Tuesday, June 24, 2008

GOLDFINGER

(A laser is about to cut Bond in half.)
Bond: I think you made your point. Thank you for the demonstration.
Goldfinger: Choose your next witticism carefully Mr. Bond, it may be your last.
Bond: Do you expect me to talk, Goldfinger?
Goldfinger: No Mr. Bond, I expect you to die!

Tuesday, June 17, 2008

Sexy

(Dit verhaal is eerder verschenen als column in het Antilliaans Dagblad)

Ibi gaat vandaag niet naar school, hij blijft thuis om de kastanjes klaar te maken die ’s avonds verkocht moeten worden. Zijn moeder ligt in bed met een steeds vaker terugkerende hoofdpijn. Zij heeft een doek om haar hoofd gebonden, doordrenkt van awa maravia, een wonderwater tegen alle kwalen. Tegen haar hoofdpijn werkt dit wondermiddel echter niet zo snel.

Ibi haalt eerst een zak kastanjes, fruta di pan, bij de Venezolaanse barkjes. De zak is te zwaar om te dragen, hij vervoert hem in een garoshi die hij zelf in mekaar heeft getimmerd van een aardappelkist. De wiel is van een oude step die hij op de vuilnishoop heeft gevonden. Daarna worden de kastanjes in een grote kerosineblik op een vuur van houtskool gekookt. Dat koken duurt een paar uren. De kastanjes moeten dan afkoelen en in kleine zakjes verpakt worden. Er hoort ook een stukje kokosvrucht bij. Hij moet niet vergeten ook een paar gedroogde kokosnoten mee te brengen.

Er is vanavond een belangrijke voetbalwedstrijd in het rifstadion en die kans mogen zij niet missen, de kastanjes zijn een voorname bron van inkomsten. Het is niet erg dat hij vandaag niet naar school gaat, want het is woensdag en er is maar halve dag school. Zij hebben trouwens ook zwemles en hij kan al zwemmen, hij zwemt als een vis, alle jongens van het Rif kunnen zwemmen.

Het huis waar Ibi en zijn moeder in wonen is niet meer dan een vertrek van vier bij vijf, dat vroeger dienst deed als koetshuis. Een deel van de ruimte is afgeschermd met een schot van hardkarton en een gordijn, dat is de slaapkamer van zijn moeder. Daar trekt zijn moeder zich terug als zij bezoek krijgt van een vriend. De laatste tijd komt Hosé vaak. Ibi krijgt van Hosé altijd twee kwartjes en dan gaat hij als de bliksem naar de chinees in West-End om een loempia en een rode limonade te kopen. Wanneer hij weer thuiskomt is Hosé al weg en baadt zijn moeder zich in een teil in de slaapkamer. Ibi moet een emmer water aandragen.

Koken en afwassen gebeuren buiten op een tafel naast de voordeur. Naast de tafel staat een ton met drinkwater, afgedekt met een doek tegen het stof en de muskieten. Het huis heeft geen toilet en stromend water. De nachtelijke behoeften doen Ibi en zijn moeder in een emmer. ’s Morgen vroeg, voordat de buurt wakker wordt, gaat zijn moeder de emmer ledigen in een van de openbare toiletten op het Rif. Als zij geen zin heeft om zover te lopen en niemand kijkt, dan smijt zij de troep op het open plein achter het huis. De zon doet overdag haar werk.

Ibi heeft een jaar op het Sint Thomas College gezeten en deed het uitstekend op school, maar zijn moeder kon het schoolgeld van vijf gulden per maand niet opbrengen en moest Ibi naar het Sint Vincentius College, skol di pòrnada. Ondanks het schoolverzuim is Ibi onafgebroken de eerste van de klas. Voor taal en rekenen krijgt hij nooit minder dan een negen. Hij houdt van lezen, maar hij heeft thuis geen boeken. Iedere middag na school gaat hij rondneuzen in boekhandel Van Dorp in de Breedestraat en als niemand hem ziet gaat hij stiekem in een hoek een boek zitten lezen. Als hij gesnapt wordt door het winkelpersoneel, dan wordt hij eruit gegooid. Behalve door een dikke, goedlachse mevrouw, die doet alsof zij hem niet gezien heeft. Later wilt hij advocaat worden, hij vindt de boeken waarin advocaten voorkomen heel spannend. Nu eet hij alleen maar advocaat op brood.

Ibi is na een lange studie inderdaad advocaat geworden. Hij woont nu in Jan Sofat, maar zit iedere zaterdagmiddag in Netto Bar, hij is zijn oude buurt niet vergeten. De wijk waar hij woonde heette Rochi. Rochi en andere buurten moesten wijken voor de viaduct, die een stuk romantiek van Otrobanda verwoest heeft. De bewoners werden ondergebracht in volkswoningen in wijken zonder coherentie en sociale controle, broeihaarden van drugshandel en andersoortig misdrijf. De moeder van Ibi, een grote zwaargebouwde vrouw, de schrik van de buurt –zij kon geen zin zeggen zonder minstens vijf keer het woord k... te gebruiken- heeft de verhuizing niet overleefd.

Otrobanda is sexy en Otrobanda is van het volk. Dit is een contradictio in terminis, als iets sexy is dan wordt het van het volk afgenomen en dat gebeurt nu met het rifgebied. Men kan een economische ontwikkeling niet tegenhouden, prediken de wijzen. Maar een economische ontwikkeling zonder sociaal gezicht is kortzichtigheid en vragen om problemen op termijn. Misschien kan Ibi dit beter uitleggen.

K.

Wednesday, June 11, 2008

Tien geboden voor de autonome Curaçaoënaar



1. Hij houdt zich aan zijn afspraken.

2. Hij komt nooit te laat.

3. Hij geeft altijd terug wat hij geleend heeft.

4. Hij zet de tering naar de nering.

5. Hij komt uit voor zijn mening.

6. Hij laat zich niet koeioneren.

7. Hij laat zijn hond niet aan een touw in de zon creperen.

8. Hij maakt geen onderscheid tussen goed en slecht haar.

9. Hij stapt flink door en slentert niet.

10. Hij geeft een stevige hand.

K.

Tuesday, June 10, 2008

Tien geboden voor de man



1. Hij hoeft niet mooi te zijn, die ideale man van ons. Hij hoeft ook niet rank en slank te zijn. Hij moet – zoals de advertenties dat noemen - slechts een respectabel voorkomen te hebben. Het is tenslotte niet prettig als iedereen denkt, wanneer men met zijn uitverkorene wandelt, dat men met het komische nummer van een circus reist.

2. Hij hoeft niet uit te blinken door geest of intellect. Er is niets afmattender dan vier en twintig uur per etmaal geconfronteerd te worden met geest en intellect. Hij moet een behoorlijk verstand te hebben en – met het oog op de omgang met ons – zeer veel humor.

3. De ideale man is netjes. Hij heeft geen vlekken op zijn revers en geen bureau waarin men slechts met de hulp van een bekwame berggids een spoorboekje kan vinden.

4. Hij heeft weliswaar een gelijkmatig humeur, maar hij is ook weer nadrukkelijk zonnestraaltje, dat het leven zonder enige critiek jubelend aanbidt.

5. Hij mag natuurlijk best denken dat de wereld om hem draait, maar hij moet geleed hebben zijn wilde verontwaardiging in te tomen, als wij het vijf minuten per jaar vergeten.

6. Hij mag vanzelfsprekend het eerst de krant hebben, maar hij moet – voor hij de etensbak van de hond met de familieberichten reinigt – bedenken dat wij op school ook hebben leren lezen en dat wij zo graag ook nog wat druklettertjes zien voor we ons ter ruste begeven.

7. Hij hoeft geen sonnetten te scheppen met onze schoonheid als onderwerp, maar hij moet ook niet ’s avonds laat in de taxi naar huis gapen: Hè, hè, ik zal blij zijn als ik eindelijk in mijn bed lig.

8. Hij mag beslist nooit onze verjaardag, onze trouwdag, onze verlovingsdag en nog een half dozijn andere dagen vergeten en hij moet weten dat wij dol rose bloemen zijn en paarse niet kunnen uitstaan.

9. Hij moet ons altijd laten voorgaan, behalve als wij ’s nachts beneden in de gang iets menen te horen ritselen.

10. Hij moet vooral altijd van ons houden en het ons op de meest ongezette tijden mededelen. Men oliet een machine immers ook, opdat deze blijmoedig en geruisloos voorga...?

INA VAN DER BEUGEL

Tien geboden voor de vrouw



1. Zij mag natuurlijk mooi zijn, maar lelijk is meestal leuker, als er tenminste zoveel coupe in zit dat je telkens vertederd wordt, als je haar ziet.

2. Voor mijn part kent zij de hele encyclopedie van buiten, als ze maar niet voortdurend met citaten smijt en wijs genoeg is om ons (en hoe ten onrechte!) in de waan te laten, dat wij ièts meer weten.

3. Zij mag best het huishouden organiseren, als ze maar niet zo dogmatisch gelooft in de zelf geschapen regelmaat dat ze de chaos, op ogenblikken waarop die aangenamer is, als een ongeluk beschouwt. Ze moet maaltijden durven overslaan zonder wit weg te trekken.

4. Zij moet niet geloven in de grote schoonmaak en geen behoefte gevoelen de aangename wanorde van ons vertrek te herleiden tot de atmosfeer van een hotelkamer in Goes.

5. Ze moet ons serieus nemen als wij schoolziek zijn. Dus nooit: ‘Stel je niet zoo aan’, doch steeds: ‘Ach, arme jongen – je zag er ook zo moe uit’ – en dan het ontbijt op bed.

6.Ze moet de boeken, die wij op salarisdag hebben gekocht, het eerst ter hand nemen en zo nu en dan zeggen: ‘Dit moet je toch werkelijk eens lezen!’ En niet tactloos zijn als we het nalaten, doch er later in gezelschap toch over meepraten.

7. Ze moet als we ons gezamenlijk uitgaansavondje hebben, de kosten weten te drukken, zonder ooit te zeggen: ‘Zou je het wel doèn?’

8. Ze mag, als we een nieuwe das hebben gekocht, nooit zeggen: ‘Von-je diè nou zo aardig?’

9. Ze moet, als de visite weg is, op natuurlijke toon kunnen zeggen: ‘O, ik vond het helemaal niet erg, die moppen nòg eens te horen – je vertelt ze zo aardig.’

10. Ze moet, als we net in bed liggen, nimmer zeggen: ‘O, de vuilnisbak moet nog buiten worden gezet.’

S. CARMIGGELT

Saturday, June 7, 2008

FPI ku Pakete Pa Prensa

Willemstad, 6 yüni 2008-Fundashon pa Planifikashon di Idioma, selebrando su di dos lustro a opsekiá miembronan di prensa un pakete pa yuda skibi papiamentu korekto.

Djabièrnè durante un konferensia di prensa na instituto di FPI representantenan di medionan di komunikashon a risibí un pakete di material pa sostené periodista, lokutor, redaktor i otro profeshonalnan den nan trabou di skibi na papiamentu. E pakete ta konsistí di dos buki i un cd.

E promé buki ta indiká kiko ta bon uzo i kiko ta uzo inkorekto di papiamentu i e ta duna splikashon tambe. Bo ta lesa dikon bo tin ku desaprobá palabra manera fanatikadanan i klientelanan. Pakiko ta skohe pa inisial i no pa inishal? E buki ku tin e título Algun fenómeno den desaroyo di papiamentu ta di e papiamentista Enrique Muller.

Di Thelma Anthonia tin e buki Banko di palabra den e pakete. Durante añanan di trabou komo traduktor na FPI sra. Anthonia a kolekshoná un gran kantidat di palabra i ekspreshon. E kolekshon akí tabata disponibel den un forma digital pa prensa, pa otro profeshonalnan i pa algun skol. Awor a publiká e banko den forma di dikshonario. Den e dikshonario akí bo ta haña palabranan komun i otronan mas inkomun manera restitushon pa teruggave, taksabel pa belastbaar i solushonnan manera karga di buèlta òf sifra indikativo. Bo ta topa vários palabra aden ku bo no ta haña den un dikshonario regular. E banko tin mas òf ménos 15.500 entrada.

E di tres komponente den e pakete ta e famoso kontroladó di ortografia papiamentu Spèlchèk. E kontrografia akí, manera ta yam’é ta traha ku Microsoft Windows pa Vista i ku Office 2007. E vershon anterior ta pa Windows XP i ta bai te Office 2003. E Spèlchèk ta kontené 36.000 palabra i lo yuda e miembronan di prensa, i otronan ku ta skibi, basta leu den e trabou di kontrolá pa asina limpia nan teksto na papiamentu. Tin tres partner den e proyekto di Spèlchèk, esta Traducciones Joubert, De Computerclub i Fundashon pa Planifikashon di Idioma. Na 2001 Prensa Uní a otorgá premio di ekselensia na Spèlchèk.

FPI ta konfia ku e pakete lo duna un aporte na trabou di tur dia di profeshonalnan manera miembronan di prensa i di e forma akí sostené avanse di papiamentu mas i mas. Tur e tres produktonan ta optenibel na libreria i na ofisina di Fundashon pa Planifikashon di Idioma. E preisnan sin ob. ta respektivamente: fl. 39,50, 75,- i
75,- pa e Spèlchèk.

Dr. Ronnie Severing
Direktor di
Fundashon pa Planifikashon di Idioma


Thelma Anthonia


Enrique Muller


Sidney Joubert i Winsel Peney


Dr. Ronnie Severing

Monday, June 2, 2008

Konosé bo Isla 2008-06: Een lied

Land, mijn land gij zijt mij dierbaar,
Land vol schoonheid overal,
Land, ‘k wil u mijn hart verpanden,
En u trouw zijn bovenal


Dit is het refrein van een bekend lied dat vroeger gezongen werd.

Vraag: Bij welke gelegenheid werd dit lied vaak gezongen?

Sluitingsdatum: zondag 6 juli 2008

Prijs: een cadeaubon van The Movies .

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2008-05: antwoord

Antwoord: Het beeld van Julian Coco staat op het pleintje van Colon Shopping Center naast de gasolinepomp met het gezicht naar de Roodeweg.

Er zijn 10 inzendingen, waarvan 7 goed:

Papi La Reine
Angelique Da Costa Gomez
Hubert Pop
Nelson Navarro
Joan Augusta
Nuelette Adams
Lianne Leonora
Augusta
Yolanda Chakoetoe
Carol Dick

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De winnares is Nuelette Adams

Friday, May 23, 2008

Ga je mee naar het POK?

Ga je mee naar het POK?
straf me als ik jok
maar wij zijn niet bang van die man
steun hebben wij van onze Miss An
stommerik! geen An maar Ank
mij best, zij steunt ons, bij deze onze dank
en Pedrito, die geeft hem van katoen
van wol mag ook, hij gaat het wel doen
Senator De Graaf wilt de man boycotten
als hij het woord zegt dan kan hij oprotten
als je Brink bedoelt, dan kunnen wij dat niet maken
zegt van Beek met nog stijve kaken
Pedrito houdt hem in de smiezen
hebben wij afgesproken achter de coulissen
Pedrito, de Antillen staan achter jou
ook de rovers staan klaar met een touw
hang him high! schreeuwen zij in koor
intussen draait op BVN de wereld lekker door
Leerdam wordt wakker en trekt meteen van leer
dames en heren, ga niet zo paniekerig tekeer!
Ga je mee naar het POK?
het blijft toch maar een gok.

K.

Thursday, May 15, 2008

Geweldige lezing van Cynthia Mc Leod



Cinthia Mc Leod (klik hier)


Volle zaal


Mc Leod en Dr. R. Severing


Mc Leod en Dr. E. Echteld

Monday, May 12, 2008

Kiekerjan (Hans Teeuwen)

De vos loopt door het bos. Maar, is deze vos relaxed? Is deze vos at ease? Nee, deze vos is niet relaxed en niet at ease, want hij wordt achterna gezeten door een meute bloeddorstige honden en jagers. Het trompetgeschal nadert en hij is de uitputting nabij. Als hij even tegen een boom leunt om tot rust te komen, hoort hij boven zich een gelach: Hahahahaha. En als hij opkijkt, ziet-ie daar, zittend op een tak, met een pilsje in zijn hand... de raaf. "Hé voske, hoe is 't nou? Hahahahaa, hahaha." En de vos zegt: "Raaf, raaf alsjeblieft, help me, alsjeblieft raaf, je mag me niet aan mijn lot overlaten. Als je me nu niet helpt, dan zullen ze me verscheuren in kleine stukjes. Alsjeblieft raaf, ik smeek je, vertel me waar het water is waar ik mijn sporen uit kan wissen, vertel me alsjeblieft waar een hol is waarin ik me kan verstoppen, ik-ik weet raaf, wij zijn nooit vrienden van elkaar geweest, altijd hebben we elkaar het leven zuur gemaakt, maar voor deze ene keer raaf, ik smeek je, ik smeek je op mijn knieën, alsjeblieft raaf, help me..." "Ja, dikke lul!" zei de raaf. En de raaf vloog weg. En de raaf vloog helemaal naar de rand van het bos.

Aan de rand van het bos stond een grote boerderij, omgeven door velden. En midden op één van die velden prijkte fier: een vogelverschrikker. En dat was niet zomaar een vogelverschrikker, dat was één van de populairste vogelverschrikkers uit de regio. Zijn naam was: Kieker-Jan. En in heldendichten werden zijn heldendaden bezongen:

Kieker-Jan, Kieker-Jan 't is een held,
Kieker-Jan, Kieker-Jan jaagt de vogels van het veld.
Kieker-Jan laat zich niet kisten,
Kieker-Jan is sterk,
Weer of niet, dag of nacht, altijd aan het werk,
Kieker-Jan, Kieker-Jan! - Jahahaa!

Ja, en weet je, zelfs de vogels hadden respect voor Kieker-Jan en ze aten alleen maar de zaadjes buiten zijn gezichtsveld. Behalve de raaf. De raaf die ging altijd vlak voor Kieker-Jan staan en dan zei hij: "Hahahehe. Hé, hé, Kieker-Jan. Hahahehehe. Hé, Kieker-Jan, mietje. Hé hahahaha. Hahahaha, hé, Kieker-Jan, verrekte zak hooi, hé, hahaha. Hé let op hè, Kieker-Jan, zaadje, van het veld, jaahahaha, jahaha, zaadje van 't veld, hoppekee, hop, hmm, ja, ja... en nou?" En die arme Kieker-Jan die hing daar maar. Ja, wat moest-ie doen, wat moest Kieker-Jan doen? Het was maar een vogelverschrikker - maar... hij vertrok geen spier.

En ook vandaag hè, het was weer raak, en de raaf die ging weer tekeer: "Hé, hé, Kieker-Jan! Lalalalalahahaha." Maar plotseling, plotseling zag Kieker-Jan in de verte een gestalte naderen. En hij knipperde met zijn ogen en toen zag-ie wie het was. Het was... de vos. De vos was toch aan zijn belagers weten te ontsnappen, was naar de rand van het bos gelopen, had de raaf gehoord en sloop nu behoedzaam richting de raaf en hij dacht: "Oh, man! I'm gonna fuck that motherfucker..."

Hij was tot op één meter genaderd, toen-ie met een sprong boven op de raaf dook, en toen gebeurde er iets ongelooflijks: Kieker-Jan de vogelverschrikker, die nog nooit bewogen had, voelde plotseling in zijn armen en benen een kracht die hij nog nooit gevoeld had, en hij stapt van zijn stok, loopt op de vos en de raaf af en de vos die schrok zo dat-ie de raaf helemaal vergat en de raaf die wilde wegvliegen, maar met een kat-achtige reflex greep Kieker-Jan de raaf uit de lucht, pleurt hem op de grond, samen met de vos beukte hij hem in elkaar en ze spijkerden hem vast aan de stok van Kieker-Jan - Fuck you!

Ja, en Kieker-Jan die wilde meteen een steen pakken en hem doodgooien, maar de vos zei: "Relax. Is niet nodig Kieker-Jan. Geen kwaad met kwaad vergelden Kieker-Jan, dat hoef-nie. Jij hebt je kracht gevonden en hij heeft zijn lesje gehad. De rest is onbelangrijk, we laten hem vrij." En de raaf werd vrijgelaten. "Goh, vos," zei Kieker-Jan. "Vos, ik-ik heb zoveel van jou geleerd. Laten we samen de wijde wereld intrekken en maffe dingen gaan doen, kom op, dan gaan we!"

"Rustig, rustig, rustig," zei de vos, "ik heb een vrouw en kinderen, ik kan niet zomaar weg! Maar weet je wat we doen, ik kom gewoon één keer in de week hierlangs, en dan praten we allebei over wat we meegemaakt hebben en dan worden we hartstikke goede vrienden."

"Jottum!" zei Kieker-Jan, en de vos ging op zijn achterpoten staan om Kieker-Jan te omhelzen... toen er plotseling een schot klonk. PANG! En de vos werd in zijn rug getroffen en viel dood in de armen van Kieker-Jan.

Ja, wat was er nou gebeurd? De raaf, toen die vrijgelaten was, die was met een bocht naar de boerderij gevlogen, was daar in het raam gaan zitten en had tegen de boer gezegd: "Hé eh boer, d'r zit een vos op 't veld. Ja. Jahaa, en die valt Kieker-Jan lastig. Dus eh, jahaa, ik zou maar eens gaan kijken als ik jou was." En de boer, die aarzelde niet, die pakte zijn geweer, zag de vos op zijn achterpoten staan en schoot meteen, maar toen hij aankwam, en Kieker-Jan huilend met zijn vriend op de grond zag liggen, begreep hij dat hij een afschuwelijke vergissing begaan had, en hij dacht: "Oh, mijn God, hoe moet ik dit goedmaken, hoe moet ik dit OOIT goedmaken?" En plots wist hij het, en hij zei: "Kieker-Jan, we ruilen. We ruilen Kieker-Jan, voortaan zal ik hier hangen en de vogels van het veld jagen en jij... neem mijn boerderij, neem mijn akkers, neem mijn vrouw, neem alles wat ik heb, het is allemaal voor jou." En hij had de woorden nog niet uitgesproken of daar hing ie al.

En nu, nog steeds, elke nacht, als de geluiden van rauwe seks uit de boerderij over de akkers waaien, hangt de boer aan zijn stok en ziet hij de tijd aan zich voorbij gaan. En de raaf, leeft nog steeds... Haha.

Wednesday, May 7, 2008

Libris Prijs voor D. Hooijer (NRC Handelsblad, 6 mei 2008)


Schrijfster D. Hooijer. (Foto Freddy Rikken)

Amsterdam, 6 mei. De verhalenbundel Sleur is een roofdier van D. Hooijer is bekroond met de Libris Literatuur Prijs van 2008 (50.000 euro). De voorzitter van de jury, Tom de Swaan, maakte de winnares dinsdagavond in Amsterdam bekend.

Het is voor het eerst dat de auteur van een verhalenbundel de prijs opstrijkt. Hooijer is de eerste vrouw die de prijs krijgt sinds Frida Vogels in 1994. ,,In haar verhalen heeft zij een delicaat evenwicht weten te vinden tussen vertelling en vertelwijze, tussen inhoud en vorm. Hooijer slaagt erin te verrassen, te ontroeren en te doen lachen'', aldus de jury.

De personages uit de bundel komen uit zeer diverse kringen, zoals de gezondheidszorg en de toneelwereld, maar ook de wereld van het circus, het bordeel, uit die van asielzoekers en van criminelen. Ze gedragen zich nogal buitenissig. ,,Het zijn personages die doorgaans alleenstaand zijn, zelden of nooit gelukkig, dromend en vol verlangen. Hooijer presenteert ze in al hun kwetsbaarheid en schetst ze vol empathie'', constateerde de jury.

,,Opmerkelijk is dat Hooijer informatie over iedere figuur bij stukjes en beetjes afgeeft. Zo laat zij de lezer vaak lang in onzekerheid over de vraag of deze met een man of vrouw van doen heeft en hoe de persoon in kwestie heet'', aldus de jury. Voor de lezer ontstaan langzaam maar zeker de contouren van figuren, die nergens volledig zijn ingevuld en meestal tot aan het eind toe raadselachtig blijven. ,,Zo ontstaat er alle vrijheid voor elke verbeelding, terwijl de auteur duidelijk niet wenst te doen aan karakteropbouw in de traditionele zin van het woord.''

Hooijer heeft helemaal geen boodschap aan conventies. ,,Ook niet waar het de interpunctie betreft. Zij lijkt vooral weinig op te hebben met de conventie van eenheid. Of het nu de aard van de personages betreft, de eenheid van een verhaal of het genre, Hooijer schept er zichtbaar genoegen in ze tongue in cheek te herstichten'', zegt het gezelschap.

Voor haar beschrijvingen gebruikt Hooijer veelal korte zinnen die net niet soepel in elkaar overlopen. De zinnen lijken op zichzelf te staan en vertonen toch samenhang, stelde de jury vast. ,,Hooijer is erin geslaagd een geheel eigen stijl te ontwikkelen, die prikkelt, verbaast en niet zelden op de lachspieren werkt. Haar humor zit niet alleen in de beschreven scènes, al mogen die er zijn. Het is vooral de verwoording van allerlei observaties en mededelingen die een humoristisch effect sorteren.'' Hooijer heeft volgens de jury alle registers van het vertellen opengetrokken.

De andere genomineerden:
• Jeroen Brouwers met Datumloze dagen
• Marjolijn Februari voor De literaire kring
• Louise O. Fresco voor De utopisten
• Marc Legendre met Verder
• Koen Peeters voor Grote Europese Roman

Sunday, May 4, 2008

Konosé bo Isla 2008-05: Julian Coco




Bovenstaand borstbeeld is een eerbetoon aan de bekende Curaçaose gitarist Julian Coco (klik hier).

Vraag: Waar staat dit beeld?

Sluitingsdatum: zondag 1 juni 2008

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing .

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2008-04: antwoord

Antwoord:
Na de afschaffing van de slavernij kregen de ex-slaven een stukje grond van de plantage-eigenaar, de Shon, waarop zij mochten wonen en dat zij mochten bebouwen. Als tegenprestatie moesten de ex-slaven een paar dagen per maand zonder betaling voor de Shon werken. Dit systeem werd ook ‘paga tera’ genoemd.

(Volgens wijlen Pater Brenneker komt het woord ‘ple’ van ‘plicht’.)

Er zijn 7 inzendingen, waarvan 5 goed:

L.J.Chr. Dee
Paul Lauffer
Norman Levens
Lida Pandt
Tilly Peters
Mathilde van de Beek
Joan Augusta

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De winnares is Joan Augusta

Saturday, May 3, 2008

Percepción

En este mundo traidor
No hay verdad ni mentira
Todo es según el color
Del cristal con que se mira


Anónimo

Thursday, May 1, 2008

Snelcursus schrijven

Hoe schrijf je een verhaal?

Begin

Stap 1: Neem een pen! (Start computer!)

Stap 2: Neem een vel papier! (Open Word!)

Stap 3: Schrijf!

Klaar? Nee --> ga naar stap 3!; Ja --> ga naar stap 4!

Stap 4: Lees!

Tevreden? Nee --> ga naar stap 5!; Ja --> ga naar stap 6!

Stap 5: Herschrijf!

Ga naar stap 4!

Stap 6: Publiceer!

Eind

© K.

Wednesday, April 23, 2008

Hitchcock and the MacGuffin

(A MacGuffin is a plot device that motivates the characters or advances the story, but the details of which are of little or no importance otherwise.

The element that distinguishes a MacGuffin from other types of plot devices is that it is not important what the object specifically is. Anything that serves as a motivation will do. The MacGuffin might even be ambiguous. Its importance is accepted by the story's characters, but it does not actually have any effect on the story. It can be generic or left open to interpretation.

The MacGuffin is common in films, especially thrillers. Commonly, though not always, the MacGuffin is the central focus of the film in the first act, and later declines in importance as the struggles and motivations of characters play out. Sometimes the MacGuffin is all but forgotten by the end of the film.)


The whole point of the MacGuffin is that it is irrelevant. In Hitchcock's own words, the MacGuffin is:

the device, the gimmick, if you will, or the papers the spies are after... The only thing that really matters is that in the picture the plans, documents or secrets must seem to be of vital importance to the characters. To me, the narrator, they're of no importance whatsoever.

Angus McPhail, who may have been the first to coin the term, explained its meaning with a nonsense story. Two men were travelling on a train from London to Scotland. An odd shaped package sat on the luggage rack above their seat.

"What have you there?" asked one of the men.
Oh, that's a MacGuffin," replied his companion.
"What's a MacGuffin?"
"It's a device for trapping lions in the Scottish Highlands."
"But there aren't any lions in the Scottish Highlands!"
"Well, then, I guess that's no MacGuffin!"

The MacGuffin is the engine that sets the story in motion. It can be anything, or nothing at all. In The 39 Steps, it is "secrets vital to your air defence"; in Number Seventeen it is a valuable piece of jewellery, while in The Lady Vanishes it is, in the most perfectly abstract of all Hitchcock's MacGuffins, a coded message contained in a piece of music.

Hitchcock didn't invent the MacGuffin, but he made it his own, employing it time and again throughout his career. Nowadays, it is so closely associated with him that when it is used by others, as for example in Roman Polanski's very Hitchcockian Frantic (1988), it is often seen as either homage to, or a theft from, Hitchcock.

Sunday, April 20, 2008

Moderne Papiamentstalige sprookjes van Roy Evers


Bestia ta meskos ku hende
Nan ta mira, nan ta tende
Tambe nan tin mashá maña
Un kos sí, nan no sa gaña



Dieren zijn precies als mensen, maar zij liegen niet.

Dat zegt Kompader in zijn nieuwste boek: ‘Komehein ta traha kas pa prikichi buta aden’. Het boek bevat een twintigtal verhalen (kuenta di gañagaña) waarin Curaçaose dieren - Wan Yuana, Linchi Chinchirinchi, Ton Raton, etc. – de hoofdrol spelen.

Op Curaçao kennen wij de traditie van de verhalen van de listige spin Kompa Nanzi, die op soms machiavellistische wijze zijn voordeel weet te behalen uit allerlei situaties en iedereen te slim af is. De dieren in de verhalen van Kompader daarentegen lijken allemaal op alledaagse Curaçaose mensen, met hun deugden en ondeugden, hun goede en slechte kanten. Het loopt ook niet altijd goed af met hen.

Het boek is op een bijzondere wijze ontworpen door de bekende kunstenares Ariadne Faries. De kunstenares heeft met haar foto’s de essentie van de verhalen weergeven.
Alhoewel de foto’s uit het dagelijkse herkenbare Curaçaose leven komen, is het verband tussen tekst en beeld op een abstracte, diepgaande manier te ervaren.
Het zou een leuke uitdaging zijn voor de lezer om het verband tussen verhaal en illustratie te ontdekken.

De redactie was in handen van de taalkundige Reginald Römer, zelf auteur van het boek ‘Papiamentu kulto i kastiso’.

Het boek is vanaf zaterdag 3 mei te koop in de boekhandels.

Wednesday, April 16, 2008

Een interview met Ian Fleming (schrijver van James Bond verhalen) in 1962

HOW TO WRITE A THRILLER
By Ian Fleming

People often ask me, "How do you manage to think of that? What an extraordinary (or sometimes extraordinarily dirty) mind you must have." I certainly have got vivid powers of imagination, but I don't think there is anything very odd about that.

We are all fed fairy stories and adventure stories and ghost stories for the first 20 years of our lives, and the only difference between me and perhaps you is that my imagination earns me money. But, to revert to my first book, Casino Royale, there are strong incidents in the book which are all based on fact. I extracted them
from my wartime memories of the Naval Intelligence Division of the Admiralty, dolled them up, attached a hero, a villain and a heroine, and there was the book.

The first was the attempt on Bond's life outside the Hotel Splendide. SMERSH had given two Bulgarian assassins box camera cases to hang over their shoulders. One was of red leather and the other one blue. SMERSH told the Bulgarians that the red one con-tained a bomb and the blue one a powerful smoke screen, under cover of which they could escape.

One was to throw the red bomb and the other was then to press the button on the blue case. But the Bulgars mistrusted the plan and decided to press the button on the blue case and envelop themselves in the smoke screen before throwing the bomb. In fact, the blue case also contained a bomb powerful enough to blow both the Bulgars to fragments and remove all evidence which might point to SMERSH.

Farfetched, you might say. In fact, this was the method used in the Russian attempt on Von Papen's life in Ankara in the middle of the war. On that occasion the assassins were also Bulgarians and they were blown to nothing while Von Papen and his wife, walking from their house to the embassy; were only bruised by the blast.

So you see the line between fact and fantasy is a very narrow one. I think I could trace most of the central incidents in my books to some real happenings.

We thus come to the final and supreme hurdle in the writing of a thriller. You must know thrilling things before you can write about them. Imagination alone isn't enough, but stories you hear from friends or read in the papers can be built up by a fertile imagination and a certain amount of research and documentation into incidents that will also ring true in fiction.

Having assimilated all this encouraging advice, your heart will nevertheless quail at the physical effort involved in writing even a thriller. I warmly sympathise with you. I too, am lazy My heart sinks when I contemplate the two or three hundred virgin sheets of foolscap I have to besmirch with more or less well chosen words in order to produce a 60,000 word book.

One of the essentials is to create a vacuum in my life which can only be satisfactorily filled by some form of creative work - whether it be writing, painting, sculpting, composing or just building a boat - I was about to get married - a prospect which filled me with terror and mental fidget. To give my hands something to do, and as an antibody to my qualms about the marriage state after 43 years as a bachelor, I decided one day to damned well sit down and write a book.

The therapy was successful. And while I still do a certain amount of writing in the midst of my London Life, it is on my annual visits to Jamaica that all my books have been written.

But, failing a hideaway such as I possess, I can recommend hotel bedrooms as far removed from your usual "life" as possible. Your anonymity in these drab surroundings and your lack of friends and distractions will create a vacuum which should force you into a writing mood and, if your pocket is shallow, into a mood which will also make you write fast and with application. I do it all on the
typewriter, using six fingers. The act of typing is far less exhausting than the act of writing, and you end up with a more or less clean manuscript The next essential is to keep strictly to a routine.

I write for about three hours in the morning - from about 9:30 till 12:30and I do another hour's work between six and seven in the evening. At the end of this I reward myself by numbering the pages and putting them away in a spring-back folder. The whole of this four hours of daily work is devoted to writing narrative.

I never correct anything and I never go back to what I have written, except to the foot of the last page to see where I have got to. If you once look back, you are lost. How could you have written this drivel? How could you have used "terrible" six times on one page? And so forth. If you interrupt the writing of fast narrative with too much introspection and self-criticism, you will be lucky if you write 500
words a day and you will be disgusted with them into the bargain. By following my formula, you write 2,000 words a day and you aren't disgusted with them until the book is finished, which will be in about six weeks.

I don't even pause from writing to choose the right word or to verify spelling or a fact. All this can be done when your book is finished.

When my book is completed I spend about a week going through it and correcting the most glaring errors and rewriting passages. I then have it properly typed with chapter headings and all the rest of the trimmings. I then go through it again, have the worst pages retyped and send it off to my publisher.

They are a sharp-eyed bunch at Jonathan Cape and, apart from commenting on the book as a whole, they make detailed suggestions which I either embody or discard. Then the final typescript goes to the printer and in due course the galley or page proofs are there and you can go over them with a fresh eye. Then the book is published and you start getting letters from people saying that Vent Vert is made by Balmain and not by Dior, that the Orient Express has vacuum and not hydraulic brakes, and that you have mousseline sauce and not Bearnaise with asparagus.

Such mistakes are really nobody's fault except the author's, and they make him blush furiously when he sees them in print. But the majority of the public does not mind them or, worse, does not even notice them, and it is a dig at the author's vanity to realise how quickly the reader's eye skips across the words which it has taken him so many months to try to arrange in the right sequence.

But what, after all these labours, are the rewards of writing and, in my case, of writing thrillers?

First of all, they are financial. You don't make a great deal of money from royalties and translation rights and so forth and, unless you are very industrious and successful, you could only just about live on these profits, but if you sell the serial rights and the film rights, you do very well. Above all, being a successful writer is a good life. You don't have to work at it all the time and you carry your office around in your head. And you are far more aware of the world around
you.

Writing makes you more alive to your surroundings and, since the main ingredient of living, though you might not think so to look at most human beings, is to be alive, this is quite a worthwhile by-product of writing.

Sunday, April 6, 2008

Konosé bo Isla 2008-04: Vroegere tijden

Het voorlaatste couplet van het gedicht ‘Nonze su kantika di tambú’ van Pierre Lauffer luidt:

Ata nan ta toka kachu,
pa mañan mi paga ple,
tira piki den baranka,
fish’i araña pa busá.


Vraag: Wat werd vroeger bedoeld met ‘paga ple’?

Sluitingsdatum: zondag 4 mei 2008

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: Datelnet n.v.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2008-03: antwoord

Antwoord: Para di Yonchi

Er zijn 19 inzendingen, waarvan 15 goed:

Elodie Voorbraak
Leendert Pengel
Martha van Bergen
Jules Marchena
Delilah Eugenio
Papi Lareine
Nicole Hagemans
Solange Nijdam
Elaine Con
L.J.Chr. Dee
Ini Statia
Alexei Sleur
Loeki Peters
Niels Augusta
Maja Drenthe
Joan Augusta
Mathilde van de Beek
Tilly Peters
Madelyn Francisco

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De winnaar is Papi Lareine

Wednesday, April 2, 2008

Een uniek verhaal van L.J.Chr. Dee, een trouwe deelnemer aan de prijsvragen

Leo:
Onderstaand een uniek gedicht, dat Godfried Bomans maakte in opdracht van de AVRO. Iedere deelnemer aan het 40-jarig bestaan van de AVRO in het jaar 1963 kreeg dit als aandenken op een bord. Volgens mij is dit gedicht nergens gepubliceerd.

Al eeuwen was de hemel vol geluiden
vol blinde beelden en een zwijgend lied
Geen wezen wist dit heim'lijk schrift te duiden
wij waren doof, wij zagen 't niet

Nu zien wij wel en kunnen 't horen
maar waak, o mens en heb de moed
uw eigen stem niet te verstoren
en houd uw beeld in d'overvloed



Roy:
Als het gedicht niet gepubliceerd is, heb je het dan van eerste hand? Gelezen van het bordje?

Leo:
Juist, want ik was 1 van de deelnemers aan dat feest en heb het bordje nog steeds. Hoe kwam je daar dan bij, zal je zeggen? Ik was een verwoed danser en mijn dansschool had een formation van allerlei dansen door de jaren heen gedaan ter ere van het zoveel jarig bestaan van de MMS (Middelbare Meisjesschool). Daarna moesten we een medaltest voor zilver of goud doen en onze examinator was naar ik meen ene Albert van Linge. Voor hem deden we die formation nog even en hij vond dat zo leuk, dat hij ons uitnodigde voor AVRO-40 alwaar wij de dans Madison (toen modern maar nu in de vergetelheid) moesten doen in de Expohal in Hilversum. Zo is het gekomen. Later heb ik nog met een medestudent van het Gymnasium op een kerstbal een demonstratie van de Samba gegeven. Gelukkig, dat m'n geheugen nog goed is. Hihi.

Tuesday, March 25, 2008

De dood van de sprookjesverteller (Godfried Bomans)

Er was eens een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast, in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: 'Ach, lieve God,' sprak hij, 'ze zijn op. Er is er geen eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte. Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.'

En de sprookjesverteller kroop in bed, blies de kaars uit en wachtte op de dood.

Doch de dood kwam niet; hij was de verkeerde weg ingeslagen en liep nu te mopperen om het huis heen. 'Woont hier de sprookjesverteller?' riep hij door het raam. 'Ja, Dood!' antwoordde de sprookjesverteller van uit de bedstee, 'kom er maar in! Maak het kort! Alle aar digheid is er toch voor mij af. Pas op voor de drempel, daar zit een plank los.'

'Je bent een rare.' hernam de Dood, zich over het bed buigend, 'verlang je naar mij? De mensen zijn altijd bang als ik binnenkom. Vind je het prettig, dat ik er ben?'

'Jawel,' antwoordde de sprookjesverteller glimlachend, 'ik vind het heel prettig, Dood, de kabouter wil niet komen en daarom ben ik blij dat jij komt. Of het een, of het ander.'

'Wat zit je nu toch te praten van een kabouter?' sprak de Dood verbaasd, 'je bent toch een echte sprookjes verteller, waarlijk. Onderzoek liever je geweten, denk eens aan je zonden en aan de eeuwigheid. Dat zijn nut tige gedachten. Ik zal zo lang wat in de tuin rondlopen. Je roept wel als je klaar bent.'

De sprookjesverteller lag nu op zijn rug naar de zoldering te kijken en deed wezenlijk zijn best aan zijn zonden en aan de eeuwige straf te denken. Maar het vlotte niet erg; telkens kwam de gedachte aan de kabouter er tussen.

'Lieve Heer,' bad hij tenslotte, 'ik ben maar een arme sprookjesverteller met weinig verstand. Wees niet boos om die ene wens, de enige die ik heb: laat mij toch een kabouter zien!' Maar de kabouter kwam niet.

De sprookjesverteller wachtte en wachtte; toen draaide hij zijn hoofd om en keek door het tuinraam; de Dood stond daar, naast het rozeboompje, en knikte hem toe.

'Kom maar,' riep de sprookjesverteller, 'kom maar, Dood!'

En de Dood kwam. En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor Gods voeten.

'Wie is dat?' vroeg God. 'Dit is een sprookjesverteller,' antwoordde de Dood, 'hij is zojuist gestorven.' 'Wat was zijn laatste gedachte?' vroeg God. 'Hij wilde een kabouter zien,' antwoordde de Dood verlegen. God glimlachte. 'Dat is een zeer goede gedachte,' zeide hij, 'laat hem derhalve binnen.'

* * * EINDE * * *

Wednesday, March 19, 2008

Schrijver Hugo Claus (78) overleden

(Foto Vincent Mentzel)

Gepubliceerd: 19 maart 2008 door Reinjan Mulder in het NRC HANDELSBLAD

Rotterdam, 19 maart. In het Middelheim-ziekenhuis is vanmiddag Hugo Claus overleden. De Belgische schrijver-kunstenaar-filmer leed aan Alzheimer en heeft zelf het tijdstip van zijn dood gekozen, zo maakte zijn weduwe, Veerle Claus, bekend.

BIOGRAFIE

Hugo Maurice Julien Claus werd op 5 april 1929 geboren in een ziekenhuis in Brugge als zoon van een drukker. Hij verliet al zeer jong zijn ouderlijk huis. Met anderhalf jaar ging hij naar een nonnenpensionaat, dat later model zou staan voor het ‘gesticht’ in Het verdriet van België. Na zijn middelbare schooltijd, die hij doorbracht op verschillende kostscholen, verliet hij zijn ouders voorgoed. Hij volgde lessen aan de toneelschool en de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en in 1947 trok hij naar noord-Frankrijk om in een suikerfabriek te gaan werken, een ervaring die hij verwerkte in zijn toneelstuk Suiker.

In 1950 vertrok Claus voor het eerst voor langere tijd naar het buitenland. In Parijs en Rome werkte hij als schilder en hij ontmoette daar onder anderen Antonin Artaud, die hem in aanraking bracht met het surrealisme, en vertegenwoordigers van Cobra en de Vijftigers. In 1955 keerde hij terug naar Vlaanderen waar hij zich met veel overgave op de film, de literatuur en het toneel stortte.

Na enige tijd in Amsterdam te hebben gewoond met de actrice Kitty Courbois, trok hij in de jaren zeventig met de filmster Sylvia Kristel naar Parijs. De laatste jaren woonde hij weer in België, eerst in Gent en daarna in Antwerpen.

Hugo Claus schreef in zijn loopbaan dertig toneelstukken en twaalf romans, waarvan de stukken Suiker en Vrijdag en de omvangrijke roman Het verdriet van België (1983) de belangrijkste zijn. Hij is verreweg de meest bekroonde schrijver van het Nederlandse taalgebied. Hij kreeg vier maal de Belgische staatsprijs voor toneel, één keer de staatsprijs voor poëzie en in 1984 werd Het verdriet van België met de staatsprijs voor proza onderscheiden. In 1979 kreeg hij voor zijn volledige werk de Constantijn Huygensprijs en in 1986 ontving hij uit handen van koningin Beatrix de belangrijkste onderscheiding in het Nederlandse taalgebied, de Grote Prijs der Nederlandse letteren. Voor De geruchten kreeg hij in 1997 de Libris Literatuur Prijs.

Claus wordt ook beschouwd als de meeste vertaalde literaire auteur. Vertalingen van verschenen onder meer in Duitsland, Frankrijk, Amerika, Engeland, Spanje, Italië, Portugal en Zweden. Het verdriet van België is opgenomen in de befaamde reeks Penguin Classics. Claus was lange tijd de belangrijkste Nederlandstalige kandidaat voor de Nobelprijs.

In Vlaanderen kwam Claus door zijn werk verschillende keren met het gezag in aanraking. In 1968 werd hij tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij in een toneelstuk drie naakte mannen had laten optreden als verpersoonlijking van de drieëenheid. De veroordeling leidde tot hevige protesten. Als gevolg van deze zaak werd Claus niet in Kongo toegelaten.
De boeken van Hugo Claus worden uitgegeven door de Nederlandse uitgeverij De Bezige Bij.

DE ROMANS VAN HUGO CLAUS

De eerste roman van Hugo Claus speelde zich af in een heel klein achtergebleven hoekje van Vlaanderen, en op een paar uitzonderingen na is Vlaanderen altijd het centrum van zijn schrijverswereld gebleven. Van een schrijver en schilder die zo internationaal georiënteerd is als Claus, zou je dat niet meteen verwachten. De vele uithuizige jaren in Parijs, Rome en Amsterdam hebben wel de locaties van enkele romans bepaald, maar hebben geen invloed gehad op het wezenlijke van zijn schrijversschap.

De koele minnaar mag dan in Rome spelen, Een zachte vernieling in Parijs en Schaamte op een naamloos exotisch eiland, de personages staan heel wat dichter bij de figuren uit De hondsdagen of Jessica! dan bij de Parijzenaars van Butor, de Romeinen van Moravia of de Amsterdammers van Van der Heijden. Wel heeft Claus’ internationale oriëntatie gezorgd voor een mengsel van kosmopolitisme en provincialisme dat ongewoon is bij een Nederlandstalige schrijver. Misschien dacht Monika van Paemel daaraan toen ze Claus kwalificeerde als ‘een bij uitstek Belgisch auteur’, in plaats van ‘typisch Vlaams’ zoals gebruikelijk. Als verduidelijking voegde ze eraan toe dat hij zijn zin kan doordrijven door compromissen te sluiten, maar ze zei er niet bij hoe dat in zijn schrijven tot uiting komt. Misschien dacht ze ook aan zijn taalgebruik dat door geen Vlaming als authentiek herkend wordt en dat in het Noorden wordt ervaren als Nederlands dat niet zuiver op de graat is. ‘Typisch Vlaams’ is het niet. Eerder Mid-Moerdijks, heeft iemand eens gezegd.

Hoe beperkt en afgelegen het terrein van Claus’ eerste roman De Metsiers ook is, bij de opzet zocht de toen negentienjarige aansluiting bij een grote naam uit het buitenland. In As I lay dying en The sound and the fury had William Faulkner het verhaal afwisselend door een van de personages laten vertellen, waardoor het perspectief voortdurend verschoof en de verteller ogenschijnlijk werd uitgeschakeld. In De Metsiers deed Claus hetzelfde, en bovendien creëerde hij in Bennie Metsier een figuur die een neefje had kunnen zijn van Lennie uit Steinbecks Of mice and men. Toen zijn boek in 1950 uitkwam, werd daar nogal wat aanstoot aan genomen en hier en daar viel het woord plagiaat. Dat was wel erg zwaar geschut want het enige dat hij had gedaan, afgezien van Bennie, was een in de Lage Landen nog onbekend literair procédé overnemen, zoals Vestdijk in Meneer Visser’s hellevaart het procédé van Joyce had overgenomen.

Na De Metsiers is Claus niet meer uit de controverse geweest, en de rechtszaak over de drie naakte mannen in zijn bewerking van Mascheroen en de reacties op zijn ‘ontmythologiserende’ film over Rubens waren daar niet zo stille getuigen van. Ook werd er in De Metsiers openlijker over seks gesproken dan men in Vlaanderen gewend was en op aansporing van de clerus werd Claus de boeman van vele brave gezinnen. Rita Demeester vertelde een jaar of drie geleden in een interview dat zij de naam van Claus voor het eerst van haar vader hoorde. ‘Dat moet de grootste smeerlap van het moment zijn’, had haar vader gezegd, en hij zal vele medestanders gehad hebben.

Al is het werk van Claus gevarieerder dan het werk van welke Nederlandstalige schrijver ook, er zijn thema’s die steeds terugkeren, en het voornaamste daarvan is de bedreiging en het verlies van de onschuld. In de eerste roman is het Bennie die het slachtoffer wordt van het kwaad om hem heen dat hij door gebrek aan geestelijke vermogens niet kan doorzien. Meestal associeert Claus de onschuld met jeugd. In De hondsdagen wordt Philip zwaar geplaagd door het besef dat zijn jeugd hem aan het ontglippen is en dat hij op het punt staat de gevreesde wereld van de volwassenen binnen te gaan. Als Peter Pan niet bestond had Claus hem zeker uitgevonden. In De koele minnaar treedt een zielsverwant van Philip op die evenzeer probeert die wereld te vermijden door de getrouwde vrouw met wie hij op reis is, te verstoten en een verhouding te beginnen met een heel jong beginnend filmsterretje. Maar jeugd en onschuld kunnen nooit vastgehouden of heroverd worden en Edward verliest Jia weer aan een lesbische actrice.

Ook in de latere romans en in de toneelstukken blijft het idee van de verloren jeugd en de corrumperende volwassenheid rondspoken. In Schaamte uit 1972, dat is twintig jaar na De hondsdagen, komen bij Roland — de buitenstaander, de ridder — temidden van het verdorven stelletje uit de filmwereld, herinneringen op aan de heroïek van een tijd die nog niet ontaard was in leegte en oppervlakkigheid. Hij probeert het goede te doen maar voor de mensen van het Ras van de Glimlach, zoals Claus de filmwereld bij een andere gelegenheid heeft genoemd, is zijn mening van geen waarde en is hij alleen maar een verliezer. En al wordt Louis in Het verdriet van België aan alle kanten omringd door het kwaad, de herinneringsbeelden van de onschuld van de jeugd worden er niet door vernietigd. Aan hoeveel ergernis, woede, bitterheid, minachting Claus ook lucht geeft, het komt allemaal voort uit teleurstelling in de mens, en daardoor heeft zijn werk altijd een nostalgische kern behouden. Hij zal niet gemakkelijk zeggen dat de mens van nature slecht is — hij is ten slotte niet calvinistisch grootgebracht — , maar wel met veel nadruk dat hij slecht is gemaakt.

Wie mocht denken dat het heimwee naar de onschuld en eenvoud van de jeugd Claus gepredisponeerd zou hebben tot het schrijven van eenvoudige boeken in klare taal, heeft duidelijk buiten de waard gerekend. ,,Ik weiger de eenvoud als norm’, heeft hij verklaard. Mulisch had dat ook kunnen zeggen, en in het construeren van uiterst complexe teksten en het hanteren van symbolen en mythen zijn die twee elkaars evenknie. Claus’ eerste roman liep al vooruit op de latere complexiteit. De aan Faulkner ontleende verhaalstructuur is een ingewikkelder procédé dan het chronologische vertellen van een verhaal vanuit één onveranderlijke gezichtshoek. Eenvoud heeft Claus al bij het eerste begin niet kunnen bekoren en als hij zich een enkele keer heeft laten verleiden om een ‘eenvoudig’ boek te schrijven, zoals Het jaar van de kreeft, was het resultaat niet erg gelukkig.

De meest complexe roman van Claus is waarschijnlijk De verwondering uit 1962. Claus zelf noemde het boek indertijd een keerpunt in zijn werk en velen zien het als een van de hoogtepunten. De centrale figuur is een neurotische leraar die terechtkomt in een kring van oud-nazi’s, waar de voormalige SS’er Crabbe als held wordt vereerd. De leraar raakt zo verstrikt in hun cultus dat hij zich gaat vereenzelvigen met Crabbe en daardoor zijn eigen identiteit volkomen verliest en krankzinnig wordt.

Het is een gegeven dat in de verte doet denken aan De man die zijn haar kort liet knippen, maar dat door Claus totaal anders behandeld wordt dan door Daisne. Het is een allegorie, heeft Claus laten weten, en vanuit die optiek is de leraar een Elckerlijc die de weg uit het doolhof van zijn bestaan niet meer kan vinden. Dat is nog lang niet alles. Het boek is verscheidene malen grondig onder het mes geweest en daarbij is van alles aan het licht gekomen. Zo is er geconstateerd dat de wortels van het boek in Dantes Divina Commedia liggen en dat er druk gebruik wordt gemaakt van de vegetatiemythen die beschreven staan in Frazers The golden bough. Verder zijn er verhulde verwijzingen gevonden naar een lange reeks schrijvers en boeken, van Alice in Wonderland tot een van de auteurs van Malleus maleficarum, van Beckett tot Robbe-Grillet, afgezien nog van allerlei goden en godinnen uit de Griekse mythologie. Geen wonder dan dat De verwondering gekwalificeerd staat als Claus’ meest barokke en dubbelzinnige roman.

Literaire analysten overdrijven wel eens en er is geen twijfel aan dat hoe meer je zoekt, hoe meer je vindt. De eenvoudigste zaken kunnen symbolisch geduid worden. Mary McCarthy heeft jaren geleden de symbooljagers al eens een stok tussen de benen gegooid: op een vraag naar de betekenis van het groen van de jurk die ze in een verhaal droeg, antwoordde ze dat groen de kleur van de jurk was.

Aan de andere kant is er ook geen twijfel aan dat Claus een roman als De verwondering een zware literaire onderbouw heeft gegeven. Het blootleggen daarvan bevredigt de nieuwsgierigheid van de onderzoekers, maar of het werk daardoor hoger op de literaire schaal komt te liggen, is een andere kwestie. Wordt de waardering voor Vrijdag groter als we weten dat het stuk gebouwd is op het patroon van de mis — waar, als ik me niet vergis, Claus zelf als eerste op heeft gewezen? Zou het buitengewoon complexe De verwondering meer waarde hebben dan het zoveel eenvoudiger Omtrent Deedee? Ik geloof er niets van, maar te bewijzen valt er ook niets.

Veel draden uit het werk van Claus komen samen in de roman Het verdriet van België uit 1983. Het zijn er zoveel dat het boek een synthese genoemd is, en een staalkaart, en zijn magnum opus, en de kroon op het werk. Een synthese is het zeker en het is niet onmogelijk dat het de functie van staalkaart heeft gehad bij het dingen naar de grote prijs.

Claus’ barokke kant komt er evenzeer in naar voren als zijn zakelijkheid, het boek heeft autobiografische aspecten, het schroomt het bizarre niet, het is een Bildungsroman en een ‘portrait of the artist as a young man’ en het is een kroniek van de oorlogstijd in Vlaanderen, het is bijna ‘all things to all men’.