gezelschap niet het nieuwste model op tafel legt. De BlackBerry is een smartphone, wat betekent dat je overal en altijd verbonden bent met het internet, zodat je bijvoorbeeld e-mail berichten meteen ontvangt. Een vriendin van mij heeft een prachtmodel, maar zij antwoordt nooit haar mails. Althans niet binnen drie dagen. Ik kan evengoed het bericht met de Nieuwe Post meesturen. Je kunt ook pingen, korte berichten naar elkaar versturen, wat een ware epidemie, wat zeg ik, een pandemie aan het worden is. ‘Ping! Mama wij zitten nu in Tai Wu, kijk wat wij besteld hebben.’ Klik, foto. ‘Ping! Ah, lekkere garnalen, breng een paar voor mij.’ Tai Wu is in Rotterdam en Mama op Curaçao.

Er zijn natuurlijk ook smartphones van andere merken. Marktonderzoek wijst uit dat binnenkort de verkoop van smartphones die van de gewone mobiele telefoon zal overtreffen. Overal waar je komt, zitten mensen met dat ding te friemelen. Is de productiviteit toegenomen? Integendeel. Erger nog, om verbonden te zijn, kost vijftig gulden per maand. Al die scholieren met een smartphone kunnen dat niet opbrengen. Waar halen zij het geld vandaan?

De Kindle is een e-book reader van Amazon. Hierop kun je een groot aantal boeken in elektronische vorm met je meedragen, zonder te hoeven sjouwen. Als je toch je boeken bij Amazon koopt, betekent dit een aanzienlijke besparing op transportkosten. Sommige e-books zijn goedkoper dan de geprinte versies. Een groot voordeel is ook dat je binnen de minuut het bestelde boek op je e-book reader hebt. Geen weken levertijd. In je enthousiasme doe je natuurlijk ook miskopen. Er is een heleboel rotzooi te koop. Wat heb je eraan om vijftig boeken bij je te hebben, als je toch maar één tegelijk kan lezen? Gelijk hebt u. Het enige antwoord voor wat betreft fictie is keuze. Als je van huis gaat, hoef je niet in de boekenkast te kijken welk boek je meeneemt. Voor non-fictie, bijvoorbeeld studieboeken, ligt dat anders. Dan kun je wel met verschillende boeken tegelijk bezig zijn om een bepaald onderwerp uit te diepen. Ter illustratie, ik ben nu monetaire en fiscale politiek aan het bestuderen om een beetje de kranten te kunnen volgen: eurocrisis, schuldencrisis in Griekenland, financiële crisis in de Verenigde Staten en wat voor crisis nog meer. Dollarisatie of geen dollarisatie op Curaçao. Ik heb zes boeken over dat onderwerp op de Kindle waar ik informatie uit haal. Toch heb ik drie papieren boeken besteld bij bol.com omdat Amazon geen Nederlandse boeken verkoopt. Laten wij voor het gemak het papieren boek een p-boek noemen als tegenhanger van het e-boek.

De Kindle is tekst georiënteerd en de iPad grafisch. De iPad 2 heeft een HD scherm, maar spiegelt. Als het dus donker wordt in een film, dan zie je je eigen gezicht in de spiegel. Even schrikken soms. De iPad is bijzonder geschikt voor tijdschriften en boeken met kleurenplaatjes. De mogelijkheden zijn onbeperkt, maar het moet wel uit jezelf komen. Hiermee bedoel ik dat je een interessegebied moet hebben, een hobby of zoiets. Als je hoofd leeg is, dan blijft de iPad ook leeg.

De vraag is nu: verdwijnt het p-boek? Ik denk van niet. Ik heb nog steeds de pocket van Stieg Larsson in mijn hand. Het probleem is wel, e-boek of p-boek, je moet het woord voor woord lezen en daar hebben wij geen tijd meer voor. Het wachten is nu op het s-boek, het slaapboek, dat je ’s nachts onder je kussen legt en ’s ochtends uit hebt. .

Principes

Onze tuin is een lustoord voor hagedissen, leguanen, totolikas, buladeifi’s, chuchubi’s en sinds kort ook parkieten. De parkieten vliegen meestal rond en maken een hoop herrie. De chuchubi is als eerste op, voor zonsopgang, en brengt het ochtendnieuws, nog voordat wij het AD in de bus hebben.

Wie leguanen in de tuin heeft, weet dat deze prehistorische dieren altijd op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plek vanuit een boom hun behoeften doen, poepen dus. Dat doen zij door op het uiterste puntje van een tak te balanceren en ongegeneerd de troep naar beneden te laten vallen. Als je toevallig door domheid op dat tijdstip op die plek onder de boom zit, dan krijg je de rotzooi over je heen. Waarom uit domheid? Want de plek is gemarkeerd. Daar wil ik het over hebben.

Wij hebben een tuinman die al meer dan twintig jaar, iedere zaterdag de tuin komt schoonmaken. Omdat hij trouw iedere zaterdag komt, ook al is het een feestdag, heeft hij niet veel te doen. Althans dat vind ik, maar ik heb zelf nooit een tuin schoongemaakt, deskundig ben ik dus niet.
Maar terug naar de leguanenpoep. Het is mij opgevallen dat de tuinman overal netjes schoonmaakt, maar de leguanenpoep laat liggen. De eerste keer dacht ik dat het een kwestie van nalatigheid was, maar ik merkte dat het systematisch gebeurde. Dat intrigeerde mij. Waarom zou hij dat doen? Gewoon vragen, zult u zeggen. Maar zo simpel ligt het niet. Stel je voor dat de man diepliggende redenen heeft om nauwgezet rond de poep schoon te maken. Dan loop ik het risico om een verhaal van hier tot Madeira aan te moeten horen, in gebroken Papiaments waarvan je door zijn opwinding driekwart niet verstaat.
Als je het mij vraagt, is het kwestie van principe. In de trant van: ik maak al meer dan twintig jaar de tuin schoon, maar ik ruim geen leguanenpoep op. Ponto! Principes moet je respecteren.

Nu wij het toch over hebben, vraag ik mij af wat onze principes zijn. Een vriend van mij drinkt voor twaalf uur ’s middags geen alcohol. Hij heeft nooit een horloge om. Een andere vriend beschouwt een alcoholgehalte van vier procent als alcoholvrij.
Zo zijn er ook mensen die vinden dat jongens geen afwas hoeven te doen. Dat vrouwen in gezelschap van mannen hun consumpties niet zelf hoeven te betalen. Dat mannen in gezelschap van hun echtgenotes, hun baisait niet uitbundig mogen begroeten. Dat een blauwe das niet past bij een bruin pak. Dat beide sokken dezelfde kleur moeten hebben. Dat je voor het zingen de kerk uit moet. Dat echte mannen geen kaas eten. Dat fietsers van de weg gereden moeten worden. En joggers ook.

Intussen eten de leguanen de mango’s op. Maken de suikerdiefjes een nest in mijn onderbroek aan de waslijn. Vliegt een chuchubi zich te pletter tegen het glas van de schuifdeur. Valt een trupial de dochter van de vriendin van mijn vrouw aan. Onthoofdt de zoon van dezelfde vriendin een totolika. Poept een mòfi in mijn thee.

Belangrijker echter is de vraag welke de principes zijn van ons politiek bestuur. Is dat integriteit? Is dat eerlijkheid? Solidariteit? Vertrouwen misschien? Weet u het?

Zelf heb ik ook een paar miniprincipes. ’s Ochtends blijf ik nooit in bed liggen. Ik sta om half vijf op en soms om vijf uur als ik mij verslapen heb. Nu lees ik in de krant dat langslapers ongezonder en ongelukkiger zijn dan de vroege vogels. Zij zijn ook nog dikker, omdat zij niet ontbijten en ’s middags als een varken vreten. Ik stop altijd voor rood licht, ook ’s nachts. Ik plas niet in een smerig urinoir. Dus trek ik twee keer door, vóór en ná het plassen. Wat nog meer? O ja, als ik ergens binnenkom, groet ik iedereen, ook de Nederlanders die niet terug groeten. Tot slot, terugkomend op de leguanenpoep. Als mijn vrouw mij toestond, had ik die zelf opgeruimd. In principe.

Tuesday, October 11, 2011

Konosé bo Isla 2011-08: De stier

Vraag: ‘Wowo di baka’ is een spiegelei. Wat is een ‘webu di toro’?

Sluitingsdatum: zondag 6 november 2011

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-07: antwoord

Antwoord: Van de onderkaak van de ezel wordt een slaginstrument gemaakt.

Er zijn 8 inzendingen, waarvan 7 goed:

Erich Rene
America Augusta
Max Martina
Leendert Pengel
Yolanda Chakoetoe
Flavia Vasco de Sousa
Reginald Römer
E. de Castro

De winnaar is E. de Castro. Iedereen bedankt voor het meedoen.

Het toestel is weg

‘Stop bij het gele huis daar,’ zegt Chia tegen de buschauffeur. De chauffeur stopt voor haar huis. Ze geeft hem drie gulden en wacht. Er gebeurt niets, zij krijgt geen wisselgeld terug. Chia aarzelt, zij weet dat de bustarieven verhoogd zijn, maar geen drie gulden voor zo’n korte rit. Zij neemt altijd de bus van Momon naar huis en Momon heeft voor haar een speciaal tarief. Het is de eerste keer dat zij in deze bus rijdt. Zij opent de deur en stapt uit. Daarna bukt zij en pakt de tas met boodschappen. Voor haar leeftijd is zij bijzonder kranig, ze is bijna tachtig.
‘Dank u wel,’ zegt zij tegen de chauffeur in de hoop dat hij een uitleg geeft over het tarief. De chauffeur antwoordt niet, hij geeft gas en laat Chia achter in een zwarte roetwolk.
‘Val dood,’ mompelt Chia. Zij loopt achterom, zij is gewend het huis via de achterdeur binnen te gaan. De voordeur gaat praktisch nooit open, alleen voor speciale gelegenheden en met de feestdagen.

De straat is stil, zelfs het plein waar die lastige jongens de hele dag rondhangen is verlaten. Wat zullen zij nu weer uitspoken, vraagt Chia zich af. Allemaal zijn in aanraking geweest met de politie, sommigen zijn niet ouder dan vijftien of zestien jaar. Een verloren generatie. Hun moeders waren niet beter, weet Chia.

De tas is zwaar. Momon zou uitgestapt zijn en haar geholpen hebben. Zij maakt zich nog steeds boos om die onvriendelijke chauffeur. Zij is in de stad geweest om groente en vlees te kopen voor de soep. Elke zondag kookt zij een grote pan soep en iedereen die langskomt krijgt een bord voorgezet, ongevraagd. Wie geen soep van Chia lust moet maar wegblijven.

Zo peinzend sleept zij de zware tas naar de achterdeur en bevriest plotseling. Zij blijft stokstijf staan. De achterdeur staat wijd open en het tuinhek ook. Zij laat de tas op de grond vallen. Het ergste speelt door haar hoofd. Niet weer, denkt zij, mijn God, niet weer. Langzaam loopt zij naar de deur. Binnen is het een grote ravage. Alles ligt op de grond. De deuren van kasten staan open en alle laden zijn eruit getrokken. De stoelen liggen ondersteboven. Wat moet zij doen? Moet zij gillen? Moet zij huilen? Nee, zij wordt kwaad, heel kwaad. ‘Waar gaat het met dit land naartoe, Jezus Christus in de hemel,’ scheldt zij. ‘Wij gaan met zijn allen naar de filistijnen.’

Nu pas ziet zij het. Het televisietoestel is weg. Een nieuw toestel, gekregen op moederdag van haar oudste zoon Franklin. Haar andere zoon en haar dochter hebben ook bijgedragen. Van haar hoefde het helemaal niet, zij was best tevreden met het oude toestel. Zij kon maar niet wennen aan die ingewikkelde afstandsbediening, dus liet zij de televisie altijd op kanaal acht staan. Als de stroom wegviel moest zij iemand erbij halen om weer een beeld te krijgen. Het toestel is weg.

Dit is niet de eerste keer dat er bij haar ingebroken wordt. Dit is de derde keer en dat maakt haar zo boos. De boeven weten toch dat er bij haar niets te halen valt? Franklin wilde hekwerk laten zetten, maar zij wilde niet. Een mens kan toch niet achter tralies leven als een gevangene of als een dier in een kooi. Degenen die achter tralies moeten zitten, lopen allemaal vrij rond.

‘Je wilt geen tralies, als er nog een keer ingebroken wordt, dan moet je verhuizen,’ had Franklin gezegd. Nou, dat is het laatste wat Chia wil. Vijfenvijftig jaar woont zij in dit huis. Alle drie de kinderen zijn hier geboren. Een oude plant moet je niet verpotten.

Chia begint alles op te ruimen. Zij zet de spullen terug in kast en in de laden. Met moeite krijgt zij de stoelen overeind. Franklin kan ieder moment langskomen.
‘Chia ta kome aletria,’ grapt Franklin in de deuropening. Plotseling blijft hij stil.
Chia zit in haar schommelstoel en wacht op de vraag.
‘Waar is het televisietoestel, Mai?’
‘Het is stuk, de tuinman heeft het weggebracht.’

Wednesday, September 21, 2011

Reno (1)

“No, no, laganan. Basta, basta ku abuso. Lagan nan los , laga nan bai” Reno deseperá ta grita, rankando na brasa di esnan ku ta batiendo e Afrikanonan ku ta purba hui bai mondi bek.
“Reno, ta kiko a drentabu, tabo mes a yudanos buskanan pa ban ku nos ku e barku. Ki ta pasando kubo awor”
“Mi no ke mas, mi no por mas. Nos mester stop ku e abuso aki” i bisando asina el a kue un grupitu tene I mientras e ta brasa nan el ta kore bai mondi ku nan, yorando.
E no por komprondé kon e por a yuda e hendenan ei kometiendo tantu barbaridat asina. Rankando muchanan for di nan famianan, bati nan i hasta mata nan.
El a keda grita :”No, basta, basta. Ta ki m’a hasi, kon mi tambe por a kometé e kosnan aki. El a draai wak I a mira kon e otro Afrikanonan ta wordu bentá riba e boto, komo si fuera nan no ta hende. Su stoma ta boltu den su kurpa.”Kon ta pusibel, kon ta pusibel ku mi por a hasi e kosnan ei. Kon mi por a desgraciá hendenan inosente asina. Nan no a hasimi nada” asina el a keda yora I grita.
Mientras tantu nan a yega den mondi i el a bisa e hendenan ku seña ku nan por bai, ku nan ta liber.E Afrikanonan no a warda ni un ratu i nan a sali na kareda kore limpi bai.

E ora ei Reno a kai sinta bou di e palu, tristu, bandoná., su kabes riba su rudianan ku e ta sostené ku su dos mannan.
E ta yora sin konsuelo pidiendo morto bin buské. Ta asina so e por skapa for di e tormentu ku a poderá di su ser. E no ke pensa, e no ke sinti mas, e no ke biba mas, pero morto no ke skuch’é i pa basta tempu largu e mester a keda riba mundu, bagando di un lugá pa otro, den skondí. Si, skondí I semper den skuridat.
E ta huyendo, huyendo di su mes, di su mes konseinshi i di e otronan ku el a traisioná.

E mester a traisioná esnan ku a kere ku e ta di nan parti, skapando maske ta algun di esnan ku el a yuda traisioná na un manera vil i kruel, kitando nan libertat, hasta kitando timbia nan bida.
E ta puntra su mes awor, ta ken e ta, ta unda e ta kere ku e por a saka e derechi ei di disidi riba bida i morto, riba libertat di otro hende? Djis pasobra nan koló ta otro, djis pasobra nan kultura ta otro? Djis pasobra nan no ta kere den un Ser ku hende ta yama Dios?
Pasobra nan mes tabata tin nan mes kerensia den naturalesa?
Awor el a komprondé ku no ta esei tabata e motibu pa e inhustisia inhumano i kruel ku e i otronan a kometé. No tabata esei e motibu ku esnan den poder a pone nan kere.
Ta simplemente pa egoismo , kudisia i ladronisia.
Hopi di nan, komo pueblo a kere. Si, nan a kere pasobra hopi di nan tabata pasa miseria. Hopi din an tabata riba kaya sin niun dak riba nan kabes. Hopi di nan tabata den prison i Pa nan skapa for di tur esei kontentu a kere tur loke otro tabata bisa nan.
Nan bida lo kambia.

Diana Marquez

Reno (2)

Nero ta sigui pensa i na un momentu dado el a mira su mes bida for di tempu ku e tabata un mucha chikí I ku un gritu el a lanta para I kumisa grita : “No, no, no bai kumi, nooooooooooo” Reno a bira bek e mucha di 6 aña ku tabata purba ranka bai for di e gara di e mohé ku tabata tine duru tené i ku tabata lastré bai kun e.
Reno ta purba wak patras pa wak unda su mama a keda, pero su mama a bira lomba i kore bai, yorando. Si, yorando pasobra el a kaba di bende su yu.

Na un momentu dado Reno a bira sina kansá ku ta lastra e mohé a sigui lastré te ora nan a yega na un boto grandi. Einan un homber a tum’é over i a karg’é subi trapi kun e. Pa un siman lagu nan a sera Reno den un kuartu skur. De bes en kuando nan tabata sak’é djis un ratu pe kome I hasi su nesesidatnan. Despues di mas o menos un siman un homber a bin bis’é ku si e keda ketu e por keda afó. E mester limpia vloer i mas kos i e no tin nodi di bai sera mas. E tabata traha duru i asina Reno a sigui biaha ku e boto. El a kumisa kompronde kiko e hendenan riba e boto ta hasi. Nan tabata horta hendenan pretu for di un lugá grandi ku yama Afrika , hasi nan preso i bendenan otro kaminda.
Meskos ku su mama a hasi ku ne.
Sigun Reno ta krese bira grandi e tambe a kumisa yuda nan. E tambe ta sali bai horta hende, mara nan trese nan na bordo pa bai bende nan otro kaminda.

Reno ta korda un bia ku e tabata abusando di poko di e hendenan, kon un homber a keda wak e duru den su kara. Nunka mas Reno por a lubida e mirada ei. Tabata un mirada di desperashon i a la vez di un tristesa ku e mes tambe a sinti te den fondo di su kurason. Un mirada ku nunka mas e por a lubidá. Tampoko e kara di e homber. For di e momentu ei el a kumisa sinti algu den su kurason. Un sintimentu di tristesa i a la vez un sintimentu di asko pa su mes i pa su kompañeronan.Tambe un sintimentu di kulpa. For di e dia ei el a kumisa sinti ku e mester a stop, pero e no tabata tin e kurashi i el a sigui.

Pa basta tempu el a sigui te awe ora el a sinti algu den dje a rementá i ku el a kumisá grita i rebeldiá. Ta kon bin el a sali bibo for di e situashon ei e no sa. Pero e no ke biba mas. E ke muri. E ke keda sinta bou di e palu te dia e muri, pero e ta sinti ku ahinda e no por skapa. E tin ku keda sinti e doló pa basta tempu.
Despues su bida a bira uno di un bagamundo, bibando den skuridat te un dia un debilidat i un kansá inmenso a poderá di su kurpa. El a komprondé ku lo no dura muchu mas i el a buska un kueba kaminda e por a pone su kabes abou den tur kietut. E delaster kos ku el a mira ta e wowonan di e homber Afrikano. “Pordonami, pordonami” tabata su delaster palabranan ku tabata no mas ku un suspiro. E tabata tin apenas 30 aña di edat.

Diana Marquez

Monday, September 5, 2011

Konosé bo Isla 2011-07: Muziekinstrumenten




De conch (karkó) en de koehoorn (kachu) worden gebruikt als muziekinstrumenten. De ezel leverde ook een bijdrage.

Vraag: Hoe leverde de ezel een muziekinstrument?

Sluitingsdatum: zondag 2 oktober 2011

Prijs: een cadeaubon van The Movies.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-06: antwoord

Antwoord: De statenverkiezingen van 1954 (bron: Martha van Bergen, Gilbert Cijntje, Frank Quirindongo, Demokrasia òf Minokrasia, Curaçao, 2000)

Er zijn 3 inzendingen, waarvan geen goed:

Eduardo Vlieg
Islelly Pikerie
America Augusta

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Sunday, September 4, 2011

Volg de voetsporen

Nanzi gaat zijn leven beteren. Het probleem is echter dat niemand hem gelooft en dat maakt hem heel verdrietig. Hij gaat naar Shi Maria en vertelt haar van zijn voornemen, maar Shi Maria lacht hem uit.
‘Nanzi,’ zegt Shi Maria, ‘mijn lieve Nanzi, kijk in de spiegel en vertel mij of je het zelf gelooft.’ Nanzi kijkt in de spiegel en inderdaad, hij gelooft het zelf niet. Dat maakt hem nog neerslachtiger. Wat moet hij doen? Wie kan hem bijstaan met raad en daad? Hij peinst en peinst, en krijgt plotseling een ingeving. Wie anders, denkt hij opgelucht.

Nanzi gaat te rade bij professor Palabrua. Als de professor hem niet kan helpen, kan niemand hem helpen. Hij stapt vol goede moed in de richting van de tamarindeboom waarin Palabrua woont.
‘Hooggeleerde professor,’ zegt Nanzi plechtig,’ ik wil mijn leven...’
‘Doe normaal,’ valt Palabrua hem in de rede.
‘Beste vriend Palabrua,’ vervolgt Nanzi op een andere toon, ‘ik wil mijn leven beteren, maar niemand vertrouwt mij. Wat moet ik doen?’
‘Begrijpelijk, begrijpelijk,’ mompelt Palabrua, ‘laat mij kijken,’ en hij pakt een dik boek uit de boekenkast. ‘Een wolf in schaapskleren,’ staat met krulletters op de kaft. Hij bladert en bladert door het boek. Na een poosje klapt hij het boek dicht en schudt zijn hoofd.
‘Het spijt mij Nanzi, ik kan niets vinden. Je hebt het te bont gemaakt. Alleen je vrienden kunnen je misschien helpen, als je die nog hebt.’

Nanzi heeft maar één vriend, Kompa Sese.
‘Misschien, heel misschien kan ik je helpen,’ spreekt Sese aarzelend, ‘maar je moet mij op je erewoord beloven dat jij mij niet in de maling neemt.’
‘Zowaar ik een spin ben met acht poten en uit Afrika kom,’ antwoordt Nanzi plechtig.
‘Goed dan,’ zegt Sese, ‘ik zal aan de koning vragen om jou aan te nemen als nachtwaker, dan hoef ik niet zeven nachten in de week te werken.’
Na lang nadenken gaat de koning akkoord. ‘Maar wel één week proeftijd.’

Nanzi springt in het rond bij het horen van het bericht en begint diezelfde nacht nog met werken. Hij is ijverig en maakt zijn eerste rondje in de boomgaard van de koning. Daar ziet hij pruimen hangen, o als eieren zo groot. Het schijnt dat hij wil gaan plukken, maar weerstaat de verleiding. Dit is de eerste stap, denkt hij blij. De eerste nacht verloopt verder zonder noemenswaardigheden.

De tweede nacht neemt Nanzi een andere route en maakt een rondje in de wei. Daar ziet hij de vetgemeste koeien van de koning. Roodbont, zwartbont. Hij wil doorlopen, maar iets houdt hem tegen. Hij loopt naar de heg en maakt er een groot gat in, dat hij met kreupelhout bedekt.
In de ochtend komt Sese hem aflossen.
‘Ik kom vannacht niet werken,’ zegt Nanzi tegen Sese, ‘ik heb een vreselijke koppijn van twee nachten wakker blijven.’

De derde nacht houdt Kompa Sese zelf de wacht. Midden in de nacht wanneer het pikkedonker is, kruipt Nanzi naar het gat in de heg. Hij haalt het kreupelhout weg en stapt de wei in. Op de tast zoekt hij de grootste koe uit en neemt die mee. Hij loopt met de koe aan een touw in de richting van het huis van Sese. Tussen de struiken achter het huis slacht hij de koe en laat de huid daar achter. De rest neemt hij mee naar huis.

Vroeg in de ochtend verschijnt Nanzi voor Sese. ‘Ik kom je aflossen,’ zegt hij. Sese is heel blij. Nanzi is een goede vriend, denkt hij. Hij loopt weg, maar na tien stappen ziet hij het gat in de heg en dat er een koe mist.
‘Een dief, een dief,’ roept hij.
‘Waarschuw de soldaten en volg de voetsporen,’ schreeuwt Nanzi terug en kijkt verder naar het live optreden van Sting op zijn iPad..

Levensgevaarlijk

‘Wij zijn toch ook slaven geweest,’ zegt de leuk uitziende Joodse dame in de supermarkt. Hiermee bedoelt zij, dat zij de commotie en de discussie rond het slavernijverleden en de Afro-Curaçaoënaar en de echte Curaçaoënaar un peu beu is. Maar de Afro-Curaçaoënaar heeft daar geen boodschap aan en zal niet ter verificatie de Bijbelteksten erop naslaan. Dit neemt ook niet weg dat iedereen het recht heeft om zich te verdiepen in zijn verleden om zodoende te weten waar hij vandaan komt. ‘Intussen vergetend waar hij naartoe gaat,’ moppert de leuk uitziende dame. Yòyò denkt er het zijne van.

Yòyò werkt niet en heeft ook nooit gewerkt. Zijn voorouders hebben eeuwenlang - wanneer en hoe lang precies maakt niet uit - onder erbarmelijke omstandigheden hard moeten werken en hun nazaten hebben dan ook het recht om uit te rusten. Yòyò is dus ook slaaf geweest, hoewel je niet direct aan een neger denkt als je hem ziet. Hij is lang en slank, lichtkleurig als een latino, een kuif die hij met brylcreem in model houdt, midden veertig. Attributen waar zowel jonge meisjes als rijpere vrouwen op vallen.

Hij woont thuis, evenals zijn zes broers en zusters, die allemaal werken, behalve de jongste broer die nog studeert. Yòyò is de tweede in de rij. Het ouderlijk huis is in de loop der tijd links en rechts uitgebreid met slaapkamers, badkamers en toiletten, waardoor het binnen een wirwar is van gangen en stofnesten. Buiten op het erf staan er ’s morgens vroeg, wanneer iedereen nog thuis is, vijf auto’s en een fiets. De fiets is van Yòyò. À propos, Yòyò heet thuis gewoon Harold, zijn echte naam.

Dat hij niet werkt, is een doorn in het oog van de broers en zusters, maar er wordt niet over gepraat. Ma Rosa wil er niets van weten. Eind van de maand stopt zij Yòyò stiekem wat centjes toe van het huishoudgeld dat zij van de anderen krijgt, tot ergernis van die anderen.

Qua levensfilosofie is Yòyò een epicurist: pluk de dag en reken zo min mogelijk op morgen. Niet dat hij lanterfant, dat niet. Hij helpt Ma Rosa met het huishouden en Papachi met het schoonmaken van vis, Papachi gaat iedere ochtend vissen. Yòyò kookt de lekkerste vissoep, waar de anderen uit protest niet van proeven, behalve de jongste broer die nog op school zit. Op een zondagochtend, wanneer hij boordevol energie is omdat hij niet uit is gegaan, harkt hij de hele tuin schoon. Dat alles op basis van vrijwilligheid. De mens is vrij.

Wanneer het water hem tot de lippen staat, bakt hij een hoop patechi’s met de spullen van Ma Rosa. Hij stopt de pastechi’s in een mand, springt op de fiets en rijdt van deur tot deur in Montaña. In een mum van tijd heeft hij alles verkocht. Zuivere winst. Ma Rosa heeft wel bijtijds twee patechi’s kunnen bietsen.

‘Ik ben heel flexibel,’ zegt Yòyò wanneer hij op de filosofische toer is, meestal als hij een borrel op heeft. ‘Ik ben heel flexibel,’ herhaalt hij. ‘Als er bruine bonen op tafel komen, eet ik bruine bonen. Als ik karbonade voorgeschoteld krijg, eet ik karbonade. Maar als er keuze is tussen bruine bonen en karbonade, dan wil ik karbonade.’ De mens is vrij om te kiezen.

Hoewel Yòyò geen boekenwurm is, leest hij vaak en graag. Hij legt het tijdschrift neer dat hij in zijn handen heeft en denkt na over de tekst die hij pas gelezen heeft: ‘Veel mensen leiden hun leven zoals de automobilist die met een geblindeerde voorruit rijdt en in de achteruitkijkspiegel kijkt om te weten welke kant hij op moet. Het verleden bepaalt hun toekomst.’ Levensgevaarlijk, concludeert Yòyò.

Het zwembad

Zij kwam naast mij zitten in de bus die vanaf het station naar Stratum reed, een woonwijk in Eindhoven. De bus was praktisch leeg. Ik schoof tot tegen het raam aan om plaats voor haar te maken. Zij had lang blond haar dat heel even mijn wang streelde toen zij met haar slanke vingers erdoor streek. Mijn hart klopte in mijn keel.

‘Waar kom je vandaan?’ vroeg zij.
‘Uit Curaçao,’ antwoordde ik schor.
‘Later, na mijn studie, wil ik in het onderwijs bij jullie in Suriname.’
‘Curaçao,’ verbeterde ik haar tevergeefs.

Zij was eerstejaarsstudente aan de Pedagogische Academie. Ik weet niet meer hoe zij heette. Marloes, misschien. Dat is een mooie naam, zij was heel mooi. Op Curaçao kende ik Sonia, Diana, Jacqueline en Norma, maar allemaal hadden kroeshaar. Marloes had lang blond haar.

‘Ik moet bij de volgende halte uitstappen, ‘ zei ze en drukte op de knop, ‘zullen wij afspreken?’
‘Goed,’ antwoordde ik, terwijl allerlei gedachten door mijn hoofd speelden. Kon zij soul dansen? De bus stopte.
‘Woensdagmiddag drie uur, Sportfondsenbad,’ zei ze snel en rende naar de uitgang.

Woensdagochtend hadden wij zwemles. De schoolbus van Lan, de chauffeur, bracht ons van school naar het rifzwembad. Daar wachtte Bennie ons op. Woensdagochtend betekende voor ieder kind iets anders. Sommigen waren blij, anderen waren bang. Tijdens de zwemles kon je de kinderen verdelen in vier groepen. De kinderen met een zwemdiploma hadden het meeste aanzien. Zij mochten vrij zwemmen en van de springplank duiken. Zij hadden veel plezier. De tweede groep waren de kinderen die al konden zwemmen, maar nog geen diploma hadden. Zij moesten nog netjes, dat betekent volgens de regels, leren zwemmen bij Bennie. De derde groep waren de kinderen die niet konden zwemmen en het ook niet leerden. Dat kon ook niet in die paar lessen die wij kregen, want de schoolbus was de helft van het schooljaar kapot. De vierde groep waren de kinderen die aan de kant zaten, hetzij omdat zij van hun ouders niet mee mochten doen of omdat zij zo’n kabaal hadden gemaakt van de angst dat Bennie hen uit het bad had gestuurd. Ik hoorde bij de derde groep, hoewel ik mij als jongen van het Rif best kon behelpen in het water.

‘Waar is het Sportfondsenbad?’ vroeg ik aan een ouderejaarsstudent uit Curaçao. Ik was pas een week in Nederland.
‘Het Sportfondsenbad, wat moet je in het Sportfondsenbad?’ vroeg hij met een lichte spot in zijn stem.
‘Ik heb een afspraak,’antwoordde ik trots, ‘met een meisje met lang blond haar.’
‘Alle meisjes hier hebben lang blond haar.’
‘Ja, maar niet zo lang en niet zo blond als zij,’ en niet zo mooi, wilde ik eraan toevoegen, maar ik hield mij in omdat hij mij aankeek alsof ik van Mars kwam.
‘Enfin, je moet het zelf weten, in Tongelre’ zei hij en legde mij uit hoe ik naar Tongelre moest fietsen.

Het was maandag en het bleef maandag, want de klok stond stil. Woensdagmiddag drie uur kwam niet snel genoeg. Ik moest ook een zwembroek kopen, want die kwam niet voor in het lijstje dat Tirso Sprockel opnoemde tijdens de voorlichtingavond voor bursalen.

Klokslag drie uur stond ik in mijn zwembroek aan de rand van het zwembad. Ik zag een blond meisje mijn kant op kijken. Ik sprong in het water en spartelde naar haar toe. Op dat moment hoorde ik een fluitsignaal en een schreeuw. ‘Prrriet. Eruit jij, jij kunt niet zwemmen.’ Ik klom uit het water.
Marloes stond aan de kant en hield de hand vast van een pikzwarte jongen. ‘Maak kennis met mijn vriend Umbumbu,’ zei ze, ‘hij komt uit Afrika.’