Ik heb een gelukkige jeugd gehad.
Mijn ouders waren niet gescheiden.
Mijn vader bemoeide zich niet met de opvoeding, dus kreeg ik nooit met de riem.
Ik at bij mijn oma, zij kookte lekkerder dan mijn moeder.
Ik ben niet misbruikt door de fraters.
Wanneer mijn oom dronken was, kreeg ik een gulden in plaats van een kwartje.
Sinterklaas liet bij mijn tante altijd een cadeautje achter voor mij.
Wij sliepen op de vloer, maar ik mocht in de vooravond op het bed van mijn opa slapen.
Ik vond een boterham met bruine suiker lekker.
Funchi met geraspte kaas ook.
Als oudste kind droeg ik nooit tweedehands kleren.
Ik hoefde geen misdienaar te worden.
Ik hoefde niet op het schoolplein in de felle zon te staan, omdat ik geen schoolgeld betaald had.
Het vriendinnetje van mijn vader had geen naam.
Mijn moeder had geen vriendje.
In mijn straat woonde maar één homo.
Chia was overdag geen prostituee.
De pastoor friemelde niet met zijn hand onder zijn habijt tijdens de biecht..
Ik was verliefd op het mooiste en kuiste meisje van de buurt.
Waar moet ik nou in hemelsnaam over schrijven?
K.
Friday, March 12, 2010
Saturday, March 6, 2010
Konosé bo Isla 2010-03: Huidskleur

Vraag: Waarom noemde men een persoon met een heel donkere huidskleur schertsend ‘dòbel blanku’?
Pregunta: Dikon nan tabata yama un persona koló hopi skur ‘dòbel blanku’ pa tenta?
Sluitingsdatum: zondag 4 april 2010
Prijs: een cadeaubon van The Movies
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-02: antwoord
Antwoord: Outo di hür
Er zijn 12 inzendingen, waarvan 11 goed:
Lianne Leonora
America Augusta
Joan Augusta
Jules Marchena
Ahlsen F. Rosina
Reginald Romer
Flavia Vasco de Sousa
Aliden Dalila
Madelyn Francisco
Regina v/d Biest
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
De winnares is Flavia Vasco de Sousa
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 12 inzendingen, waarvan 11 goed:
Lianne Leonora
America Augusta
Joan Augusta
Jules Marchena
Ahlsen F. Rosina
Reginald Romer
Flavia Vasco de Sousa
Aliden Dalila
Madelyn Francisco
Regina v/d Biest
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
De winnares is Flavia Vasco de Sousa
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Muhé, kreashon divino (2008.03.06)
Muhé,
semper bo mester a lucha
pa haña un trato hustu
te asta di esnan ku bo stima
historia a mustra
ku riba tur tereno
kada biaha di nobo
bo mester prueba bo mes
apesar di tur esakinan
bo no a keda marká
komo ku bo ta speshal
un obra maestral
sigui lucha
pa bo mes, i otronan
sigui lusi
pa iluminá i duna direkshon
bo ta e fòrti fuerte
e brasa pa refugio
e fuente pa motivá
i e kurason pa komprondé
Muhé
bo ta e esensia di bida
reina di tur rei
solamente, no ta tur sa esei
Hensley F. Koeiman
568-8709
semper bo mester a lucha
pa haña un trato hustu
te asta di esnan ku bo stima
historia a mustra
ku riba tur tereno
kada biaha di nobo
bo mester prueba bo mes
apesar di tur esakinan
bo no a keda marká
komo ku bo ta speshal
un obra maestral
sigui lucha
pa bo mes, i otronan
sigui lusi
pa iluminá i duna direkshon
bo ta e fòrti fuerte
e brasa pa refugio
e fuente pa motivá
i e kurason pa komprondé
Muhé
bo ta e esensia di bida
reina di tur rei
solamente, no ta tur sa esei
Hensley F. Koeiman
568-8709
Tuesday, March 2, 2010
De duivel
Het regende stenen op het zinken dak van Tonton’s huis. Tonton kwam vloekend naar buiten en gilde alle scheldwoorden die zij maar kon bedenken. Sommige had ik nooit eerder gehoord. Zij hadden allemaal te maken met de moeder van de stenengooier. Tonton was Oma’s nicht en naaste buur, broodmager en hyperactief. Ik had haar nooit rustig zien zitten, zij was altijd in het weer.
‘Verdomde duivel, ga terug naar de hel of ga je moeder lastig vallen, maar laat mij met rust.’
Oma was intussen ook gearriveerd op de plaats des onheils met een houten crucifix in haar hand en deed er een schepje bovenop. ‘Satanas, bai fièrnu.’ Zij had nog sporen van het askruisje op haar voorhoofd, teken dat zij de hele dag haar gezicht niet had gewassen.
‘Heb je je gezicht gewassen, Tonton?’ vroeg zij en keek streng naar Tonton’s voorhoofd.
‘Nee. Waarom?’
‘Dan heb je vanochtend geen askruisje gehaald in de kerk.’
‘Nee,’ antwoordde Tonton, ‘ik doe niet aan die onzin. De kerk zit vol met hypocrieten. Zij zondigen ’s nachts en beloven boetedoening overdag. Ik zondig niet en hoef ook niet te boeten.’
‘Zie je wel, zie je wel,’ reageerde Oma opgewonden, ‘jij bent een heiden. Jij wordt belaagd door de duivel.’
Zij was amper uitgesproken of er viel een steen op het dak van haar huis. Tonton keek spottend naar haar voorhoofd. In de vastentijd liep de duivel los.
Die ochtend was Oma vroeg opgestaan om in de kerk van Santa Rosa een askruisje te halen. Zij had maar een paar uurtjes geslapen, want de avond tevoren hadden zij, de vrouwen uit de buurt, tot laat in de nacht de afsluiting van carnaval gevierd. Zij hadden niet de moeite genomen Tonton uit te nodigen, om een scheldtirade te vermijden. Voordat zij uit huis ging, had zij alle vleeswaar uit de koelkast gehaald en in een zak gestopt, ook het beleg. Veel was het niet, maar toch. Onderweg naar de kerk smeet zij de zak in de mondi. De honden konden feestvieren.
Na de kerk zat iedereen aan tafel sip te kijken. ‘Brood met boter,’ beantwoordde Oma de trieste blikken, ‘de vastentijd is begonnen.’ Nu aten wij vaker brood met boter, vasten of geen vasten, maar de vooruitzichten waren somber. ‘Vanmiddag eten wij funchi met masbangu,’ bood Oma enig perspectief.
Na die belofte moest Oom Kayochi het hele eiland afstruinen op zoek naar masbangu. Vóór het middaguur kwam hij terug met vis, maar geen masbangu. Hij moest stante pede terugkeren. ‘Desnoods ga je zelf vissen,’ riep Oma hem na.
Behalve de onthouding van het eten van vlees, vielen de andere ontberingen van de vastentijd ons niet zwaar, wij waren niet veel gewend. Voor Oom Kayochi was het anders, hij moest zijn rum laten staan. Oma was daar streng in en rum rook je van ver. Daarom ging Oom in de vastentijd stiekem over op jenever. Die was blijkbaar reukloos. Waar hij de fles verstopte was een raadsel, zelfs wij konden die niet vinden.
Oma en Tonton waren allebei naar binnen gegaan, het was een uur of acht in de avond. In de verte hoorde ik de stenen op de daken van de huizen vallen en besloot het spoor van de duivel te volgen. Ik nam een kortere weg door de mondi. Plotseling dook een gestalte voor mij op uit het donker. Het was Irvin, een jongen die verderop in een houten huis tegen de heuvel woonde en ze niet allemaal op een rijtje had.
‘Je laat mij schrikken,’ zei ik streng. ‘Wat doe je op dit uur in de mondi?’
‘Dat kan ik ook aan jou vragen,’ antwoordde hij.
Hij had iets in zijn hand die hij probeerde te verbergen, maar ik herkende de slinger. Alle duivels nog aan toe.
K.
‘Verdomde duivel, ga terug naar de hel of ga je moeder lastig vallen, maar laat mij met rust.’
Oma was intussen ook gearriveerd op de plaats des onheils met een houten crucifix in haar hand en deed er een schepje bovenop. ‘Satanas, bai fièrnu.’ Zij had nog sporen van het askruisje op haar voorhoofd, teken dat zij de hele dag haar gezicht niet had gewassen.
‘Heb je je gezicht gewassen, Tonton?’ vroeg zij en keek streng naar Tonton’s voorhoofd.
‘Nee. Waarom?’
‘Dan heb je vanochtend geen askruisje gehaald in de kerk.’
‘Nee,’ antwoordde Tonton, ‘ik doe niet aan die onzin. De kerk zit vol met hypocrieten. Zij zondigen ’s nachts en beloven boetedoening overdag. Ik zondig niet en hoef ook niet te boeten.’
‘Zie je wel, zie je wel,’ reageerde Oma opgewonden, ‘jij bent een heiden. Jij wordt belaagd door de duivel.’
Zij was amper uitgesproken of er viel een steen op het dak van haar huis. Tonton keek spottend naar haar voorhoofd. In de vastentijd liep de duivel los.
Die ochtend was Oma vroeg opgestaan om in de kerk van Santa Rosa een askruisje te halen. Zij had maar een paar uurtjes geslapen, want de avond tevoren hadden zij, de vrouwen uit de buurt, tot laat in de nacht de afsluiting van carnaval gevierd. Zij hadden niet de moeite genomen Tonton uit te nodigen, om een scheldtirade te vermijden. Voordat zij uit huis ging, had zij alle vleeswaar uit de koelkast gehaald en in een zak gestopt, ook het beleg. Veel was het niet, maar toch. Onderweg naar de kerk smeet zij de zak in de mondi. De honden konden feestvieren.
Na de kerk zat iedereen aan tafel sip te kijken. ‘Brood met boter,’ beantwoordde Oma de trieste blikken, ‘de vastentijd is begonnen.’ Nu aten wij vaker brood met boter, vasten of geen vasten, maar de vooruitzichten waren somber. ‘Vanmiddag eten wij funchi met masbangu,’ bood Oma enig perspectief.
Na die belofte moest Oom Kayochi het hele eiland afstruinen op zoek naar masbangu. Vóór het middaguur kwam hij terug met vis, maar geen masbangu. Hij moest stante pede terugkeren. ‘Desnoods ga je zelf vissen,’ riep Oma hem na.
Behalve de onthouding van het eten van vlees, vielen de andere ontberingen van de vastentijd ons niet zwaar, wij waren niet veel gewend. Voor Oom Kayochi was het anders, hij moest zijn rum laten staan. Oma was daar streng in en rum rook je van ver. Daarom ging Oom in de vastentijd stiekem over op jenever. Die was blijkbaar reukloos. Waar hij de fles verstopte was een raadsel, zelfs wij konden die niet vinden.
Oma en Tonton waren allebei naar binnen gegaan, het was een uur of acht in de avond. In de verte hoorde ik de stenen op de daken van de huizen vallen en besloot het spoor van de duivel te volgen. Ik nam een kortere weg door de mondi. Plotseling dook een gestalte voor mij op uit het donker. Het was Irvin, een jongen die verderop in een houten huis tegen de heuvel woonde en ze niet allemaal op een rijtje had.
‘Je laat mij schrikken,’ zei ik streng. ‘Wat doe je op dit uur in de mondi?’
‘Dat kan ik ook aan jou vragen,’ antwoordde hij.
Hij had iets in zijn hand die hij probeerde te verbergen, maar ik herkende de slinger. Alle duivels nog aan toe.
K.
Thursday, February 18, 2010
Carnaval
Mijn oom en een even oude vriend zitten aan een tafel. Voor hen staat een fles White Label whisky, een bakje met ijsblokjes, een schepje en twee half gevulde glazen. Zij kijken voor zich uit en zeggen niets. Zij hebben geen woorden nodig om te communiceren. Af en toe werpt mijn oom een blik op de televisie. Carnavalsgroepen trekken voorbij voor de camera van Telecuraçao in Marchena. De verslaggeefster interviewt een carnavalsvierder en de camera is gericht op iemand anders. Asynchroon televisie maken, een nieuwe techniek.
Aan de bar zitten drie Nederlanders. Zij drinken Polar, uit solidariteit met het volk. Heineken is not done. Eentje zit op een te lage kruk. Er is maar één lage kruk aan de bar, een soort strafbankje. Cafés hebben zo hun regels: ‘Wie te veel zuipt, moet op de lage kruk zitten’.
Ik bestel een ijsthee. Mijn oom kijkt met afschuw naar het blikje.
‘Neem jij geen borrel?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
In Netto Bar is iedereen kort van stof.
‘Ben je gaan lopen?’
‘Ja.’
Ik heb gelopen van de Breedestraat naar Habaai en terug, om mijn gezicht te laten zien. Ik ben een tijdje afwezig geweest, wat op Curaçao maar drie dingen kan betekenen: Bon Futuro, Nederland of dood. Geen van de drie opties was op mij van toepassing. Ik kwam veel kennissen tegen. ‘Blij je te zien, sua, je ziet er prima uit.’ Vrouwen omhelsden mij. Gemiste kans, dacht ik van een schoonheid.
‘Jammer dat de stoet hier niet langskomt,’ zeg ik tegen mijn oom.
‘Nee hoor, ik vind het prima zo,’ antwoordt hij.
Stilte.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘De Dominicaanse vrouwen. Vorige week zondag na carnaval was er een vechtpartij aan de overkant. Toen de politie weg was, begonnen de vrouwen te vechten. Drie tegen een. Een man kwam tussenbeide en werd door een van de vrouwen gevloerd.’
Ik krijg een slok koud water met whisky over mij heen. De vriend heeft zich verslikt. Hij luisterde niet naar het gesprek, daar kwam het niet van. Misschien is hij ingedommeld met een slok in zijn mond. De barman is er snel bij. Goede bediening.
Er stonden veel toeristen langs de weg.
‘Are you guys celebrating Independence Day?’ vroeg een Amerikaanse.
‘Yes,’ antwoordde ik, ‘independent for one day.’ Daar kon zij haar geschiedenisboeken over naslaan.
Er brak een vechtpartij los in de Roodeweg tussen twee groepen mariniers. In de buurt stonden veel Nederlanders. Iedereen begon te rennen.
‘Kom, laten wij weggaan,’ zei een van hen, ‘het wordt hier gevaarlijk, straks gaan zij schieten.’
‘Onzin,’ zei ik, ‘overal waar er veel mensen zijn wordt er gevochten, ook in Nederland.’
‘Ik was ook in Hoek van Holland,’ hield hij vol. Een ambulance reed met sirene en zwaailichten aan dwars door de menigte heen richting Habaai.
Om vier uur ’s middags dacht ik dat de route weer verlegd was en de stoet niet meer door de Roodeweg kwam. Ik liep naar de Netto Bar.
Op de televisie danst al meer dan een half uur dezelfde groep voor de camera. Onderaan op het scherm scrolt een tekst waarin Telecuraçao het volk oproept om zich voorbeeldig te gedragen langs de route. Maar het volk langs de route kijkt op dat moment geen televisie. Na mijn derde ijsthee sta ik op om te vertrekken.
‘Tot dinsdagavond?’ vraagt mijn oom.
‘Ja,’ lieg ik.
K.
Aan de bar zitten drie Nederlanders. Zij drinken Polar, uit solidariteit met het volk. Heineken is not done. Eentje zit op een te lage kruk. Er is maar één lage kruk aan de bar, een soort strafbankje. Cafés hebben zo hun regels: ‘Wie te veel zuipt, moet op de lage kruk zitten’.
Ik bestel een ijsthee. Mijn oom kijkt met afschuw naar het blikje.
‘Neem jij geen borrel?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
In Netto Bar is iedereen kort van stof.
‘Ben je gaan lopen?’
‘Ja.’
Ik heb gelopen van de Breedestraat naar Habaai en terug, om mijn gezicht te laten zien. Ik ben een tijdje afwezig geweest, wat op Curaçao maar drie dingen kan betekenen: Bon Futuro, Nederland of dood. Geen van de drie opties was op mij van toepassing. Ik kwam veel kennissen tegen. ‘Blij je te zien, sua, je ziet er prima uit.’ Vrouwen omhelsden mij. Gemiste kans, dacht ik van een schoonheid.
‘Jammer dat de stoet hier niet langskomt,’ zeg ik tegen mijn oom.
‘Nee hoor, ik vind het prima zo,’ antwoordt hij.
Stilte.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘De Dominicaanse vrouwen. Vorige week zondag na carnaval was er een vechtpartij aan de overkant. Toen de politie weg was, begonnen de vrouwen te vechten. Drie tegen een. Een man kwam tussenbeide en werd door een van de vrouwen gevloerd.’
Ik krijg een slok koud water met whisky over mij heen. De vriend heeft zich verslikt. Hij luisterde niet naar het gesprek, daar kwam het niet van. Misschien is hij ingedommeld met een slok in zijn mond. De barman is er snel bij. Goede bediening.
Er stonden veel toeristen langs de weg.
‘Are you guys celebrating Independence Day?’ vroeg een Amerikaanse.
‘Yes,’ antwoordde ik, ‘independent for one day.’ Daar kon zij haar geschiedenisboeken over naslaan.
Er brak een vechtpartij los in de Roodeweg tussen twee groepen mariniers. In de buurt stonden veel Nederlanders. Iedereen begon te rennen.
‘Kom, laten wij weggaan,’ zei een van hen, ‘het wordt hier gevaarlijk, straks gaan zij schieten.’
‘Onzin,’ zei ik, ‘overal waar er veel mensen zijn wordt er gevochten, ook in Nederland.’
‘Ik was ook in Hoek van Holland,’ hield hij vol. Een ambulance reed met sirene en zwaailichten aan dwars door de menigte heen richting Habaai.
Om vier uur ’s middags dacht ik dat de route weer verlegd was en de stoet niet meer door de Roodeweg kwam. Ik liep naar de Netto Bar.
Op de televisie danst al meer dan een half uur dezelfde groep voor de camera. Onderaan op het scherm scrolt een tekst waarin Telecuraçao het volk oproept om zich voorbeeldig te gedragen langs de route. Maar het volk langs de route kijkt op dat moment geen televisie. Na mijn derde ijsthee sta ik op om te vertrekken.
‘Tot dinsdagavond?’ vraagt mijn oom.
‘Ja,’ lieg ik.
K.
Sunday, February 7, 2010
Konosé bo Isla 2010-02: Openbaar Vervoer

Het openbaar vervoer op Curaçao kent de kleine bus, de konvoi en de taxi. Vroeger was het niet ongebruikelijk om een taxi een hele zondag af te huren om naar een communiefeest op Banda Bou te gaan. De taxichauffeur feestte mee.
Vraag: Hoe heette de taxi vroeger?
Sluitingsdatum: zondag 7 maart 2010
Prijs: een cadeaubon van Boekhandel Mensing
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-01: antwoord
Antwoord: koko makaku
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 3 goed:
Rudy Hollander
Solange Lopez
Yolanda Chakoetoe
America Augusta
Jules Marchena
Verna Lopez
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Joan Augusta
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 3 goed:
Rudy Hollander
Solange Lopez
Yolanda Chakoetoe
America Augusta
Jules Marchena
Verna Lopez
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Joan Augusta
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Sunday, January 24, 2010
Logeren
Oma Polita en Oma Maria waren aan elkaar gewaagd, geen van beide was op haar mondje gevallen. Oma Polita ging in het rood gekleed en Oma Maria in het groen, want het was verkiezingstijd. Behalve het verschil in kleur van de kleding, betekende deze tijd ook een tijdelijke opschorting van de communicatie. Alleen het hoog nodige werd tegen elkaar gezegd. Op zich niet echt een ramp,Oma Polita woonde in Otrobanda en Oma Maria in Montaña, dus zij kwamen elkaar niet elke dag tegen. De ramp trof ons, de kleinkinderen, wij hielden evenveel van beide oma’s.
Wij woonden bij Oma Polita in de Gasthuisstraat. De hele buurt was demokrat, aanhangers van Partido Demokrat onder leiding van Papi Kar’i Apel, Efrain Jonckheer (in die tijd nog geen Dr. Efrain Jonckheer). Papi Kar’i Apel had een mooie blos op zijn wangen en alleen daarom al zou je op hem willen stemmen. Maar Oma Polita had ook haar persoonlijke redenen. Het toeval wilde dat de huisbaas een fervente demokrat was en op de lijst van de partij stond. Dus als je geen huishuur betaalde, kon je tenminste op zijn partij stemmen.
Montaña, waar Oma Maria woonde, was groen, niet vanwege het lover, maar vanwege de grote verkiezingsborden van Partido Nashonal met erop het portret van Dòktor, mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gomez, de welbespraakte leider van de partij. In grote lijnen was dit de verdeling: de stad was rood en de buitendistricten waren groen. ‘Jullie zijn groen en jullie blijven groen,’ predikte Dòktor, wat natuurlijk door de aanhangers van Partido Demokrat verkeerd werd uitgelegd.
Op de zaterdagen kwam Oma Maria in de stad haar grote inkopen doen en vaak mochten wij ’s middags mee naar Montaña om daar een weekeinde te logeren. Zondagavond werden wij teruggebracht. Die weekeinden waren voor ons het mooiste wat er bestond. Oma Maria woonde in een kunukuhuis en binnen rook het naar kunuku. Angandi, haar oude moeder, dus onze overgrootmoeder, en Oom Ie, de broer van Angandi, woonden ook daar, waardoor het huis iets mysterieus kreeg. Oom Ie zat ‘s avonds in een schommelstoel naast de voordeur en vertelde in het licht van een petroleumlampje spannende verhalen over de verre reizen die hij vroeger gemaakt had. Angandi was eeuwig aan het inpakken om naar huis te gaan, zij dementeerde. ‘s Morgens stonden wij heel vroeg op en ontbeten met kruidenthee, pan será en eieren, die wij onder de cactusstruiken vonden. Na het eten gingen wij met katapulten jagen op totolika’s, musduifjes.
Nu was daar geen sprake van. Oma Maria kwam niet op bezoek op de zaterdagen en van Oma Polita moesten wij niet zeuren, wanneer wij naar haar vroegen.
Mijn moeder had een Singer naaimachine die zij met de voeten aandreef en zodoende beide handen vrij had, het nieuwste van het nieuwste. Zij naaide de kleren voor de verkiezingsdag. Verschillende modellen: rode bloes, witte rok; witte bloes, rode rok; witte jurk met rode ballen; rode jurk met witte ballen; half rood, half witte rokken met bijbehorende bloesjes; enfin, alle combinaties van rood en wit die zij maar kon bedenken.
Oma Maria hield het simpel, op verkiezingsdag had zij een grasgroene jurk aan en een wit hoofddoek om. Zij verscheen plotseling in de steegjes van Otrobanda alsof zij verdwaald was. Waar zij naartoe ging, was voor Oma Polita een raadsel. Er was maar één mogelijkheid. In de Carthagenastraat woonde de enige nashonalista van de buurt, een dappere man. Een paar dagen eerder had hij een groot portret van Dòktor op zijn voordeur geplakt. De volgende ochtend was het portret beklad met Chinese inkt, iemand had er een volle pot inkt tegenaan gegooid.
In Sentro Demokrat in de Breedestraat was het vanaf ’s ochtends vroeg feest. Nos ta vota demokrat, e partido di bèrdat, klonk het luid uit trechtervormige luidsprekers. Het was een komen en gaan van mensen. Oma Polita droeg bakken met eten weg. Thuis vergaten wij dat wij Oma Maria misten. ’s Avonds zat iedereen gekluisterd aan de radio. Stembureau Sint Thomas College, hoera, Demokrat won. Stembureau Buurtcentrum Montaña, boe, Nashonal won.
Middernacht won Partido Nashonal de verkiezingen. ‘s Ochtends zat Partido Demokrat in de regering. Het weekeinde logeerden wij bij Oma Maria.
K.
Wij woonden bij Oma Polita in de Gasthuisstraat. De hele buurt was demokrat, aanhangers van Partido Demokrat onder leiding van Papi Kar’i Apel, Efrain Jonckheer (in die tijd nog geen Dr. Efrain Jonckheer). Papi Kar’i Apel had een mooie blos op zijn wangen en alleen daarom al zou je op hem willen stemmen. Maar Oma Polita had ook haar persoonlijke redenen. Het toeval wilde dat de huisbaas een fervente demokrat was en op de lijst van de partij stond. Dus als je geen huishuur betaalde, kon je tenminste op zijn partij stemmen.
Montaña, waar Oma Maria woonde, was groen, niet vanwege het lover, maar vanwege de grote verkiezingsborden van Partido Nashonal met erop het portret van Dòktor, mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gomez, de welbespraakte leider van de partij. In grote lijnen was dit de verdeling: de stad was rood en de buitendistricten waren groen. ‘Jullie zijn groen en jullie blijven groen,’ predikte Dòktor, wat natuurlijk door de aanhangers van Partido Demokrat verkeerd werd uitgelegd.
Op de zaterdagen kwam Oma Maria in de stad haar grote inkopen doen en vaak mochten wij ’s middags mee naar Montaña om daar een weekeinde te logeren. Zondagavond werden wij teruggebracht. Die weekeinden waren voor ons het mooiste wat er bestond. Oma Maria woonde in een kunukuhuis en binnen rook het naar kunuku. Angandi, haar oude moeder, dus onze overgrootmoeder, en Oom Ie, de broer van Angandi, woonden ook daar, waardoor het huis iets mysterieus kreeg. Oom Ie zat ‘s avonds in een schommelstoel naast de voordeur en vertelde in het licht van een petroleumlampje spannende verhalen over de verre reizen die hij vroeger gemaakt had. Angandi was eeuwig aan het inpakken om naar huis te gaan, zij dementeerde. ‘s Morgens stonden wij heel vroeg op en ontbeten met kruidenthee, pan será en eieren, die wij onder de cactusstruiken vonden. Na het eten gingen wij met katapulten jagen op totolika’s, musduifjes.
Nu was daar geen sprake van. Oma Maria kwam niet op bezoek op de zaterdagen en van Oma Polita moesten wij niet zeuren, wanneer wij naar haar vroegen.
Mijn moeder had een Singer naaimachine die zij met de voeten aandreef en zodoende beide handen vrij had, het nieuwste van het nieuwste. Zij naaide de kleren voor de verkiezingsdag. Verschillende modellen: rode bloes, witte rok; witte bloes, rode rok; witte jurk met rode ballen; rode jurk met witte ballen; half rood, half witte rokken met bijbehorende bloesjes; enfin, alle combinaties van rood en wit die zij maar kon bedenken.
Oma Maria hield het simpel, op verkiezingsdag had zij een grasgroene jurk aan en een wit hoofddoek om. Zij verscheen plotseling in de steegjes van Otrobanda alsof zij verdwaald was. Waar zij naartoe ging, was voor Oma Polita een raadsel. Er was maar één mogelijkheid. In de Carthagenastraat woonde de enige nashonalista van de buurt, een dappere man. Een paar dagen eerder had hij een groot portret van Dòktor op zijn voordeur geplakt. De volgende ochtend was het portret beklad met Chinese inkt, iemand had er een volle pot inkt tegenaan gegooid.
In Sentro Demokrat in de Breedestraat was het vanaf ’s ochtends vroeg feest. Nos ta vota demokrat, e partido di bèrdat, klonk het luid uit trechtervormige luidsprekers. Het was een komen en gaan van mensen. Oma Polita droeg bakken met eten weg. Thuis vergaten wij dat wij Oma Maria misten. ’s Avonds zat iedereen gekluisterd aan de radio. Stembureau Sint Thomas College, hoera, Demokrat won. Stembureau Buurtcentrum Montaña, boe, Nashonal won.
Middernacht won Partido Nashonal de verkiezingen. ‘s Ochtends zat Partido Demokrat in de regering. Het weekeinde logeerden wij bij Oma Maria.
K.
Wednesday, January 6, 2010
Movementu
Bòchi Blòblò a entregá su lista
Movementu Bai Flit
e mes na kabes komo lider
den bòm ta karga lista
ilustre mr. Piki Pieu.
El a publiká su programa:
un, hisa sueldo mínimo
dos, hisa penshun di ansiano
tres, hisa ònderstant
frishidèr den tur kushina
televishon den kada sala
outo den tur kurá.
Su propio kódigo di kondukta:
rèspèt pa bo kontrinkante
no ta kumpra voto
no ta tira ku lodo
ni riba porko den chiké.
Ata enkuesta ta mustra
Stradivarius, el a kere ta ko’i toka
Movementu Bai Flit ta kresiendo
kampaña apénas a kuminsá.
Kakalaka blanku a yama den sekreto
nan a reuní den kamber segundo
ora Bòchi bira minister presidente
si e laga nan wak den kushina
kakalaka blanku lo manda bonchi
den bapor ku master di oro.
Bòchi a papia kuchikuchi:
Pieu, nos a biba antó.
Kompader
Movementu Bai Flit
e mes na kabes komo lider
den bòm ta karga lista
ilustre mr. Piki Pieu.
El a publiká su programa:
un, hisa sueldo mínimo
dos, hisa penshun di ansiano
tres, hisa ònderstant
frishidèr den tur kushina
televishon den kada sala
outo den tur kurá.
Su propio kódigo di kondukta:
rèspèt pa bo kontrinkante
no ta kumpra voto
no ta tira ku lodo
ni riba porko den chiké.
Ata enkuesta ta mustra
Stradivarius, el a kere ta ko’i toka
Movementu Bai Flit ta kresiendo
kampaña apénas a kuminsá.
Kakalaka blanku a yama den sekreto
nan a reuní den kamber segundo
ora Bòchi bira minister presidente
si e laga nan wak den kushina
kakalaka blanku lo manda bonchi
den bapor ku master di oro.
Bòchi a papia kuchikuchi:
Pieu, nos a biba antó.
Kompader
Monday, January 4, 2010
Konosé bo Isla 2010-01: Gevechtsstokken
Vroeger duelleerde de mannen op Curaçao met stokken en men hield pas op tot een van de partijen aan zijn hoofd bloedde. Deze stokken hadden een bepaalde naam. Op school werden wij bang gemaakt met stokken die men voor de grap ook zo noemde.
Vraag: Hoe werden deze stokken genoemd?
Sluitingsdatum: zondag 7 februari 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Vraag: Hoe werden deze stokken genoemd?
Sluitingsdatum: zondag 7 februari 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2009-11: antwoord
Antwoord: Pan di fòrnu òf pan buskuchi
Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:
Flavia Vasco de Sousa
Polly Ruiz
Solange Nijdam
America Augusta
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Solainche Enthoven
Frans Kapteijns
De winnares is Solange Nijdam
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:
Flavia Vasco de Sousa
Polly Ruiz
Solange Nijdam
America Augusta
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Solainche Enthoven
Frans Kapteijns
De winnares is Solange Nijdam
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Nu verkrijgbaar in Nederland

Curaçao, kort door de bocht is nu verkrijgbaar in Nederland. Prijs 12,50 euro, inclusief verzendkosten.
Stuur een mail naar Roy Evers
Telefoon
De geur van kokende mondongo trekt door het hele huis, tot in de slaapkamers. Nènè doet de deur van de keuken wijd open.
‘Het stinkt naar hondenvoer,’ schreeuwt Annie vanuit de huiskamer. Annie, een prostituee in ruste, geblondeerde haren, vuurrode lippen, niet kort maar ook niet lang, een sigaret tussen de vingers die zij niet opsteekt.
‘Hou jij je mond en kom mij liever helpen met het schillen van de pompoen,’ schreeuwt Nènè terug vanuit de keuken.
‘Om de dooie dood niet, Sonny, ik moet niets hebben van die stank’
Nènè had die ochtend vroeg de pens gehaald bij Nos Kosecha op de Hilledijk. Duur. Vroeger kreeg hij een zak pens gratis van Ome Henk, de beste slager in Zuid. God hebbe zijn ziel.
‘Voor de hond, ‘ zei hij altijd tegen Ome Henk.
‘Voor de grote zwarte boxer zeker,’ antwoordde Ome Henk en zij lachten hartelijk. De slager was de enige die zich zo’n grap kon permitteren.
Nènè was een geduchte zwaargewicht bokser dertig, veertig jaar geleden. Zijn vrienden noemden hem Sonny Liston. Zijn linker betekende het ziekenhuis en zijn rechtse directe de begraafplaats. Voor Annie is hij Sonny gebleven. Komende zomer is Nènè precies 45 jaar in Nederland.
‘Wie zit er aan de warmwaterkraan te klooien?’ klinkt het vanuit de badkamer.
‘Jij staat al meer dan een half uur onder de douche,’ roept Nènè, ‘van al dat schrobben word je heus niet blanker.’
De deur van de badkamer zwaait open, een stoomwolk vult de gang. ‘Ik heb een tuintje in me hart maar alleen voor jou.’
‘Zo, Mimi, je bent niet blanker geworden, maar wel mooier. En mooi zingen kun je ook.’
‘Goede middag, tante Annie. Pa, doe die verrekte deur dicht, ik bevries bijna.’
Mimi is de jongste van de tien of elf kinderen, hij is de tel kwijt, van Nènè en de enige die zich om hem bekommert. Mimi woont bij hem in, haar moeder is op een kwaaie dag met de noorderzon vertrokken. Zij zit in de laatste klas van het gymnasium. ‘Dat heeft niets met gymnastiek te maken, Pa,’ moet zij zo vaak uitleggen, wanneer haar vader tegen zijn vrienden opschept.
‘Mimi, verdomme, waar zijn de varkensoren? Ik kan ze nergens vinden.’
‘Kijk in de vuilnisbak.’
Annie ligt in een deuk.
‘Jullie kunnen allebei op het dak gaan zitten.’
Vroeger had hij andere taal gebezigd, maar dat verleden ligt nu achter hem. In de zomer van 1965 was hij met een groep landgenoten in Nederland aangekomen om in de Rotterdamse haven te werken. Een werkgelegenheidproject, met veel mooie beloften. De realiteit was anders, schrobben in de kou. Tegen december van hetzelfde jaar werkte niemand meer van de groep in de haven. Nènè, toen Sonny, was naar Amsterdam vertrokken om een carrière als bokser op te bouwen. Op de Zeedijk leerde hij Annie kennen, een blonde schoonheid. Zij stond achter de tap en werd door de caféhouder gekoeioneerd. ‘Ga vlug de drie Engelse klanten bedienen, in plaats van tegen die zwarte te staan ginnegappen.’ De bareigenaar hield een hersenschudding over aan die opmerking. Annie was op slag verliefd.
‘Geen grapjes, Mimi, waar heb je de varkensoren gelaten? Zij zaten in jouw boodschappentas.’
‘In de vriezer.’
‘Domoor, zij zijn gezouten, zij hoeven niet in de koelkast.’
‘Vel over kraakbeen, bah, wat is daar voor lekkers aan?’ vraagt Annie zich hardop af.
‘Meelballen met krenten in frituurvet, wat is daar voor lekkers aan?’ stelt Nènè een wedervraag.
‘Oliebollen, lekker,’ gilt Mimi vanuit de slaapkamer.
Die meid is goud waard, zeiden zijn vrienden wanneer zij Sonny met Annie samen zagen. Eerst had hij niet door wat zij bedoelden, maar het werd hem algauw duidelijk toen hij langs de wallen liep. Annie maakte bezwaar, maar had geen keus. Door de week reed Sonny in een Mercedes en op feestdagen in een BMW. Annie ging op de fiets.
In al die jaren is Nènè maar drie keer op Curaçao geweest met vakantie, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. Ieder jaar neemt hij zich voor om met Kerst te gaan, maar diep in zijn hart is hij bang. Bang dat hij de mensen niet meer zou herkennen, zijn jeugdvrienden, zijn buren. Bang om zijn oude moeder te zien. Ieder jaar viert hij de feestdagen op zijn Curaçaos. In zijn buurt is dat niet moeilijk, alles is te krijgen.
‘Sonny, telefoon, je moeder om je bon aña te wensen,’ roept Annie.
Nènè blijft stil. Hij sluit zich op in de badkamer om zijn tranen te drogen.
‘Ik bel terug,’ schreeuwt hij.
K.
‘Het stinkt naar hondenvoer,’ schreeuwt Annie vanuit de huiskamer. Annie, een prostituee in ruste, geblondeerde haren, vuurrode lippen, niet kort maar ook niet lang, een sigaret tussen de vingers die zij niet opsteekt.
‘Hou jij je mond en kom mij liever helpen met het schillen van de pompoen,’ schreeuwt Nènè terug vanuit de keuken.
‘Om de dooie dood niet, Sonny, ik moet niets hebben van die stank’
Nènè had die ochtend vroeg de pens gehaald bij Nos Kosecha op de Hilledijk. Duur. Vroeger kreeg hij een zak pens gratis van Ome Henk, de beste slager in Zuid. God hebbe zijn ziel.
‘Voor de hond, ‘ zei hij altijd tegen Ome Henk.
‘Voor de grote zwarte boxer zeker,’ antwoordde Ome Henk en zij lachten hartelijk. De slager was de enige die zich zo’n grap kon permitteren.
Nènè was een geduchte zwaargewicht bokser dertig, veertig jaar geleden. Zijn vrienden noemden hem Sonny Liston. Zijn linker betekende het ziekenhuis en zijn rechtse directe de begraafplaats. Voor Annie is hij Sonny gebleven. Komende zomer is Nènè precies 45 jaar in Nederland.
‘Wie zit er aan de warmwaterkraan te klooien?’ klinkt het vanuit de badkamer.
‘Jij staat al meer dan een half uur onder de douche,’ roept Nènè, ‘van al dat schrobben word je heus niet blanker.’
De deur van de badkamer zwaait open, een stoomwolk vult de gang. ‘Ik heb een tuintje in me hart maar alleen voor jou.’
‘Zo, Mimi, je bent niet blanker geworden, maar wel mooier. En mooi zingen kun je ook.’
‘Goede middag, tante Annie. Pa, doe die verrekte deur dicht, ik bevries bijna.’
Mimi is de jongste van de tien of elf kinderen, hij is de tel kwijt, van Nènè en de enige die zich om hem bekommert. Mimi woont bij hem in, haar moeder is op een kwaaie dag met de noorderzon vertrokken. Zij zit in de laatste klas van het gymnasium. ‘Dat heeft niets met gymnastiek te maken, Pa,’ moet zij zo vaak uitleggen, wanneer haar vader tegen zijn vrienden opschept.
‘Mimi, verdomme, waar zijn de varkensoren? Ik kan ze nergens vinden.’
‘Kijk in de vuilnisbak.’
Annie ligt in een deuk.
‘Jullie kunnen allebei op het dak gaan zitten.’
Vroeger had hij andere taal gebezigd, maar dat verleden ligt nu achter hem. In de zomer van 1965 was hij met een groep landgenoten in Nederland aangekomen om in de Rotterdamse haven te werken. Een werkgelegenheidproject, met veel mooie beloften. De realiteit was anders, schrobben in de kou. Tegen december van hetzelfde jaar werkte niemand meer van de groep in de haven. Nènè, toen Sonny, was naar Amsterdam vertrokken om een carrière als bokser op te bouwen. Op de Zeedijk leerde hij Annie kennen, een blonde schoonheid. Zij stond achter de tap en werd door de caféhouder gekoeioneerd. ‘Ga vlug de drie Engelse klanten bedienen, in plaats van tegen die zwarte te staan ginnegappen.’ De bareigenaar hield een hersenschudding over aan die opmerking. Annie was op slag verliefd.
‘Geen grapjes, Mimi, waar heb je de varkensoren gelaten? Zij zaten in jouw boodschappentas.’
‘In de vriezer.’
‘Domoor, zij zijn gezouten, zij hoeven niet in de koelkast.’
‘Vel over kraakbeen, bah, wat is daar voor lekkers aan?’ vraagt Annie zich hardop af.
‘Meelballen met krenten in frituurvet, wat is daar voor lekkers aan?’ stelt Nènè een wedervraag.
‘Oliebollen, lekker,’ gilt Mimi vanuit de slaapkamer.
Die meid is goud waard, zeiden zijn vrienden wanneer zij Sonny met Annie samen zagen. Eerst had hij niet door wat zij bedoelden, maar het werd hem algauw duidelijk toen hij langs de wallen liep. Annie maakte bezwaar, maar had geen keus. Door de week reed Sonny in een Mercedes en op feestdagen in een BMW. Annie ging op de fiets.
In al die jaren is Nènè maar drie keer op Curaçao geweest met vakantie, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. Ieder jaar neemt hij zich voor om met Kerst te gaan, maar diep in zijn hart is hij bang. Bang dat hij de mensen niet meer zou herkennen, zijn jeugdvrienden, zijn buren. Bang om zijn oude moeder te zien. Ieder jaar viert hij de feestdagen op zijn Curaçaos. In zijn buurt is dat niet moeilijk, alles is te krijgen.
‘Sonny, telefoon, je moeder om je bon aña te wensen,’ roept Annie.
Nènè blijft stil. Hij sluit zich op in de badkamer om zijn tranen te drogen.
‘Ik bel terug,’ schreeuwt hij.
K.
pidjama blou
mi ta drumi
bistí na blou
na mi man drechi
mi yu pegando soño
nunka m’a yora
nunka lo mi muri
mi ta drumi
bistí na blou
na mi man robes
kasá ta drumi alabes
nunka m’a dal mi kabes
nunka m’a grita di miedu
esta un kama hanchu di bèrdat
ku ta duna espasio
na asina hopi felisidat
Frans Kapteijns 010110
bistí na blou
na mi man drechi
mi yu pegando soño
nunka m’a yora
nunka lo mi muri
mi ta drumi
bistí na blou
na mi man robes
kasá ta drumi alabes
nunka m’a dal mi kabes
nunka m’a grita di miedu
esta un kama hanchu di bèrdat
ku ta duna espasio
na asina hopi felisidat
Frans Kapteijns 010110
broos
grootvader wijst omhoog
naar de toppen van de bomen
kijk zegt hij
daar vliegen leeuwen
hij wordt nerveus
steekt snel een sigaret op
opa bedoelt het goed
weet echt wel hoe het moet
maar hij heeft zijn eigen alfabet
en daar zijn meeuwen leeuwen
hij ziet leeuwen vliegen
dat is geen liegen
nee hoor
hij zoekt naar meeuwen
stamelt en stokt
hij kan wel schreeuwen
niet doen beste man
en dan
begint het in zijn hoofd
opnieuw zacht te sneeuwen
Frans Kapteijns 030110
naar de toppen van de bomen
kijk zegt hij
daar vliegen leeuwen
hij wordt nerveus
steekt snel een sigaret op
opa bedoelt het goed
weet echt wel hoe het moet
maar hij heeft zijn eigen alfabet
en daar zijn meeuwen leeuwen
hij ziet leeuwen vliegen
dat is geen liegen
nee hoor
hij zoekt naar meeuwen
stamelt en stokt
hij kan wel schreeuwen
niet doen beste man
en dan
begint het in zijn hoofd
opnieuw zacht te sneeuwen
Frans Kapteijns 030110
Wednesday, December 16, 2009
Bon Pasku i Felis Aña 2010

Luna Kalakuna
Nan di ku Luna Kalakuna
su mama a brui e den mondi
i ku ta p’esei Lunita
no sa para den kurá.
Lunita tin sinku kriatura
ku e ni sa drei mira
ta Koma Gans su aktuprima
ta tira un bista riba nan.
Koma Gans ta baña nan mainta
duna nan kuminda
strika nan pluma
manda nan kunuku
pa nan bai buska nan mama.
Nan ta topa ku Lunita
den Kunuku di Bringamosa
manera semper bou di su awa
ta hunga plaka ku Morkoi.
Koma Gans, ku di un distansia
ta sigui e kriaturanan
ta kunsumí di su alma
i ta kue Lunita aden.
Luna bo ta un sinbèrgwensa
bo ta un mama kalakuna
bo no tin kunes ku bo yunan
kue bo potoshinan pa nos bai kurá.
Morkoi, ku no ta gusta problema
ta hala kita un pia un pia
kinipí wowo ku Lunita
manera e ke bisa, te mañan.
Lunita ta dal un gritu hari
lanta para medio fuma
bisa Gans su aktuprima:
Primita, bo ta un bon famia, bo sa.
Sin bo ta kon lo mi a hasi
ku sinku kriatura tra’i mi rabu
ku mi a brui, pero bo no ta puntra
ta unda nan tata ta?
Bo ta yamami mama kalakuna
pero mi no a pidi pa dèk mi
mi no a deseá di pone webu
ken a responsabilisá?
Mi no ke pasa henter mi bida
den kurá ta pik maishi
kore tras di kakalaka
tres biaha pa dia ser di dèk.
Mi no ke pa mi yunan
sigui mi mal ehèmpel
pesei mi ta pidibo prima
tira bon bista riba nan.
Su wowonan ta yena ku awa
e ta brasa Gans su prima
karisiá e kriaturanan
para règt riba su patanan
drei buska Morkoi.
Morkoi... Morkoi... Sinbèrgwensa, bo a hòrta mi sèn!
Saturday, December 5, 2009
Curaçao, kort door de bocht
Konosé bo Isla 2009-11: Pan será
Deze mevrouw verkoopt lekkere pan será.
Vraag: Wat is een andere naam in het Papiaments voor pan será?
Pregunta: Kiko ta un otro nòmber na papiamentu pa pan será?
Sluitingsdatum: zondag 3 januari 2010
Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2009-10: antwoord
Antwoord: Habon (kaska di habon)
Er zijn 4 inzendingen, waarvan geen goed:
Emiel van Wegen
America Augusta
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 4 inzendingen, waarvan geen goed:
Emiel van Wegen
America Augusta
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Thursday, December 3, 2009
Tuesday, November 17, 2009
Hoog bezoek
Omdat ik altijd goede cijfers haalde, kwam ik in de klas van de Nederlandse leerlingen terecht. In het begin was het even wennen en de kat uit de boom kijken, maar algauw wilde iedereen mijn vriendje zijn. Ik bracht brood mee voor tussen de middag, pan fransès belegd met wat er over was de vorige avond: stukjes kip, vis, saucijsjes, elke dag wat anders. Alle jongens wilden ruilen. Het liefst had ik sneetjes melkwit met hagelslag en dat bracht Willem meestal mee. Even erbij vertellen dat casinobroodjes met rode jam mijn tweede keus was, dat had Willem ook begrepen. Hij vond saucijsjes lekker. Dus wij werden de beste maatjes.
Op een middag na school vroeg Willem of hij bij mij thuis mocht komen spelen. Ik haalde mijn schouders op wat in het Papiaments betekende ‘ik weet het niet’, maar Willem interpreteerde het als ‘ja, het is goed’. Zijn moeder vond het ook goed en die middag reed ik in een auto naar huis, in plaats van de hele weg te voet af te leggen in de zon. Ik zat naast Willem achterin, zodat zijn moeder mijn gezicht in de achteruitkijkspiegel kon zien. Zij vuurde honderden vragen op mij af, die ik beantwoordde met ‘ja, mevrouw en nee, mevrouw’. Later begreep ik dat zij aan het inburgeren was. Ik had het gevoel dat de rit langer duurde dan lopen.
De auto stopte voor ons hek en Willem en ik stapten uit. Willem moest zich netjes gedragen van zijn moeder. Intussen was mijn moeder voorzichtig naar buiten gekomen om te kijken of het niet de Arabier was die was komen innen, maar vluchtte in paniek het huis in toen Willem’s moeder uitstapte om kennis te maken. Zij keek verbaasd. Ik kon het haar ook niet uitleggen, dus stapte zij weer in de auto.
Het huiselijk verkeer ging altijd via de keukendeur, maar met Willem aan mijn zijde nam ik de voordeur. Mijn moeder had een andere jurk aangetrokken en een hoofddoek omgebonden.
‘Ik heb een vriendje meegebracht, Ma,’ sprak ik achteloos.
‘Eerst goedemiddag zeggen,’ antwoordde mijn moeder stoer.
‘Goedemiddag mevrouw,’ zei Willem beleefd, ‘ik ben Willem, ik mocht komen spelen.’
Het Nederlands bracht mijn moeder in problemen. Mijn broertjes en zusjes kwamen aanrennen. Mijn moeder donderde ze op. Ik moest mee naar de keuken, Willem bleef onwennig in de huiskamer staan.
‘Ben je nou helemaal gek geworden? Je moet eerst vragen voordat je een vriendje meebrengt.’
‘Boy komt ook vaak mee zonder te vragen.’
‘Dit is een ander geval. Dit is een makamba jongen. Kijk hoe het huis eruit ziet. Jij had mij moeten zeggen, dan had ik op kunnen ruimen en alles netjes gezet. Wat gaat hij straks tegen zijn moeder zeggen, dat het hier een varkensstal is?’
Willem liep de keuken binnen. ‘Mag ik een beetje drinken, alstublieft?’
‘Zie je wel,’ gromde mijn moeder. Zij riep een jonger broertje. Hij moest als de gesmeerde bliksem een flesje limonade gaan halen bij de Portugees op de hoek. ‘Een rode,’ schreeuwde ik hem nog na. Willem begreep niets van de commotie.
De limonade werd in twee glazen verdeeld, van Willem helemaal vol en van mij half. Ik ontweek de benijdende blikken van mijn broertjes. ‘Ga buiten spelen,’ schreeuwde mijn moeder tegen ze.
Mijn moeder had nog een probleem. ‘Wat moet ik in godsnaam koken?’ vroeg zij zich hardop af. Zij had funchi met Libby’s saucijsjes uit blik op het menu, maar dat kon zij Willem bezwaarlijk voorzetten. Zij liet navraag doen bij de buren wat een makamba jongen zoal lust voor warm eten. Zij kreeg nergens een fatsoenlijk antwoord. De suggesties liepen van kastanjes in het vuur tot gebakken peren. Zij besloot de kip voor zondag maar uit de vriezer te halen en te laten ontdooien.
Grappig, deze herinneringen komen onwillekeurig bij mij op wanneer ik de foto’s in de krant zie van onze politici in gezelschap van delegaties uit Den Haag.
K.
Op een middag na school vroeg Willem of hij bij mij thuis mocht komen spelen. Ik haalde mijn schouders op wat in het Papiaments betekende ‘ik weet het niet’, maar Willem interpreteerde het als ‘ja, het is goed’. Zijn moeder vond het ook goed en die middag reed ik in een auto naar huis, in plaats van de hele weg te voet af te leggen in de zon. Ik zat naast Willem achterin, zodat zijn moeder mijn gezicht in de achteruitkijkspiegel kon zien. Zij vuurde honderden vragen op mij af, die ik beantwoordde met ‘ja, mevrouw en nee, mevrouw’. Later begreep ik dat zij aan het inburgeren was. Ik had het gevoel dat de rit langer duurde dan lopen.
De auto stopte voor ons hek en Willem en ik stapten uit. Willem moest zich netjes gedragen van zijn moeder. Intussen was mijn moeder voorzichtig naar buiten gekomen om te kijken of het niet de Arabier was die was komen innen, maar vluchtte in paniek het huis in toen Willem’s moeder uitstapte om kennis te maken. Zij keek verbaasd. Ik kon het haar ook niet uitleggen, dus stapte zij weer in de auto.
Het huiselijk verkeer ging altijd via de keukendeur, maar met Willem aan mijn zijde nam ik de voordeur. Mijn moeder had een andere jurk aangetrokken en een hoofddoek omgebonden.
‘Ik heb een vriendje meegebracht, Ma,’ sprak ik achteloos.
‘Eerst goedemiddag zeggen,’ antwoordde mijn moeder stoer.
‘Goedemiddag mevrouw,’ zei Willem beleefd, ‘ik ben Willem, ik mocht komen spelen.’
Het Nederlands bracht mijn moeder in problemen. Mijn broertjes en zusjes kwamen aanrennen. Mijn moeder donderde ze op. Ik moest mee naar de keuken, Willem bleef onwennig in de huiskamer staan.
‘Ben je nou helemaal gek geworden? Je moet eerst vragen voordat je een vriendje meebrengt.’
‘Boy komt ook vaak mee zonder te vragen.’
‘Dit is een ander geval. Dit is een makamba jongen. Kijk hoe het huis eruit ziet. Jij had mij moeten zeggen, dan had ik op kunnen ruimen en alles netjes gezet. Wat gaat hij straks tegen zijn moeder zeggen, dat het hier een varkensstal is?’
Willem liep de keuken binnen. ‘Mag ik een beetje drinken, alstublieft?’
‘Zie je wel,’ gromde mijn moeder. Zij riep een jonger broertje. Hij moest als de gesmeerde bliksem een flesje limonade gaan halen bij de Portugees op de hoek. ‘Een rode,’ schreeuwde ik hem nog na. Willem begreep niets van de commotie.
De limonade werd in twee glazen verdeeld, van Willem helemaal vol en van mij half. Ik ontweek de benijdende blikken van mijn broertjes. ‘Ga buiten spelen,’ schreeuwde mijn moeder tegen ze.
Mijn moeder had nog een probleem. ‘Wat moet ik in godsnaam koken?’ vroeg zij zich hardop af. Zij had funchi met Libby’s saucijsjes uit blik op het menu, maar dat kon zij Willem bezwaarlijk voorzetten. Zij liet navraag doen bij de buren wat een makamba jongen zoal lust voor warm eten. Zij kreeg nergens een fatsoenlijk antwoord. De suggesties liepen van kastanjes in het vuur tot gebakken peren. Zij besloot de kip voor zondag maar uit de vriezer te halen en te laten ontdooien.
Grappig, deze herinneringen komen onwillekeurig bij mij op wanneer ik de foto’s in de krant zie van onze politici in gezelschap van delegaties uit Den Haag.
K.
Monday, November 9, 2009
Konosé bo Isla 2009-10: Tira charada

Charada: Tur otro kos tin nan kaska pafó. Esaki tin su kaska paden. Kiko e ta?
Sluitingsdatum: zondag 6 december 2009
Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2009-08: antwoord
Antwoord: Pòtèm
Er zijn 14 inzendingen, waarvan 13 goed:
Verna Lopez
Winsel Peney
Ruthmilda Vos
Reginald Romer
Solange Nijdam
Elaine Con
Nilda.Sanders
Niels Augusta
Yolanda Chakoetoe
Papi Lareine
America Augusta
Regina v/d Biest
Joan Augusta
Frans Kapteijns
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnaar is Winsel Peney
Er zijn 14 inzendingen, waarvan 13 goed:
Verna Lopez
Winsel Peney
Ruthmilda Vos
Reginald Romer
Solange Nijdam
Elaine Con
Nilda.Sanders
Niels Augusta
Yolanda Chakoetoe
Papi Lareine
America Augusta
Regina v/d Biest
Joan Augusta
Frans Kapteijns
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnaar is Winsel Peney
Subscribe to:
Posts (Atom)
