Sunday, May 9, 2010

Koninklijk Besluit

De Koning staat op zijn balkon en ziet Nanzi vrolijk fluitend over het Gouvernementsplein lopen richting Otrobanda. Kijk die Nanzi daar, denkt hij, op dit uur van de dag is iedereen aan het werk en hij loopt vrolijk te lanterfanten. En als de Koning ergens een hekel aan heeft, dan is dat aan lanterfanten (mensen die lanterfanten).

Nanzi loopt naar een hotdogkarretje. ‘Ha, die ouwe baas,’ zegt hij met een brede glimlach, ‘doe mij een van die lekkere hotdogs van jou. Met zuurkool graag.’ Hij neemt het broodje aan.
‘En hoe gaan de zaken vandaag?’ vraagt hij met belangstelling. ‘Heb je al veel broodjes verkocht?’
‘Jij bent de eerste,’ antwoordt de hotdogman melancholisch.
‘Geef mij er nog eentje dan, met veel mosterd.’ De hotdogman overhandigt hem de hotdog.
‘Nee,’ zegt Nanzi, ‘die is voor jou, die krijg je van mij. Hoeveel ben ik je schuldig?’
‘Dat is samen vijf gulden.’
Nanzi haalt een kaartje tevoorschijn. ‘Wat is dat?’ vraagt de man. ‘Dit is een credit kaart,’ verklaart Nanzi. ‘Die neem ik niet aan,’ zegt de man. ‘O, dat is niet slim,’ antwoordt Nanzi, ‘ik ben je dan vijf gulden schuldig.’

De Koning ziet Nanzi het hotdogbroodje opeten en ergert zich blauw. Hier ga ik een eind aan maken, denkt hij en laat de Wetgever roepen. Hij geeft de Wetgever de opdracht om een wet te maken die als volgt luidt: ‘Iedereen in het Koninkrijk moet werken. Wie niet werkt en toch geld op zak heeft, heeft het gestolen en is strafbaar.’ De wet treedt per direct in werking. De Wetgever buigt en verdwijnt. Tien minuten later komt hij terug met een kantenklare wet.
‘Goed zo,’ zegt de Koning, ‘roep nu de twee snelste soldaten.’ De soldaten treden aan. Zij krijgen de opdracht om Nanzi te arresteren. ‘En zorg dat hij jullie niet te snel af is,’ besluit de Koning. ‘Wij zijn de snelste,’ antwoorden de soldaten.

Nanzi ziet de soldaten aan komen lopen en duikt een zijsteegje in, maar de soldaten halen hem snel in. ‘Stop, in de naam van de Koning. Is uwer naam Nanzi?’ ‘Uw nederige dienaar,’ antwoordt Nanzi. ‘Wat doet u op dit uur op straat?’ ‘Wat doen júllie op dit uur op straat, als ik dat vragen mag?’ verweert Nanzi zich. ‘Wij zijn soldaten van de Koning, wij bewaken de stad.’ ‘Ik ben een burger, ik bewaak de bewakers.’

De soldaten brengen rapport uit aan de Koning. Uilskuikens, mompelt de Koning. Hij laat zijn twee erudietste ministers roepen, de Minister van Wetenschappen en de Minister van Technologie.
‘Excellenties,’ spreekt de Koning, ‘u verkleedt zich als soldaat en u gaat Nanzi arresteren. En rap.’ De ministers verdwijnen snel.

Nanzi ziet de twee soldaten en gaat op een bank uit zijn neus zitten peuteren. De soldaten komen dichterbij en een van hen spreekt. ‘Heer Nanzi, wij komen u arresteren, want u werkt niet.’ ‘En of ik werk, ik peuter uit mijn neus.’ ‘Dat is geen werken, waarde heer Nanzi,’ spreekt nu de andere. ‘O nee,’ antwoordt Nanzi verontwaardigd, ‘de Koning zegt iedere keer dat het hele Kabinet de hele dag niets anders doet dan uit hun neus zitten peuteren.’

Ten einde raad verkleedt de Koning zelf zich als soldaat en treft Nanzi aan onder het viaduct in Otrobanda een biertje aan het drinken. ‘Nanzi, u staat onder arrest, ik sla u in de boeien.’ ‘Ho, ho, meester, niet zo fanatiek. Bent u geen dienaar van de Koning?’ ‘Dat ben ik zeker.’ ‘En betaalt de Koning u niet goed?’ ‘Redelijk.’ ‘Dus de Koning heeft veel geld. Waar werkt de Koning, als ik dat vragen mag?’ Nanzi bestelt nog een biertje.

K.

No comments: