Sunday, January 24, 2010

Logeren

Oma Polita en Oma Maria waren aan elkaar gewaagd, geen van beide was op haar mondje gevallen. Oma Polita ging in het rood gekleed en Oma Maria in het groen, want het was verkiezingstijd. Behalve het verschil in kleur van de kleding, betekende deze tijd ook een tijdelijke opschorting van de communicatie. Alleen het hoog nodige werd tegen elkaar gezegd. Op zich niet echt een ramp,Oma Polita woonde in Otrobanda en Oma Maria in Montaña, dus zij kwamen elkaar niet elke dag tegen. De ramp trof ons, de kleinkinderen, wij hielden evenveel van beide oma’s.

Wij woonden bij Oma Polita in de Gasthuisstraat. De hele buurt was demokrat, aanhangers van Partido Demokrat onder leiding van Papi Kar’i Apel, Efrain Jonckheer (in die tijd nog geen Dr. Efrain Jonckheer). Papi Kar’i Apel had een mooie blos op zijn wangen en alleen daarom al zou je op hem willen stemmen. Maar Oma Polita had ook haar persoonlijke redenen. Het toeval wilde dat de huisbaas een fervente demokrat was en op de lijst van de partij stond. Dus als je geen huishuur betaalde, kon je tenminste op zijn partij stemmen.

Montaña, waar Oma Maria woonde, was groen, niet vanwege het lover, maar vanwege de grote verkiezingsborden van Partido Nashonal met erop het portret van Dòktor, mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gomez, de welbespraakte leider van de partij. In grote lijnen was dit de verdeling: de stad was rood en de buitendistricten waren groen. ‘Jullie zijn groen en jullie blijven groen,’ predikte Dòktor, wat natuurlijk door de aanhangers van Partido Demokrat verkeerd werd uitgelegd.

Op de zaterdagen kwam Oma Maria in de stad haar grote inkopen doen en vaak mochten wij ’s middags mee naar Montaña om daar een weekeinde te logeren. Zondagavond werden wij teruggebracht. Die weekeinden waren voor ons het mooiste wat er bestond. Oma Maria woonde in een kunukuhuis en binnen rook het naar kunuku. Angandi, haar oude moeder, dus onze overgrootmoeder, en Oom Ie, de broer van Angandi, woonden ook daar, waardoor het huis iets mysterieus kreeg. Oom Ie zat ‘s avonds in een schommelstoel naast de voordeur en vertelde in het licht van een petroleumlampje spannende verhalen over de verre reizen die hij vroeger gemaakt had. Angandi was eeuwig aan het inpakken om naar huis te gaan, zij dementeerde. ‘s Morgens stonden wij heel vroeg op en ontbeten met kruidenthee, pan será en eieren, die wij onder de cactusstruiken vonden. Na het eten gingen wij met katapulten jagen op totolika’s, musduifjes.

Nu was daar geen sprake van. Oma Maria kwam niet op bezoek op de zaterdagen en van Oma Polita moesten wij niet zeuren, wanneer wij naar haar vroegen.

Mijn moeder had een Singer naaimachine die zij met de voeten aandreef en zodoende beide handen vrij had, het nieuwste van het nieuwste. Zij naaide de kleren voor de verkiezingsdag. Verschillende modellen: rode bloes, witte rok; witte bloes, rode rok; witte jurk met rode ballen; rode jurk met witte ballen; half rood, half witte rokken met bijbehorende bloesjes; enfin, alle combinaties van rood en wit die zij maar kon bedenken.

Oma Maria hield het simpel, op verkiezingsdag had zij een grasgroene jurk aan en een wit hoofddoek om. Zij verscheen plotseling in de steegjes van Otrobanda alsof zij verdwaald was. Waar zij naartoe ging, was voor Oma Polita een raadsel. Er was maar één mogelijkheid. In de Carthagenastraat woonde de enige nashonalista van de buurt, een dappere man. Een paar dagen eerder had hij een groot portret van Dòktor op zijn voordeur geplakt. De volgende ochtend was het portret beklad met Chinese inkt, iemand had er een volle pot inkt tegenaan gegooid.

In Sentro Demokrat in de Breedestraat was het vanaf ’s ochtends vroeg feest. Nos ta vota demokrat, e partido di bèrdat, klonk het luid uit trechtervormige luidsprekers. Het was een komen en gaan van mensen. Oma Polita droeg bakken met eten weg. Thuis vergaten wij dat wij Oma Maria misten. ’s Avonds zat iedereen gekluisterd aan de radio. Stembureau Sint Thomas College, hoera, Demokrat won. Stembureau Buurtcentrum Montaña, boe, Nashonal won.

Middernacht won Partido Nashonal de verkiezingen. ‘s Ochtends zat Partido Demokrat in de regering. Het weekeinde logeerden wij bij Oma Maria.

K.

Wednesday, January 6, 2010

Movementu

Bòchi Blòblò a entregá su lista
Movementu Bai Flit
e mes na kabes komo lider
den bòm ta karga lista
ilustre mr. Piki Pieu.

El a publiká su programa:
un, hisa sueldo mínimo
dos, hisa penshun di ansiano
tres, hisa ònderstant
frishidèr den tur kushina
televishon den kada sala
outo den tur kurá.

Su propio kódigo di kondukta:
rèspèt pa bo kontrinkante
no ta kumpra voto
no ta tira ku lodo
ni riba porko den chiké.

Ata enkuesta ta mustra
Stradivarius, el a kere ta ko’i toka
Movementu Bai Flit ta kresiendo
kampaña apénas a kuminsá.

Kakalaka blanku a yama den sekreto
nan a reuní den kamber segundo
ora Bòchi bira minister presidente
si e laga nan wak den kushina
kakalaka blanku lo manda bonchi
den bapor ku master di oro.
Bòchi a papia kuchikuchi:
Pieu, nos a biba antó.

Kompader

Monday, January 4, 2010

Konosé bo Isla 2010-01: Gevechtsstokken

Vroeger duelleerde de mannen op Curaçao met stokken en men hield pas op tot een van de partijen aan zijn hoofd bloedde. Deze stokken hadden een bepaalde naam. Op school werden wij bang gemaakt met stokken die men voor de grap ook zo noemde.

Vraag: Hoe werden deze stokken genoemd?

Sluitingsdatum: zondag 7 februari 2010

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2009-11: antwoord

Antwoord: Pan di fòrnu òf pan buskuchi

Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:

Flavia Vasco de Sousa
Polly Ruiz
Solange Nijdam
America Augusta
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Solainche Enthoven
Frans Kapteijns

De winnares is Solange Nijdam

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Nu verkrijgbaar in Nederland



Curaçao, kort door de bocht is nu verkrijgbaar in Nederland. Prijs 12,50 euro, inclusief verzendkosten.
Stuur een mail naar Roy Evers

Telefoon

De geur van kokende mondongo trekt door het hele huis, tot in de slaapkamers. Nènè doet de deur van de keuken wijd open.
‘Het stinkt naar hondenvoer,’ schreeuwt Annie vanuit de huiskamer. Annie, een prostituee in ruste, geblondeerde haren, vuurrode lippen, niet kort maar ook niet lang, een sigaret tussen de vingers die zij niet opsteekt.
‘Hou jij je mond en kom mij liever helpen met het schillen van de pompoen,’ schreeuwt Nènè terug vanuit de keuken.
‘Om de dooie dood niet, Sonny, ik moet niets hebben van die stank’
Nènè had die ochtend vroeg de pens gehaald bij Nos Kosecha op de Hilledijk. Duur. Vroeger kreeg hij een zak pens gratis van Ome Henk, de beste slager in Zuid. God hebbe zijn ziel.
‘Voor de hond, ‘ zei hij altijd tegen Ome Henk.
‘Voor de grote zwarte boxer zeker,’ antwoordde Ome Henk en zij lachten hartelijk. De slager was de enige die zich zo’n grap kon permitteren.
Nènè was een geduchte zwaargewicht bokser dertig, veertig jaar geleden. Zijn vrienden noemden hem Sonny Liston. Zijn linker betekende het ziekenhuis en zijn rechtse directe de begraafplaats. Voor Annie is hij Sonny gebleven. Komende zomer is Nènè precies 45 jaar in Nederland.
‘Wie zit er aan de warmwaterkraan te klooien?’ klinkt het vanuit de badkamer.
‘Jij staat al meer dan een half uur onder de douche,’ roept Nènè, ‘van al dat schrobben word je heus niet blanker.’
De deur van de badkamer zwaait open, een stoomwolk vult de gang. ‘Ik heb een tuintje in me hart maar alleen voor jou.’
‘Zo, Mimi, je bent niet blanker geworden, maar wel mooier. En mooi zingen kun je ook.’
‘Goede middag, tante Annie. Pa, doe die verrekte deur dicht, ik bevries bijna.’
Mimi is de jongste van de tien of elf kinderen, hij is de tel kwijt, van Nènè en de enige die zich om hem bekommert. Mimi woont bij hem in, haar moeder is op een kwaaie dag met de noorderzon vertrokken. Zij zit in de laatste klas van het gymnasium. ‘Dat heeft niets met gymnastiek te maken, Pa,’ moet zij zo vaak uitleggen, wanneer haar vader tegen zijn vrienden opschept.
‘Mimi, verdomme, waar zijn de varkensoren? Ik kan ze nergens vinden.’
‘Kijk in de vuilnisbak.’
Annie ligt in een deuk.
‘Jullie kunnen allebei op het dak gaan zitten.’
Vroeger had hij andere taal gebezigd, maar dat verleden ligt nu achter hem. In de zomer van 1965 was hij met een groep landgenoten in Nederland aangekomen om in de Rotterdamse haven te werken. Een werkgelegenheidproject, met veel mooie beloften. De realiteit was anders, schrobben in de kou. Tegen december van hetzelfde jaar werkte niemand meer van de groep in de haven. Nènè, toen Sonny, was naar Amsterdam vertrokken om een carrière als bokser op te bouwen. Op de Zeedijk leerde hij Annie kennen, een blonde schoonheid. Zij stond achter de tap en werd door de caféhouder gekoeioneerd. ‘Ga vlug de drie Engelse klanten bedienen, in plaats van tegen die zwarte te staan ginnegappen.’ De bareigenaar hield een hersenschudding over aan die opmerking. Annie was op slag verliefd.
‘Geen grapjes, Mimi, waar heb je de varkensoren gelaten? Zij zaten in jouw boodschappentas.’
‘In de vriezer.’
‘Domoor, zij zijn gezouten, zij hoeven niet in de koelkast.’
‘Vel over kraakbeen, bah, wat is daar voor lekkers aan?’ vraagt Annie zich hardop af.
‘Meelballen met krenten in frituurvet, wat is daar voor lekkers aan?’ stelt Nènè een wedervraag.
‘Oliebollen, lekker,’ gilt Mimi vanuit de slaapkamer.
Die meid is goud waard, zeiden zijn vrienden wanneer zij Sonny met Annie samen zagen. Eerst had hij niet door wat zij bedoelden, maar het werd hem algauw duidelijk toen hij langs de wallen liep. Annie maakte bezwaar, maar had geen keus. Door de week reed Sonny in een Mercedes en op feestdagen in een BMW. Annie ging op de fiets.
In al die jaren is Nènè maar drie keer op Curaçao geweest met vakantie, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. Ieder jaar neemt hij zich voor om met Kerst te gaan, maar diep in zijn hart is hij bang. Bang dat hij de mensen niet meer zou herkennen, zijn jeugdvrienden, zijn buren. Bang om zijn oude moeder te zien. Ieder jaar viert hij de feestdagen op zijn Curaçaos. In zijn buurt is dat niet moeilijk, alles is te krijgen.
‘Sonny, telefoon, je moeder om je bon aña te wensen,’ roept Annie.
Nènè blijft stil. Hij sluit zich op in de badkamer om zijn tranen te drogen.
‘Ik bel terug,’ schreeuwt hij.

K.

pidjama blou

mi ta drumi
bistí na blou
na mi man drechi
mi yu pegando soño

nunka m’a yora
nunka lo mi muri

mi ta drumi
bistí na blou
na mi man robes
kasá ta drumi alabes

nunka m’a dal mi kabes
nunka m’a grita di miedu

esta un kama hanchu di bèrdat
ku ta duna espasio
na asina hopi felisidat



Frans Kapteijns 010110

broos

grootvader wijst omhoog
naar de toppen van de bomen
kijk zegt hij
daar vliegen leeuwen

hij wordt nerveus
steekt snel een sigaret op

opa bedoelt het goed
weet echt wel hoe het moet
maar hij heeft zijn eigen alfabet
en daar zijn meeuwen leeuwen
hij ziet leeuwen vliegen
dat is geen liegen

nee hoor
hij zoekt naar meeuwen
stamelt en stokt
hij kan wel schreeuwen
niet doen beste man
en dan

begint het in zijn hoofd
opnieuw zacht te sneeuwen


Frans Kapteijns 030110

Wednesday, December 16, 2009

Bon Pasku i Felis Aña 2010



Luna Kalakuna

Nan di ku Luna Kalakuna
su mama a brui e den mondi
i ku ta p’esei Lunita
no sa para den kurá.

Lunita tin sinku kriatura
ku e ni sa drei mira
ta Koma Gans su aktuprima
ta tira un bista riba nan.

Koma Gans ta baña nan mainta
duna nan kuminda
strika nan pluma
manda nan kunuku
pa nan bai buska nan mama.

Nan ta topa ku Lunita
den Kunuku di Bringamosa
manera semper bou di su awa
ta hunga plaka ku Morkoi.

Koma Gans, ku di un distansia
ta sigui e kriaturanan
ta kunsumí di su alma
i ta kue Lunita aden.

Luna bo ta un sinbèrgwensa
bo ta un mama kalakuna
bo no tin kunes ku bo yunan
kue bo potoshinan pa nos bai kurá.

Morkoi, ku no ta gusta problema
ta hala kita un pia un pia
kinipí wowo ku Lunita
manera e ke bisa, te mañan.

Lunita ta dal un gritu hari
lanta para medio fuma
bisa Gans su aktuprima:

Primita, bo ta un bon famia, bo sa.
Sin bo ta kon lo mi a hasi
ku sinku kriatura tra’i mi rabu
ku mi a brui, pero bo no ta puntra
ta unda nan tata ta?

Bo ta yamami mama kalakuna
pero mi no a pidi pa dèk mi
mi no a deseá di pone webu
ken a responsabilisá?

Mi no ke pasa henter mi bida
den kurá ta pik maishi
kore tras di kakalaka
tres biaha pa dia ser di dèk.

Mi no ke pa mi yunan
sigui mi mal ehèmpel
pesei mi ta pidibo prima
tira bon bista riba nan.


Su wowonan ta yena ku awa
e ta brasa Gans su prima
karisiá e kriaturanan
para règt riba su patanan
drei buska Morkoi.

Morkoi... Morkoi... Sinbèrgwensa, bo a hòrta mi sèn!

Saturday, December 5, 2009

Curaçao, kort door de bocht



Het nieuwe boek van Kompader (Roy Evers) is verkrijgbaar bij boekhandel Mensing en het Antilliaans Dagblad. Prijs 20 gulden.

Konosé bo Isla 2009-11: Pan será


Deze mevrouw verkoopt lekkere pan será.

Vraag: Wat is een andere naam in het Papiaments voor pan será?

Pregunta: Kiko ta un otro nòmber na papiamentu pa pan será?

Sluitingsdatum: zondag 3 januari 2010

Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2009-10: antwoord

Antwoord: Habon (kaska di habon)

Er zijn 4 inzendingen, waarvan geen goed:

Emiel van Wegen
America Augusta
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe


Iedereen bedankt voor het meedoen.

Tuesday, November 17, 2009

Hoog bezoek

Omdat ik altijd goede cijfers haalde, kwam ik in de klas van de Nederlandse leerlingen terecht. In het begin was het even wennen en de kat uit de boom kijken, maar algauw wilde iedereen mijn vriendje zijn. Ik bracht brood mee voor tussen de middag, pan fransès belegd met wat er over was de vorige avond: stukjes kip, vis, saucijsjes, elke dag wat anders. Alle jongens wilden ruilen. Het liefst had ik sneetjes melkwit met hagelslag en dat bracht Willem meestal mee. Even erbij vertellen dat casinobroodjes met rode jam mijn tweede keus was, dat had Willem ook begrepen. Hij vond saucijsjes lekker. Dus wij werden de beste maatjes.

Op een middag na school vroeg Willem of hij bij mij thuis mocht komen spelen. Ik haalde mijn schouders op wat in het Papiaments betekende ‘ik weet het niet’, maar Willem interpreteerde het als ‘ja, het is goed’. Zijn moeder vond het ook goed en die middag reed ik in een auto naar huis, in plaats van de hele weg te voet af te leggen in de zon. Ik zat naast Willem achterin, zodat zijn moeder mijn gezicht in de achteruitkijkspiegel kon zien. Zij vuurde honderden vragen op mij af, die ik beantwoordde met ‘ja, mevrouw en nee, mevrouw’. Later begreep ik dat zij aan het inburgeren was. Ik had het gevoel dat de rit langer duurde dan lopen.

De auto stopte voor ons hek en Willem en ik stapten uit. Willem moest zich netjes gedragen van zijn moeder. Intussen was mijn moeder voorzichtig naar buiten gekomen om te kijken of het niet de Arabier was die was komen innen, maar vluchtte in paniek het huis in toen Willem’s moeder uitstapte om kennis te maken. Zij keek verbaasd. Ik kon het haar ook niet uitleggen, dus stapte zij weer in de auto.

Het huiselijk verkeer ging altijd via de keukendeur, maar met Willem aan mijn zijde nam ik de voordeur. Mijn moeder had een andere jurk aangetrokken en een hoofddoek omgebonden.

‘Ik heb een vriendje meegebracht, Ma,’ sprak ik achteloos.
‘Eerst goedemiddag zeggen,’ antwoordde mijn moeder stoer.
‘Goedemiddag mevrouw,’ zei Willem beleefd, ‘ik ben Willem, ik mocht komen spelen.’

Het Nederlands bracht mijn moeder in problemen. Mijn broertjes en zusjes kwamen aanrennen. Mijn moeder donderde ze op. Ik moest mee naar de keuken, Willem bleef onwennig in de huiskamer staan.

‘Ben je nou helemaal gek geworden? Je moet eerst vragen voordat je een vriendje meebrengt.’
‘Boy komt ook vaak mee zonder te vragen.’
‘Dit is een ander geval. Dit is een makamba jongen. Kijk hoe het huis eruit ziet. Jij had mij moeten zeggen, dan had ik op kunnen ruimen en alles netjes gezet. Wat gaat hij straks tegen zijn moeder zeggen, dat het hier een varkensstal is?’

Willem liep de keuken binnen. ‘Mag ik een beetje drinken, alstublieft?’
‘Zie je wel,’ gromde mijn moeder. Zij riep een jonger broertje. Hij moest als de gesmeerde bliksem een flesje limonade gaan halen bij de Portugees op de hoek. ‘Een rode,’ schreeuwde ik hem nog na. Willem begreep niets van de commotie.

De limonade werd in twee glazen verdeeld, van Willem helemaal vol en van mij half. Ik ontweek de benijdende blikken van mijn broertjes. ‘Ga buiten spelen,’ schreeuwde mijn moeder tegen ze.

Mijn moeder had nog een probleem. ‘Wat moet ik in godsnaam koken?’ vroeg zij zich hardop af. Zij had funchi met Libby’s saucijsjes uit blik op het menu, maar dat kon zij Willem bezwaarlijk voorzetten. Zij liet navraag doen bij de buren wat een makamba jongen zoal lust voor warm eten. Zij kreeg nergens een fatsoenlijk antwoord. De suggesties liepen van kastanjes in het vuur tot gebakken peren. Zij besloot de kip voor zondag maar uit de vriezer te halen en te laten ontdooien.

Grappig, deze herinneringen komen onwillekeurig bij mij op wanneer ik de foto’s in de krant zie van onze politici in gezelschap van delegaties uit Den Haag.

K.

Monday, November 9, 2009

Konosé bo Isla 2009-10: Tira charada



Charada: Tur otro kos tin nan kaska pafó. Esaki tin su kaska paden. Kiko e ta?

Sluitingsdatum: zondag 6 december 2009

Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2009-08: antwoord

Antwoord: Pòtèm

Er zijn 14 inzendingen, waarvan 13 goed:

Verna Lopez
Winsel Peney
Ruthmilda Vos
Reginald Romer
Solange Nijdam
Elaine Con
Nilda.Sanders
Niels Augusta
Yolanda Chakoetoe
Papi Lareine
America Augusta
Regina v/d Biest
Joan Augusta
Frans Kapteijns

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De winnaar is Winsel Peney

Sunday, October 18, 2009

Sunday, October 11, 2009

De spreekbeurt

Papito komt thuis en gaat meteen aan het tafeltje in hoek van de huiskamer zitten. Hij maakt zijn schooltas voorzichtig open, zodat het zwarte plakband dat de scheur aan de voorkant bedekt niet losraakt, en haalt een schrift en een pen tevoorschijn.

‘Zou je niet eerst je schoolkleren uittrekken,’ schreeuwt zijn moeder vanuit de keuken, ‘je moet ze morgen weer aan. Hoor je me niet, ik praat tegen je. Jij denkt zeker dat jij de man bent hier in huis. Ik ben vader en moeder tegelijk. Ga je huiskleren aantrekken, zei ik, en schiet een beetje op. Papito, ben je misschien doof?’

‘Ja,’ antwoordt Papito zachtjes, zodat zijn moeder net niet kan verstaan wat hij zegt. Hij moet morgen een spreekbeurt houden op school over het beroep van zijn vader. Vandaag hadden de kinderen die vooraan zitten hun beurten. De vader van Bashir was meegekomen met een projector en had foto’s vertoond van zijn winkel, terwijl Bashir vertelde. Papito vond het heel spannend. Hij is goede maatjes met Bashir, in de pauze spelen zij altijd samen. De moeder van Bashir brengt soms een roti voor hem mee ’s middags. Die eet hij dan op school op, zodat hij met een volle buik thuiskomt. Hij lust daarna geen funchi met soseishi meer. Bashir kreeg een negen voor zijn spreekbeurt. Papito wilt ook een negen krijgen.

Hij heeft nog geen tijd gehad om zich voor te bereiden. Zijn moeder vertrekt rond vijf uur ’s middags naar haar werk en komt midden in de nacht weer thuis wanneer iedereen allang slaapt. Papito zorgt voor de kleinere broers en zusters. Om half zeven maakt hij brood met kaas klaar. Hij snijdt de franse broodjes in tweeën en ieder krijgt een helft. Elke middag wordt er gevochten om het grootste stuk. Hij laat ze vechten. Soms schreeuwen zij zo hard, dat de buurvrouw komt kijken of ze elkaar niet vermoorden. Om acht uur gaan zij slapen, want zij moeten de volgende ochtend om vijf uur weer op. Hun moeder slaapt dan nog.

‘Mam, mag ik straks even naar Papa?’
‘Papa? Welke Papa? Die vader van jou is helemaal geen papa, dus noem hem niet zo. Hij is een schaamteloze nietsnut. Wat moet je bij hem gaan zoeken? Hij weet niet eens dat jullie bestaan. Als hij hier aan de deur komt, bel ik de politie.’

Papito schrijft rustig door. Hij heeft die tirade verwacht. Als zijn moeder straks weg is, gaat hij toch. Hij gaat vaker zijn vader opzoeken. Als er eten over is, brengt hij een beetje mee in een blikje. Soms heeft zijn vader wat geld en gaan zij samen een half uurtje biljarten in de poolbar. Later wanneer hij een baan heeft, gaat hij voor zijn vader zorgen.

Eric is eerst aan de beurt en daarna Papito. Eric woont vlak naast Papito, maar zij zijn geen vrienden. De ouders van Eric vinden dat niet goed.
Eric vertelt dat zijn vader in een garage werkt waar zij auto’s repareren. Niet dat zijn vader zelf auto’s repareert, maar hij is de baas van de andere mannen die de auto’s repareren. Zijn vader heeft altijd schone handen. De andere mannen hebben altijd vieze handen van de olie van de auto’s. Zijn vader wekt in een kantoor met airco. Wanneer hij zijn vader gaat opzoeken, dan gaat hij in het kantoortje zitten. Daar staat ook een computer waarop hij spelletjes mag spelen. Papito’s gedachten dwalen af, hij denkt aan zijn eigen spreekbeurt.

‘Mijn vader,’ begint Papito. Zijn stem beeft en zijn handen zijn klam. ‘Mijn vader is brandweerman. Hij rijdt op een hele grote brandweerwagen, hij is de chauffeur. Hij moet altijd paraat staan. Ook ’s nachts, want ’s nachts kan er ook een brand uitbreken. Wanneer er ’s nachts een brand is, dan wordt hij thuis gebeld. Hij staat dan heel stilletjes op om ons niet te wekken. Hij trekt zijn brandweerkleren aan en sluit zachtjes de deur. Als hij weer thuis is, dan vertelt hij over het blussen. Hij heeft veel mensen uit de brand geholpen.’ Papito blijft stil. Hij zoekt het papiertje in zijn zak om even te spieken. Dat mag van de juffrouw.

Plotseling steekt Eric zijn hand op. ‘Jufrouw, juffrouw, hij liegt. Zijn vader is een chòler.’

K.

Sunday, October 4, 2009

Konosé bo Isla 2009-09: Rats!



Vraag: Wat is de Papiamentse naam van het beleg dat men vroeger ‘rattengehakt’ noemde?

Pregunta: Kon ta e nòmber na papiamentu di e ko’i kome ku pan ku nan tabata yama ‘djaka mulá’?

Sluitingsdatum: zondag 1 november 2009

Prijs: een cadeaubon van The Movies.

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2009-08: antwoord

Antwoord: Elleboogstraat

Er zijn 10 inzendingen, waarvan 6 goed:

Imo Rosario
Rieke May
Ruthmilda Vos
Joan Augusta
Carol Dick
America Augusta
Winsel Peney
Regina v/d Biest
Reginald Romer
Frans Kapteijns

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De winnaar is America Augusta

Tuesday, September 22, 2009

Curaçao

waar kan ik heen
ik kan niet naar Saba
kan niet naar Saba
daar is het te stil
waar kan ik heen
ik kan niet naar Statia
kan niet naar Statia
daar doen ze zo kil

ik wil niet wonen in Aruba
in Aruba daar krijg je een mep
en wat Kralendijk betreft
kom je tussen flamingo’s terecht

waar kan ik heen
wil niet naar Sint Maarten
niet naar Sint Maarten
dat is me te link
waar kan ik heen
kan niet naar Bonaire
wil niet naar Bonaire
daar zijn zij niet flink

ik wil niet wonen in Den Haag
in Den Haag daar zijn ze bekakt
en op de Dam in Amsterdam
daar blowen zij zich lam

dan blijf ik wonen op Curaçao
drink een biertje bij de snèk
ik blijf wonen op Curaçao
dat lijkt mij lang niet zo gek

K.

Tuesday, September 15, 2009

Siman di Kulturismo


Filosofia sabano

Si bo mira bon, hinter un seru manera Saba
Tog n' tin nada mas aden ku pipita pipita
Di diabas k'a hala mara pa motibu di miedu
Bin ta forma un moketa di rabia den shelu.

Den algun mion di aña bo por pipitá pipitá
Tur e pipitanan aki bèk traha un otro seru su banda:

Tur kos den naturalesa di mundu ta pasenshi.

Pero bo rebolushon di algun mion di aña nobo
N' ta nada mas ku un nòmber so l'e por kambia:

E barankanan awor na kabes dje seru
Lo baha bin drumi abou na su pia
I esnan na su pia lo subi para na su kabes
I asina nòmber dje seru Saba lo zona A-bès.

Tur otro kos lo keda mes bèrdè bèrdè; bèrdè?


Frank Martinus Arion

Monday, September 14, 2009

Ik alleen

De Warranawonkongen kenden geen eigendom, alles was van iedereen. Behalve de vrouwen uiteraard, die waren van niemand in het bijzonder. Ook had iedereen zijn eigen tandenborstel. Dat waren de enige uitzonderingen.

Het Warranawonkongs, de taal van de Warranawonkongen, kende alleen het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’. Als iemand moest kakken, zei hij ‘wij gaan kakken’ en bedoelde natuurlijk, in onze taal, ‘ik ga kakken’. Stel je voor, het zou anders een stinkboel worden.

De Warranawonkongen hadden betekenisvolle namen. Geen Witte Veder of Bruine Beer of andere flauwe kul uit Arendsoog, maar namen die een bijzondere eigenschap van hun karakter uitdrukten. Zo had je Enkoodabaoo, wat betekende: ‘Hij die alles aan zijn mocassin lapt.’ Zij noemden hem Enkie of Henkie. Straks meer over Henkie.

De mannen gingen jagen en de vrouwen bleven thuis met de kinderen en de ouderen. Wanneer de mannen een antilope geschoten hadden of als het even meezat een buffel, keerden zij huiswaarts en werden ontvangen door de vrouwen die al een vuur hadden aangestoken voor de barbecue. Het werd een feestmaaltijd: vooraf een heldere bouillon getrokken van antilopenkop, gevolgd door lichtgeroosterde antilopenribbetjes op een bedje van gepofte mais en maispap met honing na. Om te smullen.

Ieder nam zijn deel, nooit meer dan de anderen. Behalve Henkie. Hij probeerde altijd een extra ribbetje achterover te drukken of twee lepeltjes honing in plaats van één door de pap te roeren. Daarna trok hij zich terug en ging in zijn eentje zitten bikken, terwijl de anderen gezellig samen rond het vuur zaten.

‘Heb je Henkie gezien, Sien?’ vroeg Henkie’s vader aan zijn moeder, want hij maakte zich zorgen om zijn zoon.
‘Ach, maak je geen zorgen, Dode Eik,’ antwoordde moeder Sien, ‘alle jongens liggen een beetje dwars op die leeftijd.’

Henkie was zes. Hij werd geboren negen maanden na de dag waarop Sien kleren aan het wassen was aan de oever van de Hudson rivier en Peter Minuit aan wal kwam met zestig gulden op zak.

Toen Henkie acht was, bedacht hij een heel raar spelletje. Hij naderde ongemerkt een ander kind in het dorp met gekruiste vingers en riep plotseling: ‘Samen delen.’ Het kind moest dan alles wat hij bij zich had met Henkie delen. Geen vuiltje aan de lucht, alles werd toch gedeeld. Maar wanneer Henkie zelf verrast werd door een medespeler, kruiste hij vlug zijn vingers en antwoordde: ‘Ik alleen.’ Dat betekende dat hij niets hoefde te delen.

Dode Eik vond dat het de spuigaten uitliep. Ook de andere dorpsvaders trokken hun wenkbrauwen op. Hij besloot om de jongen naar de dorpspsychiater te brengen, ondanks de protesten van Sien. De dorpspsychiater zat op dat moment voor zijn spreekhut zelfingenomen aan zijn pijp te lurken, omdat hij net had uitgedokterd dat de bleekgezichten gedreven worden door twee driften: seks en agressie. Hij was van plan dit tijdens het eerstvolgende congres van medicijnmannen wereldkundig te maken. Een onderscheiding van de American Psychiatric Association zat er dik in.

‘Heer Dokter, dit is mijn zoon Enkoodabaoo, hij lapt alles aan zijn mocassins,’ sprak Dode Eik bedeesd.
‘Dat had ik al begrepen,’ antwoordde de dokter terwijl hij zijn pijp uitklopte. ‘Wat scheelt hem?’
‘Al vanaf kleins gedraagt hij zich raar. Hij wilt altijd meer dan de anderen en denkt alleen aan zichzelf. De laatste tijd spreekt hij een vreemd taaltje. Hij roept ‘ik alleen’, wat voor hem betekent dat hij niet hoeft te delen.’
‘Wat roept hij?’ vroeg de dokter geschrokken.
‘Ik alleen,’ antwoordde Dode Eik bezorgd. ‘Is het ernstig?’
‘Nogal,’ mompelde de dokter in gedachten verzonken. ‘Hij is besmet met het hebzuchtvirus. Het virus zal zich langzaam, maar zeker verspreiden. Er is geen vaccin.’

K.