Sunday, October 3, 2010

De redding

Het is zaterdag en al bijna twaalf uur ’s middags. Er is geen bedrijvigheid in de keuken. De geur van gebakken bananen vullen de steegjes van Otrobanda. Het is stil en somber in huis. Oma Polita heeft een wit doek om haar hoofd gebonden dat zij telkens nat maakt met awa maravia, wonderwater. Zij heeft koppijn van de kopzorgen.

‘Sarajulia,’ roept zij.
Sarajulia is mijn moeder, maar niemand weet dat zij zo heet. Iedereen noemt haar Julia. Als Oma haar Sarajulia noemt, dan is dat een teken dat zij ruzie zoekt. Oma Polita zoekt een zondebok.
‘Sarajulia, heb je al een bloemetje gezet bij het beeld van Sint Antonius?’ vraagt Oma klaaglijk.

Mijn moeder reageert niet, zij heeft geen bloemetje gezet want zij gelooft niet in die onzin. Mijn moeder gelooft nergens in, behalve dan in goed geluk. De dingen komen vanzelf goed. Oma Polita ergert zich hier mateloos aan, zij is het goed geluk.

‘Ga jij een bloemetje plukken,’ zegt zij tegen mij.
Ik sta lusteloos op. Ik heb honger, wil ik zeggen, maar ik pas ervoor op. Voor het beeld van Sint Antonius ligt een hard saladebroodje, half opgevreten door de kakkerlakken.
‘Moet ik dit weggooien?’ vraag ik.
‘Nee, laat maar liggen en zet het bloemetje een beetje netter. Zet het rechtop tegen het beeld aan.’ Ik snap ook niet hoe Sint Antonius door dit eerbetoon voor eten kan zorgen.

Iemand hoest opzichtig in het kamertje naast de kast waar het beeldje op staat. Oom Romoldo ligt op bed en staart naar het plafond. Als er iemand recht heeft op eten, dan is hij het wel. Hij heeft het huishoudgeld netjes op tijd afgedragen aan Oma Polita. Dat gehoest van hem maakt Oma Polita nog ongeduriger.

Het is vaker gebeurd dat er geen eten in huis was. Maar op de een of ander manier kwam er toch manna uit de hemel vallen. Vandaag lijkt de situatie echter uitzichtloos. Oma heeft nergens meer krediet. Geld lenen lukt ook niet. De belofte om morgen terug te betalen, daar trapt niemand in. Het is pas de helft van de maand.

Voor de deur van de overburen klinkt een luidruchtige stem. Oma springt op.
‘Dat is Freddie,’ roept zij, ‘roep hem binnen.’ Het komt plotseling in haar op dat Freddie haar tien gulden schuldig is. Iets uit het grijze verleden, zij weet niet precies meer wat. Zij pakt de schoenendoos waar zij haar papieren in bewaart en begint te zoeken. Maar zij vindt alleen maar oude rekeningen en aanmaningen. Toch weet zij het zeker van die tien gulden. Iedere week heeft zij een tekort van tien gulden op haar budget, dat moet het zijn.

Freddie komt binnen, joviaal zoals altijd. Normaal duldt Oma Polita geen bezoek tegen etenstijd. Na veel omwegen en vragen naar de gezondheid van alle familieleden en aanverwanten van Freddie, brengt Oma de tien gulden ter sprake. Natuurlijk kan Freddie zich daar niets van herinneren en het is trouwens haast onmogelijk, want in de eerste plaats leent hij nooit iets van niemand, en mocht dat toch onverhoeds een keer het geval zijn, dan betaalt hij de volgende dag het geleende meteen terug, dus Polita vergist zich. Oma wordt boos: wil Freddie met andere woorden zeggen dat zij liegt?

Freddie wordt voorzichtig, Polita is niet iemand om ruzie mee te krijgen, wil je je doopceel niet gelicht hebben. Hij is degene die zich vergist, geeft hij toe, maar het probleem is dat hij geen geld bij zich heeft en het thuis moet gaan halen. Daar trapt Oma niet in, eenmaal weg komt hij niet meer terug. Oma kijkt strak naar zijn bestofte schoenen. Freddie begrijpt haar blik. Hij bukt en tovert een tientje tevoorschijn uit zijn rechtersok.

K.

No comments: