Sunday, November 3, 2013

Wereldproblemen


Serapio analyseert de wereld zittend voor de televisie. Hij zapt naar CNN. Waar moet het naartoe met de verhoging van het schuldenplafond? Tot waar moet het verhoogd worden? Tot aan de hemel en totdat de overheid al het geld heeft opslokt? De werkeloosheid loopt de spuigaten uit. Wat is er gebeurd met de American Dream, Amerika het land van grenzeloze mogelijkheden. Van schoenpoetser tot bankdirecteur. Sinds Obama president is, denken de zwarte Amerikanen dat zij niet meer hoeven te werken. En dan de ambtenaren die lekker thuis zitten. Als zij hier zoiets zouden flikken, dan komen die overheidsdienaren nooit meer terug naar het werk. Als ze maar doorbetaald krijgen.

   Hij zapt naar Nederland 3, De Wereld Draait Door. Aan tafel zit als gast van Matthijs van Nieuwkerk een profvoetballer die recent uit de kast is gekomen.

   “Maria,” schreeuwt Serapio tegen zijn vrouw. “Doe alle kasten op slot. Timmer ze dicht. Wie hier in de kast zit, blijft erin.” Homoseksualiteit moet afgeschaft worden. Homoseksualiteit is een objectieve afwijking, zei de Paus. Die kan beter zijn mond houden en eens kijken hoeveel verkeerde priesters er wel niet op zijn rots zitten.

   In de buurt waar hij opgroeide, waren geen homo’s. Ja, twee jongens. Maar die waren door hun grootmoeders als mietjes opgevoed. Hoe wil je anders dat zij opgroeien? Eentje is later getrouwd en heeft twee kinderen, die is bekeerd.

   Serapio zit voor de televisie in de grote leren stoel die hij tien jaar geleden op zijn vijftigste verjaardag cadeau heeft gehad. Het leer is helemaal gescheurd, maar hij wil de stoel voor geen geld van de wereld wegdoen. Hoe Maria ook smeekt, want die vindt hem afschuwelijk staan in de huiskamer, vooral met Kerst.

   “Maria!” schreeuwt Serapio weer. “Moet ik soms doodgaan van de dorst?”

   Maria aarzelt om op te staan. Zij vindt het juist heel interessant te horen wat die profvoetballer te vertellen heeft.

   “Laat hem bij het damesteam gaan voetballen,” oppert Serapio. “Moet ik zelf opstaan? Au, ik krijg weer een steek in mijn lies.” Serapio mankeert niets aan zijn lies.

   Maria staat op om het traditionele glas whisky in te schenken. Eerst het glas helemaal vullen met kleine ijsblokjes en daaroverheen een flinke scheut White Label. Serapio zit dan de hele tijd te rinkelen met het ijs in het glas. Dat geluid werkt al dertig jaar op Maria’s zenuwen.

   Hij zapt door. Pauw & Witteman, weer een kletsprogramma. Wat kunnen die Nederlanders toch kletsen, zeg. Of er bezuinigd moet worden bij de publieke omroepen. Hij kent publieke vrouwen, publieke instellingen, de publieke sector, maar publieke omroepen? Nee.

   “Maria, wat zijn publieke omroepen?”

   “De Vara, NCRV, de EO, VPRO, televisie ... eh, dingesen die subsidie van de overheid krijgen.”

   “Geld van de overheid is geld van de belastingbetaler. Dan ben ik er tegen.”

   “Waartegen?” vraagt Maria. “Dat er bezuinigd wordt?”

   “Nee, dat de overheid geld geeft.”

   “Dan ben je ervoor.”

   Serapio trekt een rare snoet. Dat doet hij altijd wanneer Maria hem te slim af is.

   Oppositiepartijen D66, SGP en ChristenUnie sluiten akkoord met regeringspartijen PvdA en VVD over kabinetsbegroting. Hoort hij dat goed?

   “Maria, hoor ik dat goed?”

   “Gelukkig ben je nog niet doof.”

   Hij zat ook in de politiek op een blauwe maandag, in de oppositie. Dat was simpel, op alle voorstellen van de coalitie moest je tegen stemmen. Hij las de stukken niet eens. Af en toe, om het spannend te maken, verliet de hele oppositie de vergadering. Dan gingen ze gezellig een biertje drinken bij de Dominicaanse verderop, er zaten alleen maar mannen in de fractie. In Aruba wilden zij op een gegeven moment uit frustratie de statendebatten afschaffen, de oppositie kwam toch nooit opdagen.

   “Serapio, het gas is op,” roept Maria vanuit de keuken. “Ga bij het benzinestation snel een kleine gasfles halen, de funchi wordt hard.”

   Daar heeft hij nou een hekel aan. Gestoord te worden voor onbelangrijke zaken terwijl hij bezig is met wereldproblemen.

  

       

 

 

Sunday, October 6, 2013

Konosé bo Isla 2013-08: Shi Maria



Shi Maria is een goede vrouw voor Nanzi. Zij doet alles voor hem. In een van de verhalen echter heeft Shi Maria een andere naam.

Vraag: Welke naam?

Sluitingsdatum: zondag 3 november 2013.

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord gebeurt via e-mail:

royevers@gmail.com

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)



Konosé bo Isla 2013-07: antwoord


Antwoord: Het wijkpark Oude Westen aan de Kruiskade.

Er zijn 13 inzendingen, allemaal goed.

Iraima
Viola Statia
Hans
Yolanda Chakoetoe
Flavia
Julius Margaretha
Niels Augusta
Regina van der Biest
Daianhara Coeriel
Gouverneur, Meredith
Glyraine Jukema
Selly The Cake Lady de Kaster
W Peney

De winnares is Viola Statia

Iedereen bedankt voor het meedoen. 
 

Gulzig

“Nanzi zou Nanzi niet zijn, als hij niet weer een nanzistreek uithaalde,” zegt monsieur Delacourt van de ambassade, terwijl hij mij aankijkt met de grijns van een zelfingenomen dorpspsychiater.
   “Wat heeft die Nanzi nu weer uitgevreten?” vraag ik.
   “Waarmee heeft hij zich weer volgevreten, moet je liever vragen,” antwoordt monsieur Delacourt en pakt een tompoes van een schaal op tafel. Hij eet die op en begint te vertellen.
   Shi Maria bakt iedere ochtend pannenkoeken voor Nanzi. Pannenkoeken gemaakt van meel, water en een beetje suiker, en die dus nergens naar smaken. Je kunt evengoed op een stukje karton kauwen, moppert Nanzi.
   “Nanzi, het vuur is uitgegaan,” schreeuwt Shi Maria vanuit de tuin.
   “Mijn vuur is ook bijna uit van de honger,” mompelt Nanzi. “Pegasaya,” roept hij zijn jongste zoon. “Pegasaya, nietsnut van een zoon, waar zit je? Kom tevoorschijn. Ga als de bliksem naar Kompa Sese en vraag hem een stukje vuur. Schiet op, anders geef ik je een pak slaag dat je zelf in brand vliegt.”
   Pegasaya rent zo snel als zijn korte pootjes hem toestaan naar zijn peetoom Kompa Sese.
   “Ha, kijk eens wie we daar hebben? Pegasaya, mijn brave jongen, waarom zo’n haast? Hier heb je een glaasje limonade.”
   “Goede morgen, Padrino,” spreekt Pegasaya buiten adem, “mijn vader vraagt …” De woorden blijven hem in de keel steken, want hij ruikt de lekkere geur van pannenkoeken. Hij begint te watertanden.
   “Je ruikt zeker de pannenkoeken die ik aan bakken ben, mijn lieve jongen,” zegt Sese met een glimlach. “Hier heb je er twee, eet ze rustig op.”
   Dat advies is aan Pegasaya niet besteed, in een mum van tijd werkt hij de pannenkoeken naar binnen.
   “En wat is het doel van jouw bezoek?” vraagt Sese. “Een stukje vuur voor je vader?”
   “Ja, padrino,” antwoordt Pegasaya met een glimmende mond.
   Kompa Sese stopt een stuk gloeiende houtskool in een blikje en geeft Pegasaya nog twee pannenkoeken voor onderweg.
   Thuis aangekomen treft hij zijn vader slapend aan in een hangmat. Als je slaapt, heb je geen honger, is Nanzi’s filosofie. Maar hij heeft een scherpe neus. Hij springt uit het hangmat.
   “Jij hebt pannenkoeken gegeten,” zegt hij tegen de arme jongen en grijpt hem bij de keel. “En zeg mij niet dat het niet waar is, anders waren dat de laatste pannenkoeken die je ooit gegeten hebt.”
   “Ja, ja, Papa,” stottert de jongen door een dichtgeknepen keel. Nanzi houdt hem ondersteboven en een stuk pannenkoek valt uit zijn zak. Nanzi stopt die meteen in zijn mond.
   “Nondeju, hier zitten eieren in. Waar haalt Sese eieren vandaan in deze slechte tijden?” Sneller dan de bliksem staat Nanzi voor de deur van Sese.
   “Sese! Sese, mijn beste vriend, waar ben je? Ik ben het, Nanzi. Sese, je bent een goede vent. Mijn lieve zoon heeft geen betere peetoom kunnen wensen … Sese, verdomme, kom naar buiten. Ik heb niet de hele dag de tijd om hier te staan schreeuwen.”
   Sese komt op zijn dooie gemak naar buiten. “Wat moet je weten, Nanzi?” vraagt hij argwanend.
   “Waar jij de eieren vandaan haalt. Weet je dat dat strafbaar is?”
   Sese glimlacht. “Dat gaat je geen klap aan.”
   “Ik geef je aan bij de soldaten van de koning,” dreigt Nanzi.
   Sese geeft zich gewonnen. “Iedere nacht ga ik naar het nest van de slang en neem een paar eieren mee, zij merkt er niks van.”
   “Vannacht ga ik mee,” zegt Nanzi vastberaden. En zo gaan de twee iedere nacht eieren stelen uit het nest van de slang. Maar Nanzi heeft niet genoeg aan een paar eieren, hij gaat elke nacht alleen terug om meer eieren te halen, manden vol. Totdat de slang het op een nacht merkt. Zij komt plotseling tevoorschijn en bijt Nanzi in de billen.”
   Monsieur Delacourt blijft stil en ik blijf hem verwonderd aankijken. Hij pakt zijn vijfde tompoes van de schaal en propt die in zijn mond. “De moraal van het verhaal is, dat je nooit gulzig moet zijn,” spreekt hij met volle mond.
     

          

Verspilling

“Fèfè, moet je eens luisteren. Een derde van het voedsel dat wereldwijd wordt geproduceerd, wordt niet gegeten, maar verspild.”
   Fèfè geeft geen kik en blijft in dezelfde houding zitten op het bankje voor de toko van de Portugees: met de benen gestrekt en met zijn rug geleund tegen de opengeklapte voordeur van de toko. Een eeuwig luciferstokje in zijn mond dat dienst doet als tandenstoker. Hij heeft net zijn tweede kopje koffie op, met veel melk en drie grote scheppen suiker, helemaal verkeerd.
   “Het gaat om 1,3 miljard ton voedsel per jaar,” lees ik verder voor uit de krant. “Kun je je dat voorstellen, Fèfè?” Niet, dus.
   Fèfè is met iemand aan de praat geraakt die hem op een pastechi trakteert. Dat is zijn ontbijt: twee kopjes koffie en een pastechi. Straks zal iemand hem trakteren op een malta, dat geeft energie. Wanneer hij zijn onderstand geïnd heeft, koopt hij zelf het ultieme energiedrankje, een mix van malta, gesuikerde koffiemelk, een geklopt ei en een scheutje cognac.
   “Dat betekent dat van de negen karbonades die de Chinees bakt, er drie weggegooid worden.”
   Fèfè springt op. “Welke Chinees?” vraagt hij, klaar om uit te rukken.
   Vroeger werd er geen voedsel weggegooid. Als een stukje brood per ongeluk uit je handen op de grond viel, raapte je het op, veegde het schoon, kuste het en stak het in je mond. Dat kussen is altijd een mysterie voor mij gebleven. Misschien dat het stukje brood geassocieerd werd met de passage ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ uit het Onze Vader.
   Overblijfselen van het avondeten werden ook niet weggegooid, althans niet in de vuilnisbak. Zij werden gedeponeerd in een aparte bak, eigenlijk een kerosineblik, bestemd voor varkensvoer. Een varkenshouder uit Banda ‘Bou haalde op gezette tijden al het afval uit de buurt op. De voorloper dus van de biobak. Eind van het jaar, tegen de feestdagen, kreeg iedereen als tegenprestatie een stukje varkensvlees, wanneer de varkens geslacht werden.
   Fèfè is weer op zijn bankje gaan zitten na begrepen te hebben dat de bewuste Chinees alleen maar in abstractie bestond, slechts ter illustratie. De Chinees gooit niets weg. De vrouwen die aardappels schilden bij de Chinees in de Breedestraat in Otrobanda, verkochten de etensresten voor een gulden per blik als hondenvoer.
   Traditioneel werd er ook geen voedsel verspild. Wanneer een geit geslacht werd, werd alles gebruikt. De kop werd gekookt en samen met de lever gestoofd tot een gerecht dat tegenwoordig als een delicatesse beschouwd wordt. De hersenen werden met eieren gebakken en op brood gegeten. Het bloed werd gebakken en met peper en citroen op brood (Curaçao) of met funchi (Bonaire) gegeten.
   Het vlees dat over was, werd ingezouten en aan de waslijn gehangen om in de zon te drogen. Zo kreeg men yòrki. Tegenwoordig moet men naar Bonaire afreizen om echt lekkere yòrki te krijgen. Vanwege de geur is het geen compliment wanneer iemand tegen je zegt dat je naar yòrki ruikt.
   Het onderste gedeelte van de poten werd in de as van houtskool begraven en na een week opgegraven. De pootstukken werden uitgekookt om de wormen te doden en daarna in cactussoep (kadushi) gegooid voor de lekkere smaak.
   Wat bleef er over van de geit? Niet veel. O ja, de ballen van de bok. Die werden ook gebakken. Een lekkernij voor liefhebbers.
   “Opvallend is dat vooral in arme landen winkels en consumenten zuinig zijn op voedsel,” lees ik verder.
   “Wat wil je daarmee zeggen?” vraagt Fèfè, terwijl hij zijn linkeroog dichtknijpt en mij wantrouwend aankijkt. “Dat wij arm zijn? Weet je hoeveel wij verspillen op dit eiland? En niet alleen voedsel, maar vooral geld aan allerlei flauwe kul. Ik heb niets te verspillen, want ik heb niets.”
   “In rijke landen gaat maar liefst 39 procent van het voedsel verloren.”
   “Hou nu op met die flauwe kul, je verspilt mijn tijd,” zegt Fèfè en rekt zich uit.     


Tuesday, September 3, 2013

Konosé bo Isla 2013-07: Vakantie



Vraag: Ik ben hier in Rotterdam. Waar precies ?

Sluitingsdatum: zondag 6 oktober 2013.

Prijs: een cadeaubon van De Dames.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord gebeurt via e-mail:


of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)


Konosé bo Isla 2013-06: antwoord

Antwoord: Marg’i Shon Minguel

Er zijn 6 inzendingen, allemaal goed.

Daianhara Coeriel
Dennis Blanken
Yolanda Chakoetoe
Regina van der Biest
Joyce Mahabali
Niels Augusta

De winnares is Daianhara Coeriel


Iedereen bedankt voor het meedoen. 

Hopi bon

Als je aan een willekeurig iemand vraagt hoe het ermee gaat, zal in negen van de tien gevallen de persoon antwoorden met ‘basta bon’, nooit met ‘hopi bon’. Het is nooit helemaal goed, er valt altijd iets te klagen. De zon schijnt te fel, de wind waait te hard, het verkeer is te druk, de kinderen zijn te stout, de suiker is te duur.
   Ik zal niet te diep ingaan op de taalkundige aspecten van de uitdrukking ‘basta bon’, maar zij betekent zoiets als tussen slecht en goed. De interpretatie is afhankelijk van de situatie. Als iemand ernstig ziek is geweest, dan is ‘basta bon’ positief. Maar als Churandy Martina basta bon rent tijdens de WK Atletiek, dan heeft hij het helemaal niet goed gedaan. Hoewel zijn gouden glimlach alles weer goed maakt. “Ik ben blij man.”
   Als je aan mijn dochter vraagt hoe het ermee gaat, dan antwoordt zij steevast: “Heel goed. Prima.” Meestal blijft de persoon die de vraag gesteld heeft dan stil. Hoe kan dat nu? Het kan toch niet prima gaan? Met mij gaat het niet prima, waarom met haar wel? Dus mensen kunnen het niet verdragen dat het met iemand anders heel goed gaat en met hen basta bon.
   Wij doen de dingen ook nooit helemaal goed, nooit perfect. Er ontbreekt altijd wat aan. Wij zijn gewend geraakt aan middelmatigheid. Het streven naar perfectie is vermoeiend. Wij verven ons huis en bij de laatste muur is de verf op. De exacte kleur die wij nodig hebben om het werk af te maken, krijgt de verfwinkel niet gemixt. Bij de derde keer teruggaan, geven wij het op, dan maar een andere kleur, geen mens die er iets van zegt. Misschien hadden wij beter moeten plannen. ‘In Search of Excellence’ van Tom Peters was ook te vermoeiend om te lezen, gelukkig is het nu verouderd.
   Hoe zou het komen dat wij zo weinig ophebben met perfectie? Zou het een erfenis zijn van de slavernij, zoals veel dingen tegenwoordig? Je zou haast denken dat wij vanaf de schepping slaven zijn geweest.
   De slaaf Pedrito heeft in zijn gammele werkplaats achter zijn gammele hut op een gammele werkbank een perfecte stoel getimmerd. Rietveld zou zijn hoed voor afgenomen hebben. Pedrito gaat trots naar de Shon om zijn kunstwerk te tonen. Onderweg wordt hij teruggefloten door de Bomba, maar hij doet alsof hij West-Indisch doof is en stapt stevig door.
   “Mijn geliefde Shon, met eerbied toon ik u hier mijn bescheiden werkstuk,” spreekt Pedrito, want hij is een beschaafde slaaf.
   “Wat is dat?” vraagt de Shon op een ruwe toon, terwijl hij zijn paard bestijgt.
   “Dit, mijn waarde Shon, is een stoel,” antwoordt Pedrito in spanning.
   “Waar heb je een stoel voor nodig?’ reageert de Shon spottend. “Om op je luie kont te zitten in plaats van te werken, zeker. Hoeveel koeien heb je vanochtend gemolken?”
   “Tien, mijn Shon.”
   “Tien? Waarom geen twaalf?”
   “Omdat er maar tien koeien zijn, mijn Shon.”
   “Niets mee te maken,” antwoordt de Shon en klapt met zijn zweep op de kale kop van de arme Pedrito.
   Als je dat als slaaf meegemaakt hebt, dan kan ik mij indenken dat je later geen zin meer hebt in perfectie.
   Vrijdagmiddag rond zes uur reed ik vanuit de UNA over de EEG-weg richting Piscadera, op weg naar het North Sea Jazz festival. Ik had net les gegeven aan een leuke groep. Even voorbij De Savaan zat het verkeer potvast. Wat was er aan de hand? Een verkeersongeluk? Ik hoorde geen sirenes. Het kon ook niet de minister-president zijn, want deze legt het verkeer niet lam wanneer hij langskomt.
   Na driekwartier bij Piscadera aangekomen, was de puzzel opgelost. Zij hadden de hoofdweg afgesloten bij de afslag naar de hotels. Alleen bezitters van toegangskaarten tot het jazzfestival mochten langs. Een minder perfect begin.
   Verder verliep alles prima. Rob Delannooi beoordeelde het festival met een acht en hij heeft er verstand van. Niet iedereen.
   “Hoe vond je het festival?” vroeg ik aan iemand na afloop.
   “De broodjes stobá waren heerlijk,” antwoordde hij. “Hopi bon.”


            

     

Jazz in een notendop

Afgelopen zaterdag moest ik, in het kader van de open dag van ICUC, in een half uur tijd een presentatie houden met als titel ‘De geschiedenis van jazz’. Als je nu bedenkt dat de muziekvorm die men jazz noemt, omstreeks 1900 ontstaan is in New Orleans en wij nu anno 2013 leven, waarin zelfs de muziek van Paul Anka als jazz beschouwd wordt, in ieder geval, hij treedt binnenkort op tijdens de North Sea Jazz festival Curaçaose editie, dan had ik heel wat uit te leggen in dat half uurtje, niettegenstaande de hulp van onze goede vriend Ed Nahar, ook een fervente jazzliefhebber. Jazz in een notendop dus.
   Wie is er nu in godsnaam geïnteresseerd in de geschiedenis van de jazz, zult u zich afvragen. Vergist u zich niet, er zaten mensen in de zaal. De zaal was niet vol weliswaar, maar ook niet leeg. De mensen die er zaten, waren echt geïnteresseerd in de jazzmuziek, wat je niet kunt zeggen van de meeste bezoekers van het North Sea Jazz festival.  Wat een rare naam trouwens voor een festival gehouden op Curaçao, je zou eerder denken aan Caribbean Sea Jazz Festival.
  “ Grandpa is going to sing at the North Sea Jazz festival,” zegt Paul Anka tegen zijn achterkleindochter.
   “Are you going to Europe without us?” vraagt het meisje dat pas op school heeft geleerd dat de North Sea ergens tussen Engeland en het vaste land van Europa ligt. Paul Anka heeft daar niet meteen een antwoord op.
   “Can you still sing, Grandpa?” vraagt een andere kleindochter.
   “Shut up,” schreeuwt Paul Anka.
   Ik dwaal af. De geschiedenis van de jazzmuziek vertellen in een half uur, ging dus niet. Trouwens die geschiedenis is op het internet te vinden in alle graden van betrouwbaarheid, zoals alles op het internet. Iedere gek kan op het net plaatsen wat hij wil.
   Toen kwam ik op het lumineuze idee, al zeg ik het zelf, om de aanwezigen zelf de veranderingen in de muziek te laten ervaren die zich in de loop der jaren hebben voorgedaan.
   Wij begonnen met ‘The Entertainer’ van Scott Joplin op de piano, het schoolvoorbeeld van de Ragtime muziek. Volledigheidshalve moet ik hier opmerken dat de naam ‘jazz’ nog niet bestond in de periode waar wij het nu over hebben, namelijk rond 1900. Rond die tijd hebben de zwarte Amerikanen, oftewel de Afro-Americans om het eerbiediger uit te drukken, drie muziekvormen geïntroduceerd in New Orleans: de gospelmuziek, de blues en de ragtime. Deze drie muziekvormen vormden de basis voor de jazz.
   Als havenstad onderging New Orleans invloeden uit de rest van de wereld. De stad had ook een rijke traditie aan Europese muziek: de Opera House bijvoorbeeld en niet te vergeten de Mardi Gras. Het is dan ook aannemelijk dat juist daar een heel nieuwe muziekvorm ontstond: de jazz.
   “Wacht eens even,” opperde iemand in de zaal. “Andere steden ondervonden ook soortgelijke invloeden. Die steden hebben ook bijgedragen aan de jazzmuziek.” Dat komt ervan als er deskundigen in de zaal zitten, die moet je eigenlijk niet toelaten.
   Wat hij zei, is waar. In New York bijvoorbeeld heeft zich een eigen ontwikkeling voorgedaan op het gebied van de jazz, maar daar hebben wij het gemakshalve niet over. Ik liet wel het verschil horen tussen jazz uit New Orleans en jazz uit New York. Louis Armstrong versus Duke Ellington.
   Als je het over de geschiedenis van de jazz hebt, dan is het heel belangrijk om je te realiseren dat de jazz, net als alle andere muziek, ontstaan is als dansmuziek. Om dat te ervaren, dansten wij tijdens de presentatie op de tonen van Louis Armstrong en Sidney Bechet. Allebei uit New Orleans, maar Louis Armstrong klinkt rauwer en Sidney Bechet geraffineerder.
   De jazz was dansmuziek in de vorm van de New Orleans stijl, die trouwens in Chicago populair werd, en de Swing stijl, waarvan de Duke Ellington Big Band een van de belangrijkste vertolkers was.

   Rond 1950 maakten Charlie Parker en Dizzy Gillespie hier een eind aan en werd jazz luistermuziek. Zo is de moderne jazz ontstaan, die wij als het meezit eind van de maand op het North Sea Jazz festival kunnen beluisteren.

Water

Ik ben opgegroeid in de steegjes van Otrobanda, om precies te zijn in de Gasthuisstraat, de straat die loopt in westelijke richting van de Zaantjessteeg tot aan de Carthagenastraat en vice versa in oostelijke richting, parallel aan de Breedestraat aan de kant van het Rif, de zuidkant dus. Daar ongeveer.
   Ik kan mij nog vaag herinneren dat watertrucks water rondbrachten in de steegjes van onze buurt en het in kerosineblikken verkochten. De waterdragers liepen tot in de keuken om een drum te vullen. Opmerkelijk is dat zowel de kerosineblikken als de waterdrum van de raffinaderij afkomstig waren.
   Spoedig daarna kregen de huizen waterleiding. Nu moet u zich daar niet veel bij voorstellen. Bij ieder huis kwam er maar één pijp binnen: in de keuken. Dus alleen daar had men stromend water, de huizen hadden geen douche en toilet.
   Onder de waterkraan in de keuken had mijn oma een drum geplaatst, die ze op gezette tijden vol liet lopen. Zij was er heilig van overtuigd dat dat goedkoper was dan iedere keer de kraan open en dicht te draaien. Want iedere keer als je de kraan opendraaide, ging de watermeter als een gek tekeer en dat kostte geld. Niet iedereen in de steegjes kreeg stromend water. Zo kwam onze buurvrouw dagelijks een pan water lenen om te koken.
   Als klein jongetje was je even lang als de drum hoog was, dus je kon met geen mogelijkheid water uit de drum scheppen, tenzij die tot de nok gevuld was. Je kon wel bij de kraan komen, maar je mocht er niet aan komen. Maar mijn oma vond een oplossing voor het probleem, zij plaatste een bankje naast de drum. Anders moest zij telkens opstaan als wij een beetje water wilden.
   Later kregen wij een wasmachine: een onding, de oorzaak van jeugdtrauma’s, een schending van de rechten van het kind. Dat ding moest namelijk gevuld worden en dat moesten wij doen. De wasmachine stond in een speciaal daarvoor gebouwd washok in de tuin, een eind van de keuken vandaan.
   Wij moesten dus in de keuken een emmer vullen door water uit de drum te scheppen, met de volle emmer naar het washok lopen, de volle emmer in de wasmachine kieperen en teruglopen. Dat kieperen ging weleens mis, met alle gevolgen van dien. Wat was logischer dan een waterkraan te plaatsen in het washok? Toen al had ik geen fiducie in het menselijke denkvermogen.
   Water was blijkbaar duur en het bewustzijn dat men zuinig met water om moest gaan, bestond al. Dat bewustzijn had ook een keerzijde. Gelijk met het washok werden ook een toilet en een badhok gebouwd, maar geen douche. Er was immers nergens stromend water behalve in de keuken. Alles gebeurde met behulp van emmers: baden, wassen en toilet doorspoelen. En dit was de keerzijde, het toilet mocht alleen maar doorgespoeld worden na een grote boodschap. Aan kleine boodschappen had mijn oma geen boodschap. Dus na het plassen werd niet doorgespoeld. Daar hebben wij als volk tot de dag van vandaag nog last van.
   Traumatischer was het dat wij na het eten onze handen moesten wassen in het vieze afwaswater in een teil. Waarom niet omgekeerd? Eerst de handen wassen en daarna de vieze potten en pannen in de teil?
   Hoe anders was het in de buitendistricten Banda ‘Riba en Banda ‘Bou. Daar had je de mondi, die alles absorbeerde, als het maar organisch was, grote en kleine boodschappen. Geen plastic zakken, geen oud huisraad, geen autowrakken zoals nu. Ook had je behalve de watertrucks, andere bronnen van vers water: de waterputten, ‘awa di pos’, en de regenbakken, ‘awa di yobe’. Men hoefde niet zuinig te doen.
   Het putwater werd koel gehouden in een aarden kruik, poron. Lekker om te drinken, maar een beetje zwaar op de maag van een verwende stadsjongen. Het regenwater was goed om kroeshaar mee te wassen, zeiden de vrouwen.
   De waterputten zijn verdwenen, de regenbakken staan droog, de watertrucks rijden niet meer en eerstdaags komt de laatste druppel uit de kraan. Ik krijg er dorst van.
        


30 mei

Maria Teresa Janssen de Buena Fe, beter bekend als Teresita, weduwe van wijlen Janssen, chauffeur van bus AC 75, werd die zaterdagochtend wakker met een enorme kater, niet van de drank, maar van de gebeurtenissen van de vorige dag. Zij hoopte dat het allemaal een nare droom was geweest, maar de geur van verbrande rubber drukte haar met neus op de realiteit. Een realiteit die zij nooit voor mogelijk had gehouden op dit o zo vredige eiland. Wat zij vredig noemde, werd door anderen gekwalificeerd als onmondigheid, onderdanigheid, angstcultuur en wist zij veel wat nog meer, door mensen die niet wisten wat onmondigheid was, die niet wisten dat een verkeerd woord jarenlange opsluiting kon betekenen, die niet wisten wat angst betekende om door je eigen broer of zus verraden te worden. Deze mensen hadden gemeend om alles en iedereen die hun lief waren te vernielen en te vernietigen, inclusief haar eigen winkeltje, haar toko Mi Sueño, waarmee zij haar dagelijkse brood verdiende voor haar en haar dochter. Haar winkeltje, althans wat er van over was, moest zij opnieuw gaan opbouwen. Haar dochter zei: “Wij moeten ze doodschieten, Mamá, één voor één, al duurt het tien jaar.” Maar zij was niet iemand met wrokgevoelens. “God is groot,” had zij geantwoord, “wij beginnen weer opnieuw.”
   Als je haar zag, Maria van toko Mi Sueño, zou geen haar op je hoofd vermoeden dat zij niet hier geboren was, ware het niet dat zij het woord Schottegat niet kon uitspreken – Eskotehat, zei ze steevast – terwijl haar wijlen man nota bene als busroute ‘Rond Schottegat’ had. Dat was echter niet de reden waarom zij nooit in de bus van haar man zat. De ware reden was dat het slakkengangetje waarmee haar man reed dusdanig op haar zenuwen werkte, dat zij liever van de stad naar Parera liep. Hoe zij haar man dan had ontmoet, was een mysterie dat zij nooit aan iemand had verteld.
   Haar dochter had die nacht niet thuis geslapen. Zij was na de plundering met een vriendin meegegaan. Zij wilde de oproerkraaiers te lijf gaan met een kapmes, haar vriendin had haar tegengehouden en in de slaapkamer opgesloten. “Het zijn godverdomme dezelfde klootzakken die elke middag hier buiten op de bank bier zitten te drinken op rekening. Wij moeten ze allemaal doodschieten, desgraciados.” Zij bleef maar doorschreeuwen totdat haar moeder het zat was. “Cállate,” schreeuwde zij terug, “jij weet niet wat doodschieten betekent. Jij weet niet dat wij hier zijn omdat ik niet meer wilde weten van doodschieten. Vijftig duizend mensen heeft hij doodgeschoten, in dertig jaar tijd. Onschuldige mensen, zoals jij en ik. Jouw oom Alejandro, verraden door zijn eigen kameraden.”
   Maria Teresa de Buena Fe werd geboren in Santo Domingo, onder het regime van dictator Rafael Leonidas Trujillo Molina, de reïncarnatie van de duivel, een man zonder geweten, zoals Maria Teresa de Buena Fe altijd mompelde, maar nooit hardop zei. Op een paar dagen na, woonde zij precies acht jaar op dit eiland. Op 4 juni 1961, twee dagen na de begrafenis van Trujillo, vertrok zij met al haar hebben en houden, dat wil zeggen met  haar dochter, hiernaartoe. Zij kende niemand, maar merkte algauw dat Dominicaanse vrouwen hier meer dan welkom waren.
   “Hoe gaan wij deze troep opruimen, Mamá?” Haar dochter was thuisgekomen en trof haar aan in het winkeltje, terwijl zij met rode ogen de schade opnam. Daarom was zij vertrokken uit haar geboorteland. Om dit soort toestanden niet meer mee te hoeven maken. Zij had te vaak glasscherven moeten opruimen, nu weer.
   “Mamá?”
   Zij vermande zich. “Wat?”
   “Hoe gaan wij deze puinhoop opruimen?”
   “Wij beginnen bij het begin en eindigen bij het eind.”
   “Lariekoek, Mamá, je kletst maar wat.”
   “Is dat geen toeval?” vroeg Maria Teresa Janssen geboren de Buena Fe. “Op 30 mei wordt Trujillo doodgeschoten, op 30 mei staat Willemstad in brand.”
   “Op 30 mei wordt jouw winkel leeggeplunderd, Mamá.”                 

    

Sunday, June 2, 2013

Konosé bo Isla 2013-06: een oud liedje

DUN, DUN, DUN ...

Vraag: Welk medicijn laat alle pijnen van Shon Chas verdwijnen?

Sluitingsdatum: zondag 4 augustus 2013 (i.v.m. de vakantieperiode)

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord gebeurt via e-mail:


of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2013-05: antwoord

Antwoord: Cola Debrot

Er zijn 7 inzendingen, allemaal goed.

Ethel Mercera
Daianhara Coeriel
Dennis Blanken
Madelyn Francisco
Julius Margaretha
Joyce Mahabali
Iraima Offermans


De winnaar is Dennis Blanken

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Tien jaar later

“Heb je vandaag al een goede daad verricht?” vraagt de lieftallige stem van een meisje van een jaar of twintig. Het blijft stil in de kamer. De lange slanke man die voor het raam naar buiten staat te kijken, antwoordt niet.
   “Heb verdomme je vandaag al een goede daad verricht?” vraagt nu de boze stem van een oudere dame. “Verdomme?” mompelt de man. “Wie heeft haar dat woord geleerd? Het staat ook nog op de verkeerde plaats.”
   “Heb ... ,” begint de stem weer te vragen, maar de man onderbreekt haar.
   “Je moet geduld hebben,” zegt de man tegen de stem.
   “Wat is geduld?” vraagt de stem aarzelend.
   “Als je het hebt, dan kom je er vanzelf achter wat het is. En hou nu verder je mond.” Met de afstandsbediening zet hij zijn Persoonlijke Assistente op ‘mute’. Hij heeft haar zelf geprogrammeerd, maar af en toe vergaloppeert zij zich. Verdomme? Waar heeft zij dat geleerd?
   Hij kijkt weer naar buiten en ziet de mensenmassa in de drukke straten van de binnenstad. Zijn appartement staat midden in het centrum. Een eenvoudig appartement, want hij heeft niet veel nodig, hij heeft eigenlijk niets nodig. Maar toch is er alles wat in een appartement behoort te zijn: een badkamer met douche en toilet, een slaapkamer met een bed en een nachtkastje met een stapel papieren boeken erop, een keuken met een fornuis en zelfs een ijskast met eten erin. Mensen moeten eten, hij niet.
   Hij ziet kinderen spelen op het Brionplein. Een jongetje valt, maar veert meteen weer overeind. Hij moet lachen om het geschrokken gezicht van de moeder. Zijn nieuwste uitvinding: kindvriendelijke vloeren voor speelplaatsen, gemaakt van een soort smart rubber. Het rubber neemt de vorm aan van het lichaam van het kind dat valt en zet hem zachtjes terug op zijn benen. Het hele plein is ermee bedekt. Heel Brionplein is een grote speelplaats voor kinderen.
   De binnenstad is vanaf Colon tot Pietermaai afgesloten voor verkeer. Er rijden gratis shuttles op en neer, van de parkeerplaatsen buiten de stad naar het centrum. Je kunt in en uitstappen waar en wanneer je wilt.
   Verrek, denkt hij, het is nu al tien jaar geleden dat hij na de ramp van mei 2013 hier aangekomen is. Onopgemerkt. Niemand kende hem toen. Niemand kent hem nu. Hij mag tevreden zijn. Er is heel wat veranderd in die tien jaren. Veiligheid en gezondheid, dat waren de prioriteiten. De laatste zes maanden is er geen enkel overval gepleegd.
   Plotseling hoort hij een gil, hij schrikt er zelf van. Hij kijkt naar zijn monitor en ziet het van pijn doortrokken gezicht van Dalakochi. Dalakochi is de bijnaam van een van de jongens die betrokken waren bij de laatste overval van zes maanden geleden. De daders mogen zich alleen maar in een beperkt gebied rond hun huis ophouden. Een picochip onder hun hoofdhuid controleert dat. Als zij zich buiten het gebied begeven, dan stuurt de computer een pijnsignaal. Zij krijgen dan een moordende koppijn. Dat is met Dalakochi gebeurd. Wanneer hun gedrag gecorrigeerd is, verdwijnt de chip.
   De mensen leven nu zonder angst. Hij heeft zelfs gemerkt dat sommigen hun auto’s niet meer op slot doen. Ook het ijzerwerk voor hun deuren en ramen is aan het verdwijnen. Toen hij tien jaar geleden hier aankwam, leefden de mensen in ijzeren kooien en keken triest. Nu lachen zij weer, zoals zij dat vroeger deden.
   De mensen zijn ook gezond en letten op wat zij eten. Alle restauranthouders hebben een diëtistenopleiding gevolgd. Fastfoodketens geven een bakje fruit mee in plaats van ketchup bij een bestelling. Het nieuwe ziekenhuis staat voor driekwart leeg.
   “Zullen wij een potje vrijen?” vraagt een zwoele vrouwenstem. Ik moet haar herprogrammeren, denkt de man, zij gaat teveel met mensen om..   
 

De machine

“Dus je laat Nanzi badend in het zweet wakker worden,” zegt dichter en schrijver Pontius Pilatus tegen je, een AD onder de arm.
   “Ik laat Nanzi niks doen,” antwoord je op je hoede, want je kent Pontius Pilatus maar al te goed. “Nanzi is oud en wijs genoeg om zelf te beslissen wat hij doet.”
   “Desalniettemin en niettegenstaande,” vervolgt Pontius Pilatus, “slaat het als een tang op een varken wat je schrijft over Koning Nanzi I. Door hem badend in het zweet wakker te laten worden, suggereer je dat zijn droom een nachtmerrie was, maar nergens in de droom zie ik daar aanleiding toe.”
   Pontius Pilatus is een lange magere man met een smal gezicht, een spitse neus en scherpe lippen, lang wit haar dat hangend tot op zijn rug, vanonder een groene hoed tevoorschijn komt. Een ontheemde makamba die hier zijn stekkie heeft gevonden, zoals hij zelf zegt. In de grote schuur achter zijn oude en vervallen landhuis, werkt hij al veertig jaar elke nacht, wanneer hij niet schrijft of dicht, aan de machine, een perpetuum mobile dat zichzelf in beweging houdt.
   “Overigens,” zegt hij, “moet het Koning Nanzi II zijn, want Nanzi is in een van je verhalen al eerder koning geweest.” Daarom moet je op je hoede zijn, Pontius Pilatus heeft ondanks zijn leeftijd een geheugen als een computer. Hij kan hele passages uit de krant of uit een boek feilloos citeren.
   “Toen was hij koning ad interim, net als onze regeringen de laatste tijd,” antwoord je defensief.
   De ogen van Pontius Pilatus lichten op.
   “Aha, dat bedoel ik nu precies. Dat is precies wat Nanzi zegt. Ad interim los je misschien kleine problemen op, maar geen grote. Onze naam is klein, maar onze problemen zijn groot. En wat mij als schrijver en minder als dichter tegen de borst stuit, is dat je Nanzi het koningsschap als een nachtmerrie laat ervaren, door hem badend in het zweet wakker te laten worden, terwijl hij juist heel slimme dingen zegt. Daar kun jij van leren. Wanneer schrijf je eens eindelijk een stuk dat ergens op trekt? Mijn zoon leest jouw verhalen ook, hij belde mij vanochtend op vanuit Timboektoe.”
   “Jouw zoon zit niet in Timboektoe, hij zit hier.”
   “Wat maakt het uit waar hij zit? Hij komt nooit langs en ik zie hem nooit. Wat mij betreft kan hij overal in deze wereld zitten.”
   “Vordert het met je machine?” vraag je aan hem om van onderwerp te veranderen.
   Zijn machine zou alle problemen van de wereld oplossen, alle ellende van de schepping opheffen, de mensheid gelukkig maken. De prijs van brandstof daalt. Fossiele olie wordt overbodig en blijft in de grond. Er komt vrede in het Midden-Oosten, want zand is niets waard. De Arabieren kunnen naar hartenlust buikdansen en waterpijp roken. Mais wordt weer gebruikt als voedsel en is in grote hoeveelheden voorradig. De wereldbevolking gaat integraal over op funchi als basisvoedsel.
   De opwekking van energie wordt goedkoop. Energie is alleen nog maar nodig voor koken en klimaatbeheersing. Het eiland wordt luchtgekoeld op een constante temperatuur van achttien graden. Koelwater wordt gebruikt voor irrigatie. Aardbeien, tomaten en druiven groeien welig. Wiet ook.
   Het reizen wordt makkelijker. Vliegtuigen bieden lijndiensten aan, de passagier kan aan boord betalen. De grenzen vervagen. Naast de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika worden opgericht: de Verenigde Staten van Midden- en Zuid-Amerika, de Aziatische Unie, de Unie van Arabische Vorstendommen en Republieken, de Gemeenschap van Autonome Caraïbische Eilanden en de Federatie van de wijken van Curaçao.
   “Daarom,” concludeert Pontius Pilatus, “moet Nanzi koning worden.” En jij blijft hem met open mond aankijken. Nanzi is de machine.  
    
  

Sunday, May 5, 2013

Konosé bo Isla 2013-05: een gedicht

DE TUIN

Vroeger bastion, werd het een luxe-tuin
met tegels van grijs zandsteen en arduin.
De troepiaal zingt van haar lief en leed.
Het uitzicht is nog steeds een stad in puin.

Vraag: Hoe heet de dichter?

Sluitingsdatum: zondag 2 juni 2013

Prijs: een cadeaubon van de Cinemas

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord gebeurt via e-mail:


of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2013-04: antwoord

Antwoord: … toen dronken zij met tachtig, ja acht maal achtentachtig uit enen vingerhoed …

Er zijn 10 inzendingen, waarvan 9 goed.

Flavia
M2C Architects
Regina van der Biest
Julius Margaretha
Augusta Niels
Yolanda Chakoetoe
Iraima
Madelyn Francisco
Toos Smeulders
Frans Kapteijns


De winnaar is M2C Architects.

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Koning Nanzi I

Shon Arei ging abdiceren en Nanzi was de troonopvolger. Vraag niet hoe dat kwam, maar het was zo. De dag van de kroning was Nanzi vroeg opgestaan. Hij trilde op zijn zes poten.
   “Shi Maria, mijn geliefde eega,” zei hij op een plechtige toon, “vandaag wordt gij koningin. Koningin Shi Maria, nee, zonder de Shi, Koningin Maria en ik Koning Nanzi I.”
   “Dat zal wel zo zijn,” antwoordde Shi Maria. “Koning of geen koning, of de Paus voor mijn part, eenvoud siert het dier. Blijf jij met je zes poten stevig op de grond staan.”
   “Jij snapt er niets van,” diende Nanzi haar van repliek. “Iets anders, Kompa Sese is Heraut van Wapenen, ga kijken of hij al klaar is.”
   Kompa Sese kwam net aanlopen, met een tabberd aan die hem veel te wijd stond.
   “Waarde heer Sese,” sprak Nanzi hem toe, “dit is geen gezicht, je ziet eruit als een aap in een toga. Maar allez, wij moeten opschieten, wij moeten naar Fort Amsterdam waar de ceremonie plaatsvindt.”
   En wat voor een ceremonie, iedereen was er. De Burgemeester van Banda Bou, de Schatkisthouder van Trai Seru, de Fraudeur van Den Kobá, Capo di tutti capi van Steenrijk, zelfs Ali Ben Salami van Arabië.
   Shon Arei las de Akte van Abdicatie voor.
   "Heden, den tweeëntwintigste april 2013 des voormiddags te elf en een half ure op het Koninklijk Paleis te Fort Amsterdam heb ik, Arei, Koning der Eilanden, enz., enz., enz., in tegenwoordigheid van mijn geliefde vrouw, dochters en zonen, bijeengeroepen: bla, bla, bla ... , voornemen mijn langdurige regering te beëindigen en afstand van de Kroon te doen ten behoeve van Nanzi. God spare U.” Toen klonk onverwachts het trompetgeschal van honderd olifanten ingehuurd uit India.
   Shon Arei ondertekende de akte waardoor alle titels overgingen op Nanzi: Koning der Eilanden, Prins van Mundu Nobo, Jonkheer van Dòmi, Graaf van Ser’i Plasa, Markies van Awasá, Erf-Burggraaf van Kralendijk, Vrijheer van Netto Bar.
   Een hele zwik. Nanzi sleepte al die titels in een grote zak mee naar huis. Kompa Sese hielp hem. Onderweg overlegden zij over het regeerprogramma.
   “Sire, zeg me eerlijk, met zoveel problemen op dit eiland, bent u in de aap gelogeerd.”
   Nanzi bleef stil en liet zijn schouders zakken. Een donkere wolk daalde over hem heen, hij werd heel bedroefd. Plotseling keek hij op en klonk weer opgepept.
   “Sese,’’ zei hij, “als je niets beters te zeggen hebt, hou dan je snuit. Laten wij positief blijven. Hoeveel dieren wonen hier in het bos? Op de kop af 136,197. Okay, minus tien, van de familie Hermelijn hebben wij een mantel gemaakt. Denk je niet dat wij de problemen van pakweg 140.000 dieren kunnen oplossen?”
   “Ik voel twijfel in uw stem, Sire. U bent zelf niet overtuigd. Wij zijn een klein land met grote problemen. Een zwakbegaafd kind met een waterhoofd.”
   Zodra wij in het paleis zijn, laat ik hem ophangen, peinsde Nanzi. Hij werd weer mismoedig.
   In de verte zagen zij een stofwolk die in een hoog tempo dichterbij kwam. De centaurs, de lijfwachten van de koning. Zij hielden halt vlak voor Nanzi en Sese.
   “Sire, de geldkoets is op brutale wijze overvallen. Gemaskerde dieren met zeer geavanceerde wapens. Heel waarschijnlijk pijl en boog.”
   “En? Hebben jullie de boeven gepakt?”
   “Nee Sire, wij wachten op uw instructies.”
   “Weten jullie waar zij naartoe zijn gegaan?”
   “Ja, Sire.”
   “Ga ze dan pakken, verdomme,” bulderde Nanzi onmajesteitelijk.
De centaurs draaiden zich om en reden in galop terug. Nanzi werd badend in het zweet wakker.

  

   


De goede Curaçaoënaar

Elke ochtend om half zeven hijst hij de vlag van Curaçao. Om half zeven en niet om zes uur, omdat het om zes uur in de wintermaanden nog donker is. Hij moet lachen om het woord ‘wintermaanden’. In december is het wel fris ’s ochtends, maar winters is het beslist niet. Hij kan zich de koude winterdagen nog goed voor de geest halen uit de tijd toen hij in de Rotterdamse haven werkte. Hij was toen een jaar of twintig. Naarmate het kwik daalde, steeg de liefde voor zijn vaderland.
   Hij zingt zacht het volkslied terwijl hij de vlag hijst. Nu is hijsen een groot woord voor het vastknopen van de twee uiteinden van de vlag aan een stuk hout dat aan de zijkant van zijn huis is vast getimmerd. Lanta nos bos ban kanta. Iedere keer weer zegt zijn intuïtie hem dat die zin niet goed is. ‘Verhef onze stemmen ...’ Moet het niet ‘lanta bo bos ...’ zijn? Je gebiedt toch een ander en niet jezelf?
   Hij kijkt naar de vlag die hij gehesen heeft en ziet dat het goed is. Vanaf de heuvel waarop zijn huisje staat, ziet hij de nieuwe villa’s beneden in het dal. De een nog groter en protseriger dan de andere. Gisteren heeft hij een brief in de bus gehad met de eis van de buurtbewoners om geen vuil meer in zijn tuin te verbranden. Reden: de bewoners hebben last van de rook. Aan mijn hoela, die lui komen`helemaal uit het koude kikkerland hem de wet voorschrijven. Hij verbrandt al veertig jaar af en toe de dorre bladeren en takken uit zijn tuin en niemand heeft er ooit last van gehad. Het geurt zelfs lekker, vindt hij zelf. Vanaf dezelfde heuvel ziet hij in de verte de rook van de raffinaderij. Laten zij het daar eens over hebben.
   Maar er moet veel gebeuren om hem echt boos te krijgen. Hij wordt wel boos, maar niet voor lang. Het leven is te kort om de hele dag met een boos gezicht rond te lopen. Wij moeten de hemel bedanken dat de zon elke dag opkomt in het oosten en neergaat in het westen.
   Genoeg geouwehoerd, het is al kwart voor zeven en hij heeft nog geen boterhammen gesmeerd voor de kinderen. Hij moet opschieten, want zij komen over tien minuten langs, onderweg naar school. Vandaag is het vrijdag en dan heeft hij altijd een verrassing voor ze. Gisteren heeft hij lekkere krentenbollen gehaald bij Mangusá supermarkt en een pot aardbeienjam. Dat gaat hij nu voor de kinderen smeren: krentenbollen met jam. Het zal een feest worden.
   Hij heeft met de kinderen afgesproken dat zij de zakjes niet openmaken voordat zij op school zijn en de kinderen hebben plechtig beloofd dat zij dat niet zullen doen. Maar hij weet dat zij, zodra ze om de hoek zijn, de zakken zullen opscheuren en de krentenbollen zullen verorberen nog voordat zij op school zijn.
   Het zijn de kinderen van de twee jonge moeders die aan de andere kant van de heuvel wonen. Hij heeft het op zich genomen om de kinderen iedere ochtend eten mee te geven naar school. In het weekend haalt hij soms twee porties chow mein en brengt die voor de moeders. Geld geeft hij ze niet, want hij weet wat ermee gebeurt.
   Vorige week was hij jarig en hebben de kinderen hem een stropdas cadeau gedaan. Hij was zeer ontroerd, hij had het niet verwacht. Nu draagt hij allang geen stropdas meer, een enkele keer bij een begrafenis. Hij zal deze bewaren voor zijn eigen begrafenis.
   Hij hoort gerommel in de keuken. De kinderen komen nooit via de keukendeur binnen. Hij gaat kijken wie daar is en botst tegen een jongen op. Hij herkent hem, een van de jonge knullen die de hele dag voor de snèk van de Chinees rondhangen. Hij wil vragen wat die in zijn keuken te zoeken heeft, maar ziet de ijzeren staaf in zijn hand. De woorden blijven steken in zijn keel. De staaf zweeft boven zijn hoofd. Kòrsou nos ta stimabo. Wij bidden voor de ziel van de goede Curaçaoënaar.