"Je kunt de zee niet oversteken door alleen naar het water te staren."
- Rabindranath Tagore Indisch mysticus en dichter 1861-1941
Tuesday, January 20, 2009
Saturday, January 10, 2009
Driemaal is scheepsrecht
Perucho is een opperbeste kerel, hij is altijd goed geluimd. Wanneer hij lacht, dan schudt zijn dikke buik en slaat hij jou met zijn grote, met olie besmeurde hand op de schouder.
‘Heb je deze al gehoord, Kampion?’
Hij noemt iedereen Kampion en dan vertelt hij een mop die hij al duizend keer heeft verteld. Toch moet je schaterlachen, want hij vertelt hem telkens anders.
Wanneer je zijn erf oprijdt, herkent hij je auto van verre en begint hij alvast een technisch verhaal te verzinnen waar kop noch staart aan zit.
‘Kampion, de bezinksel van de gasoline in de tank verstopt de leidingen, daardoor hapert de gasolinepomp en slaat de motor af, jij rijdt te weinig. Parkeer hem naast die witte Toyota daar.’
Zijn erf is bezaaid met autowrakken waar hij onderdelen uit haalt om andere auto’s mee aan de praat te krijgen. Hij heeft de magische kracht om klanten aan zich te binden. Wie een keer zijn auto voor reparatie bij hem brengt, blijft terugkomen, al is het voor het ijskoude bier dat zijn Colombiaanse vrouw aan het raam verkoopt. Maar eerder omdat Perucho het ene defect verwisseld heeft voor een ander.
Onderweg oefen je de volzinnen waarmee je hem naar zijn grootje gaat sturen en hem duidelijk gaat maken dat dit de laatste keer is dat je de auto brengt voor hetzelfde mankement en dat hij anders een claim aan zijn broek kan verwachten. Maar wanneer hij je met zijn lach begroet en zijn vrouw je omhelst dan vervluchtigen de boze woorden en verwijt je jezelf dat je zo ongeduldig van aard bent.
‘Kampion, que toma, mi amor? Una cerveza bien fría?’
Ik bedank vriendelijk, want de vorige keer ben ik na tien biertjes met Perucho op stap gegaan en in de ochtenduren thuisgekomen, terwijl mijn auto een week lang op zijn erf was blijven staan zonder te starten. Dit overkomt mij geen tweede keer.
‘Kampion, komt er een vrouwtje in Pizza Hut en bestelt een kleine pizza. “Moet ik de pizza in vier of zes stukken snijden, mevrouw?” vraagt de bediende. “Doe maar vier, want zes krijg ik nooit op,” antwoordt het vrouwtje.’
Hij valt bijna om van het lachen. ‘Snap je hem? Zes stukken krijgt zij niet op, mi tata dushi,’ proest hij uit. Zijn vrouw komt aanrennen met een glas water. ‘Perucho, doe rustig aan, denk aan je bloeddruk.’
‘Kampion, jij rijdt nog steeds rond met een gekleurde nummerplaat. Je moet hem inruilen anders riskeer je dat je aangehouden wordt.’
Ik antwoord dat ik daar nog geen tijd voor heb gehad en dat ik die hele toestand met de nummerplaten heel belachelijk vind.
‘Je hebt gelijk, Kampion, het is te gek om los te lopen. Ik heb uren in de rij gestaan om voor de hele buurt nummerplaten op te halen. Deze mensen betalen altijd heel vroeg en voor het hele jaar, net als jij, Kampion.’
De garage van Perucho staat midden in een chique wijk en onder normale omstandigheden was hij allang weggepest door de bewoners. Maar niet in het geval van Perucho. Hij verricht hand-en-spandiensten voor de buren en zij kunnen hem op ieder uur van de dag bellen wanneer zij motorpech of een lekke band hebben.
‘Ja,’ vervolgt Perucho, ‘nu mag ik weer in de rij gaan staan. Al die gestudeerde koppen bij de overheid, kunnen zij hun verstand niet gebruiken? De mensen die op tijd hebben betaald worden nu gestraft omdat zij zo braaf zijn geweest. Begrijp je nu waarom ik pas op het laatste moment betaal en ook maar voor een half jaar. Ik kan mijn geld voor betere dingen gebruiken.’
‘Una cerveza, mi amor?’
Ik kan de verleiding niet weerstaan en bestel ook eentje voor Perucho.
‘Ik begrijp het niet, Kampion. Waarom moeten de mensen hier altijd iets twee keer verkeerd doen, voordat zij het de derde keer goed doen. Waarom kan het niet meteen de eerste keer goed?’
Dat bedoel ik maar net, antwoord ik, driemaal is scheepsrecht.
K.
‘Heb je deze al gehoord, Kampion?’
Hij noemt iedereen Kampion en dan vertelt hij een mop die hij al duizend keer heeft verteld. Toch moet je schaterlachen, want hij vertelt hem telkens anders.
Wanneer je zijn erf oprijdt, herkent hij je auto van verre en begint hij alvast een technisch verhaal te verzinnen waar kop noch staart aan zit.
‘Kampion, de bezinksel van de gasoline in de tank verstopt de leidingen, daardoor hapert de gasolinepomp en slaat de motor af, jij rijdt te weinig. Parkeer hem naast die witte Toyota daar.’
Zijn erf is bezaaid met autowrakken waar hij onderdelen uit haalt om andere auto’s mee aan de praat te krijgen. Hij heeft de magische kracht om klanten aan zich te binden. Wie een keer zijn auto voor reparatie bij hem brengt, blijft terugkomen, al is het voor het ijskoude bier dat zijn Colombiaanse vrouw aan het raam verkoopt. Maar eerder omdat Perucho het ene defect verwisseld heeft voor een ander.
Onderweg oefen je de volzinnen waarmee je hem naar zijn grootje gaat sturen en hem duidelijk gaat maken dat dit de laatste keer is dat je de auto brengt voor hetzelfde mankement en dat hij anders een claim aan zijn broek kan verwachten. Maar wanneer hij je met zijn lach begroet en zijn vrouw je omhelst dan vervluchtigen de boze woorden en verwijt je jezelf dat je zo ongeduldig van aard bent.
‘Kampion, que toma, mi amor? Una cerveza bien fría?’
Ik bedank vriendelijk, want de vorige keer ben ik na tien biertjes met Perucho op stap gegaan en in de ochtenduren thuisgekomen, terwijl mijn auto een week lang op zijn erf was blijven staan zonder te starten. Dit overkomt mij geen tweede keer.
‘Kampion, komt er een vrouwtje in Pizza Hut en bestelt een kleine pizza. “Moet ik de pizza in vier of zes stukken snijden, mevrouw?” vraagt de bediende. “Doe maar vier, want zes krijg ik nooit op,” antwoordt het vrouwtje.’
Hij valt bijna om van het lachen. ‘Snap je hem? Zes stukken krijgt zij niet op, mi tata dushi,’ proest hij uit. Zijn vrouw komt aanrennen met een glas water. ‘Perucho, doe rustig aan, denk aan je bloeddruk.’
‘Kampion, jij rijdt nog steeds rond met een gekleurde nummerplaat. Je moet hem inruilen anders riskeer je dat je aangehouden wordt.’
Ik antwoord dat ik daar nog geen tijd voor heb gehad en dat ik die hele toestand met de nummerplaten heel belachelijk vind.
‘Je hebt gelijk, Kampion, het is te gek om los te lopen. Ik heb uren in de rij gestaan om voor de hele buurt nummerplaten op te halen. Deze mensen betalen altijd heel vroeg en voor het hele jaar, net als jij, Kampion.’
De garage van Perucho staat midden in een chique wijk en onder normale omstandigheden was hij allang weggepest door de bewoners. Maar niet in het geval van Perucho. Hij verricht hand-en-spandiensten voor de buren en zij kunnen hem op ieder uur van de dag bellen wanneer zij motorpech of een lekke band hebben.
‘Ja,’ vervolgt Perucho, ‘nu mag ik weer in de rij gaan staan. Al die gestudeerde koppen bij de overheid, kunnen zij hun verstand niet gebruiken? De mensen die op tijd hebben betaald worden nu gestraft omdat zij zo braaf zijn geweest. Begrijp je nu waarom ik pas op het laatste moment betaal en ook maar voor een half jaar. Ik kan mijn geld voor betere dingen gebruiken.’
‘Una cerveza, mi amor?’
Ik kan de verleiding niet weerstaan en bestel ook eentje voor Perucho.
‘Ik begrijp het niet, Kampion. Waarom moeten de mensen hier altijd iets twee keer verkeerd doen, voordat zij het de derde keer goed doen. Waarom kan het niet meteen de eerste keer goed?’
Dat bedoel ik maar net, antwoord ik, driemaal is scheepsrecht.
K.
Sunday, January 4, 2009
Konosé bo Isla 2009-01: muziekinstrument

Dit is een marimba.
Op Curaçao wordt echter een ander muziekinstrument ‘marimba’ genoemd.
Vraag: Beschrijf het instrument dat men op Curaçao ‘marimba’ noemt.
Esaki ta un marimba.
Na Kòrsou sinembargo nan ta yama un otro instrumento ‘marimba’.
Pregunta: Deskribí e instrumento ku nan ta yama ‘marimba’ na Kòrsou.
Sluitingsdatum: zondag 1 februari 2009
Prijs: een cadeaubon van theater Luna Blou .
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2008-12: antwoord
Antwoord: frater M. Radulphus
Het oude volkslied van Curaçao:
Den tur nashon
nos patria ta poko konosí
Den di laman inmenso
e ta pará skondí
Ma tòg nos ta stimele
ariba tur nashon
Su gloria nos ta kanta
di henter nos kurason.
Nos tera ta baranka
i solo ta kima
Pobresa ta nos suerte
i bida ta pisá
Ma dushi ta di biba
trankil i sosegá
gosando di fabornan
di un tera respetá.
Muziek: frater M. Candidus
Tekst: frater M. Radulphus
Er zijn 5 inzendingen, waarvan 2 goed:
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Niels Augusta
Tilly Peters
Yolanda Chakoetoe-Trotman
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Tilly Peters
Het oude volkslied van Curaçao:
Den tur nashon
nos patria ta poko konosí
Den di laman inmenso
e ta pará skondí
Ma tòg nos ta stimele
ariba tur nashon
Su gloria nos ta kanta
di henter nos kurason.
Nos tera ta baranka
i solo ta kima
Pobresa ta nos suerte
i bida ta pisá
Ma dushi ta di biba
trankil i sosegá
gosando di fabornan
di un tera respetá.
Muziek: frater M. Candidus
Tekst: frater M. Radulphus
Er zijn 5 inzendingen, waarvan 2 goed:
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Niels Augusta
Tilly Peters
Yolanda Chakoetoe-Trotman
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Tilly Peters
Tuesday, December 30, 2008
Ja, Tante
Als kind word je geleerd om beleefd te zijn wanneer je tegen ouderen praat. Nu zijn de beleefdheidsvormen in het Papiaments heel subtiel en soms ook ingewikkeld. De grootste boosdoener is het persoonlijk voornaamwoord ‘bo’. Hoe vaak hebben wij een draai om onze oren gehad als kind wanneer wij dat woord gebruikten? Het gebruik van ‘bo’ is verboden. Dit kan leiden tot zeer omslachtige conversaties: ‘Meneer Evers, ik wilde meneer Evers vragen of meneer Evers zo goed wilt zijn om... etc.’ Je wordt er tureluurs van. In het Nederlands gebruikt men ‘jij’ of ‘u’, en de Engelsen hebben zich er makkelijk van afgedaan, zij kennen alleen maar ‘you’.
Wat het gebruik van ‘jij’ of ‘jou’ betreft, zijn de Surinamers erg streng: het mag niet, punt uit, geen discussie. Zo gaat het verhaal van een jongetje dat in een Chinese winkel een broodje wilt bestellen. De jongen, welopgevoed, stapt de winkel binnen en wacht zijn beurt rustig af.
‘Wat moet het zijn, mi boi?’ vraagt de oude Chinees. De jongen aarzelt even.
‘Goede middag, Omoe,’ spreekt hij schuchter, ‘mag ik van u een broodje bakkeljauw, pardon, bakkelu.’
Oudere mensen noem je nooit bij hun echte naam, Maria wordt Iya, Hosé wordt Djo, Elena wordt Nena. De peettante wordt Dina van madrina, of Pepe van peet. Van sommige vrouwen uit de buurt weet niemand hoe zij eigenlijk heten: Yaya, Koma, Chichi. Opmerkelijk is dat alle Surinaamse vrouwen Mevrouw heten en alle Engelse vrouwen Mammy. De titulatuur Shon duidt op een zekere status: Shon Ka, Shon Guillermina, Shon Fil. (Shon Fia, maar die is dood.)
Zo had ik een grootoom die wij Oom Ie noemden. Nu realiseer ik me dat ik nooit heb geweten hoe Oom Ie werkelijk heette. Was het Isaac? Maar de naam Isaac was in die tijd voorbestemd voor blanke joden en Oom Ie had niets van een blanke jood. Hij was een korte zwarte man met hoepelbenen. Het enige wat wit aan hem was, waren zijn haren en zijn tanden. Misschien heette hij wel Federico, een naam die paste bij die tijd. In ieder geval zat er een ‘i’ in zijn naam. Dat zijn naam verkort werd, hoorde zo, hoe ouder hoe korter de aanspreeknaam. Bij Oom Ie kon het niet korter.
Iemand niet direct bij zijn naam noemen heeft niet alleen te maken met beleefdheid. Bij kinderen is het een soort van liefkozing: Poempi, Mamita, Boiki. Of gemakzucht: Broertje, Zusje. Bij sommige figuren is het een eufemisme: Dalakochi, Lagadishi, Blòblò.
Maar wij kunnen ook onbeleefd zijn. ’s Morgens om half acht stappen wij de stampvolle bakkerij annex broodjeszaak binnen en beginnen bij de deur al te schreeuwen: ‘Een broodje mortodella, twee broodjes salami en een met leverworst, aan deze kant juffrouw, voor mij.’
Of wij gooien de deur van het Chinese restaurant open: ‘Chino, porkchop mitar mitar, karbonade met een halve portie rijst en een halve portie patat, en schiet op want mijn auto staat verkeerd geparkeerd.’
De brave Chinees sloft naar de keuken.
‘Chief!’
De Chinees houdt halt bij de klapdeur.
‘Veel saus!’
De Chinees komt na een poosje terug en opent het witte foambakje.
‘Wat wilt u erop, meneer?’
‘Alles!’
(Schud, strooi, schep.)
‘Geen pika!’
‘U zei alles, meneer.’
‘Ja, alles, maar geen pika.’
Wanneer leren wij meneer zeggen tegen de Chinees?
Zo vind ik ook dat wij beleefder moeten zijn tegen mevrouw Bijleveld, zij deelt per slot van rekening de lakens uit. Ik vind dat wij moeten leren om voortaan op alles wat zij zegt welgemanierd te antwoorden. ‘Ja, Tante. Dank u wel, Tante.’
K.
Wat het gebruik van ‘jij’ of ‘jou’ betreft, zijn de Surinamers erg streng: het mag niet, punt uit, geen discussie. Zo gaat het verhaal van een jongetje dat in een Chinese winkel een broodje wilt bestellen. De jongen, welopgevoed, stapt de winkel binnen en wacht zijn beurt rustig af.
‘Wat moet het zijn, mi boi?’ vraagt de oude Chinees. De jongen aarzelt even.
‘Goede middag, Omoe,’ spreekt hij schuchter, ‘mag ik van u een broodje bakkeljauw, pardon, bakkelu.’
Oudere mensen noem je nooit bij hun echte naam, Maria wordt Iya, Hosé wordt Djo, Elena wordt Nena. De peettante wordt Dina van madrina, of Pepe van peet. Van sommige vrouwen uit de buurt weet niemand hoe zij eigenlijk heten: Yaya, Koma, Chichi. Opmerkelijk is dat alle Surinaamse vrouwen Mevrouw heten en alle Engelse vrouwen Mammy. De titulatuur Shon duidt op een zekere status: Shon Ka, Shon Guillermina, Shon Fil. (Shon Fia, maar die is dood.)
Zo had ik een grootoom die wij Oom Ie noemden. Nu realiseer ik me dat ik nooit heb geweten hoe Oom Ie werkelijk heette. Was het Isaac? Maar de naam Isaac was in die tijd voorbestemd voor blanke joden en Oom Ie had niets van een blanke jood. Hij was een korte zwarte man met hoepelbenen. Het enige wat wit aan hem was, waren zijn haren en zijn tanden. Misschien heette hij wel Federico, een naam die paste bij die tijd. In ieder geval zat er een ‘i’ in zijn naam. Dat zijn naam verkort werd, hoorde zo, hoe ouder hoe korter de aanspreeknaam. Bij Oom Ie kon het niet korter.
Iemand niet direct bij zijn naam noemen heeft niet alleen te maken met beleefdheid. Bij kinderen is het een soort van liefkozing: Poempi, Mamita, Boiki. Of gemakzucht: Broertje, Zusje. Bij sommige figuren is het een eufemisme: Dalakochi, Lagadishi, Blòblò.
Maar wij kunnen ook onbeleefd zijn. ’s Morgens om half acht stappen wij de stampvolle bakkerij annex broodjeszaak binnen en beginnen bij de deur al te schreeuwen: ‘Een broodje mortodella, twee broodjes salami en een met leverworst, aan deze kant juffrouw, voor mij.’
Of wij gooien de deur van het Chinese restaurant open: ‘Chino, porkchop mitar mitar, karbonade met een halve portie rijst en een halve portie patat, en schiet op want mijn auto staat verkeerd geparkeerd.’
De brave Chinees sloft naar de keuken.
‘Chief!’
De Chinees houdt halt bij de klapdeur.
‘Veel saus!’
De Chinees komt na een poosje terug en opent het witte foambakje.
‘Wat wilt u erop, meneer?’
‘Alles!’
(Schud, strooi, schep.)
‘Geen pika!’
‘U zei alles, meneer.’
‘Ja, alles, maar geen pika.’
Wanneer leren wij meneer zeggen tegen de Chinees?
Zo vind ik ook dat wij beleefder moeten zijn tegen mevrouw Bijleveld, zij deelt per slot van rekening de lakens uit. Ik vind dat wij moeten leren om voortaan op alles wat zij zegt welgemanierd te antwoorden. ‘Ja, Tante. Dank u wel, Tante.’
K.
Friday, December 19, 2008
Jat Schildpad
Jat, de wereldwijze schildpad
en groot redenaar
weegt elke toespraak
op de weegschaal van’t geduld
het is …. voor mij … een …gro..te …eer
om … tel … kens … maar weer … in de
ge. le. gen … heid ……..
Elk woordje rekt hij op …
- het sterkste elastiekje valt hierbij in het niet! -
en op de helft van zijn rede
is zelfs zijn trouwste publiek al weer thuis.
Jat heeft vele bestuurszetels ‘be-ze-ten’
van Commissaris van de Molenaars, via
Voorzitter van de stichting: Het Rus-ti-ge Leven
tot zelfs Minister van Onthaasting.
“Ik ben een wijsgeer van formaat”,
zoals hij zelf zei
en filosofeerde dan oneindig lang
over ….. de eeuwigheid.
Voor zijn mede-dieren bedenkt hij
plannen en voert die uit.
Komen er problemen
dan wordt een commissie samengesteld.
Jat maakt op iedereen indruk
-op het gewone volk het meest-
met zwaargewicht-woorden
die niemand begrijpt.
Maar ruzie heeft hij met Dokter Uil
die hem een kale opschepper,
een filosoof van de kouwe grond noemt.
Nee, die twee kunnen niet door één deur.
Jat, in zijn almachtige wijsheid
vermijdt elk contact met Uil,
want de Dokter heeft als doel
Jats ontmaskering gesteld.
Wat nu moet gebeuren is niet makkelijk …
Wanneer doet de gelegenheid zich voor, en…
hoe langzamer Jat praat
hoe sneller zijn hersens werken !
Maar …
Ergens is Jat kwetsbaar, heeft hij
een niet te overwinnen slechte gewoonte
want, zo schertst de schelle ekster …
‘Jat is gokverslaafd!’
Op zekere avond ontmoet Jat zijn maatjes
in het Grote Brandnetelbos
onder een lijsterbesboom
om samen te gaan dobbelen.
Als Jat gaat verliezen, begint hij te filosoferen :
Lieve mensen, denk er wel aan, geld maakt niet gelukkig,
Geld zaait tweedracht, geld werkt corruptie in de hand.
We zijn bijeen om samen een moment van geluk te beleven,
maar ik geloof dat het beter is dat ik vertrek.
Jat staat op en vertrekt … zonder te betalen.
Het dobbelen is voorbij, alle dieren gaan naar huis
en de vrienden blijven sprakeloos achter:
DIT ONRECHT MOET STOPPEN ! NU !
Wanhopig gaan ze naar Dokter Uil:
Dok, zo en zo is gebeurd, u moet ons helpen.
Wel, beste mensen, geldspelletjes zijn tegen mijn principes,
maar omdat het om Jat Schildpad gaat: Ik ben er klaar voor!
Voldaan vertrokken de vrienden
en spraken af dat ze Jat
hetzelfde zouden flikken
als Jat met hun had gedaan.
Aanstaande zondag is onze Koning jarig
er is vanaf ’s morgens vroeg feest.
Het officiële gedeelte is ’s middags,
Jat Schildpad voert ook het woord.
De Koning heeft met al zijn genodigden plaatsgenomen.
Dokter Uil zit op de eretribune.
Als Jat zijn toespraak heeft beëindigd
geeft de dokter een teken aan een van de vrienden.
Majesteit, zou ik een vraag mogen stellen?
Natuurlijk, mijn geliefde onderdaan, vraag wat je wil.
Zeer geachte heer Jat Schildpad,
allesweter en wereldwijd filosoof,
kunt u mij zeggen
wat u onder een dief verstaat?
Jat vindt de vraag wel vreemd
maar zijn geest werkt op topsnelheid:
Een dief neemt iets af van een ander.
Dat hem niet toebehoort.
En als je iets hebt
waar een ander recht op heeft
en je geeft hem dat niet,
ben je dan ook een dief?
Op dat moment kijkt Jat op
ziet Dokter Uil op de tribune
en weet meteen hoe laat het is.
Hij verontschuldigt zich en verdwijnt,
voordat onze Majesteit de Koning begrijpt
wat die trouwe onderdaan eigenlijk bedoelt.
Ja, beter blode Jat dan dode Jat.
(Moi Morkoi, vertaald door Frans Kapteijns)
en groot redenaar
weegt elke toespraak
op de weegschaal van’t geduld
het is …. voor mij … een …gro..te …eer
om … tel … kens … maar weer … in de
ge. le. gen … heid ……..
Elk woordje rekt hij op …
- het sterkste elastiekje valt hierbij in het niet! -
en op de helft van zijn rede
is zelfs zijn trouwste publiek al weer thuis.
Jat heeft vele bestuurszetels ‘be-ze-ten’
van Commissaris van de Molenaars, via
Voorzitter van de stichting: Het Rus-ti-ge Leven
tot zelfs Minister van Onthaasting.
“Ik ben een wijsgeer van formaat”,
zoals hij zelf zei
en filosofeerde dan oneindig lang
over ….. de eeuwigheid.
Voor zijn mede-dieren bedenkt hij
plannen en voert die uit.
Komen er problemen
dan wordt een commissie samengesteld.
Jat maakt op iedereen indruk
-op het gewone volk het meest-
met zwaargewicht-woorden
die niemand begrijpt.
Maar ruzie heeft hij met Dokter Uil
die hem een kale opschepper,
een filosoof van de kouwe grond noemt.
Nee, die twee kunnen niet door één deur.
Jat, in zijn almachtige wijsheid
vermijdt elk contact met Uil,
want de Dokter heeft als doel
Jats ontmaskering gesteld.
Wat nu moet gebeuren is niet makkelijk …
Wanneer doet de gelegenheid zich voor, en…
hoe langzamer Jat praat
hoe sneller zijn hersens werken !
Maar …
Ergens is Jat kwetsbaar, heeft hij
een niet te overwinnen slechte gewoonte
want, zo schertst de schelle ekster …
‘Jat is gokverslaafd!’
Op zekere avond ontmoet Jat zijn maatjes
in het Grote Brandnetelbos
onder een lijsterbesboom
om samen te gaan dobbelen.
Als Jat gaat verliezen, begint hij te filosoferen :
Lieve mensen, denk er wel aan, geld maakt niet gelukkig,
Geld zaait tweedracht, geld werkt corruptie in de hand.
We zijn bijeen om samen een moment van geluk te beleven,
maar ik geloof dat het beter is dat ik vertrek.
Jat staat op en vertrekt … zonder te betalen.
Het dobbelen is voorbij, alle dieren gaan naar huis
en de vrienden blijven sprakeloos achter:
DIT ONRECHT MOET STOPPEN ! NU !
Wanhopig gaan ze naar Dokter Uil:
Dok, zo en zo is gebeurd, u moet ons helpen.
Wel, beste mensen, geldspelletjes zijn tegen mijn principes,
maar omdat het om Jat Schildpad gaat: Ik ben er klaar voor!
Voldaan vertrokken de vrienden
en spraken af dat ze Jat
hetzelfde zouden flikken
als Jat met hun had gedaan.
Aanstaande zondag is onze Koning jarig
er is vanaf ’s morgens vroeg feest.
Het officiële gedeelte is ’s middags,
Jat Schildpad voert ook het woord.
De Koning heeft met al zijn genodigden plaatsgenomen.
Dokter Uil zit op de eretribune.
Als Jat zijn toespraak heeft beëindigd
geeft de dokter een teken aan een van de vrienden.
Majesteit, zou ik een vraag mogen stellen?
Natuurlijk, mijn geliefde onderdaan, vraag wat je wil.
Zeer geachte heer Jat Schildpad,
allesweter en wereldwijd filosoof,
kunt u mij zeggen
wat u onder een dief verstaat?
Jat vindt de vraag wel vreemd
maar zijn geest werkt op topsnelheid:
Een dief neemt iets af van een ander.
Dat hem niet toebehoort.
En als je iets hebt
waar een ander recht op heeft
en je geeft hem dat niet,
ben je dan ook een dief?
Op dat moment kijkt Jat op
ziet Dokter Uil op de tribune
en weet meteen hoe laat het is.
Hij verontschuldigt zich en verdwijnt,
voordat onze Majesteit de Koning begrijpt
wat die trouwe onderdaan eigenlijk bedoelt.
Ja, beter blode Jat dan dode Jat.
(Moi Morkoi, vertaald door Frans Kapteijns)
Tuesday, December 16, 2008
BON PASKU I FELIS AÑA 2009
Moi Morkoi
Moi Morkoi, un sabio riba tur tereno
un orador na tur okashon
ta pisa kada diskurso
riba balansa di pasenshi.
P’ami... ta un gran... pla-ser... i tam-be...
un gran... ho-nor... di a haña... e o-por-tu-ni-dat...
E ta rèk kada palabra
ku asta kakiña ta haña bèrgwensa
i promé ku e yega na mitar kaminda
dia bieu skuchadónan a laga kai pa kas.
Moi a okupá tur puesto den Sabana
komisario di Molina pa Mula Maishi
presidente di Fundashon pa Bon Bida
asta minister di Asuntunan ku no tin purá.
Moi ta un filósofo di taya
esei ta e mes ta bisa
e por sinta oranan largu
filosofiá tokante eternidat.
E ta traha plannan ekselente
pa otro bestia ehekutá
ora problema surgi
e ta forma un komishon.
Moi ta impreshoná tur bestia
mas tantu esunnan humilde
ku palabranan di peso
ku niun no ta komprendé.
El a pega ku Dòktor Palabrua
ku a yam’é un fantochi
un filósofo di awa dushi
nan dos no ta parti un pan.
Moi den su sabiduria profundo
ta evitá tur kontakto ku Palabrua
Dòktor a pone komo meta
pa un dia kita e maskarada di Moi.
Loke a resultá di no ta fásil
niun okashon no ta surgi
mes pokopoko ku Moi ta papia
mes rápido su serebro ta traha.
Pero Moi tin un punto débil
un bisio ku e no por kita
chuchubi a papia den Sabana
ku e ta adikto na wega di plaka.
Anochi den Kunuku di Bringamosa
skondí bou di palu di kibrahacha
e ta topa ku su kompinchinan
pa nan start un wega di dou.
Ora Moi pèrdè, e ta kuminsá filosofiá:
Rumannan kòrda bon, sèn no ta tur kos
sèn ta trese desunion, sèn ta korumpí
nos a bini huntu pa pasa un ratu kontentu
mi ta kere ku ora a yega pa mi retirá.
Moi ta lanta bai sin paga
wega a kaba, tur bestia bai nan kas
e kompinchinan ta keda mira otro:
E abusu akí tin ku stòp awor.
Desesperá nan a bai serka Palabrua:
Dòk tal kos ta pasando, bo tin ku yuda nos.
Wèl, shonnan, wega di plaka ta kontra mi prinsipio
pero komo ta Moi Morkoi, mi ta kooperá.
E kompinchinan a keda satisfecho
nan a bai pa traha nan plan
e anochi ei Moi a hasi mes triki
nos ta hañ’é, e kompinchinan a palabrá.
Djadumingu ta dia di Rei su aña
tin fiesta for di mainta tempran
e parti ofisial ta tuma lugá mèrdia
Moi Morkoi tambe ta un orador.
Shon Rei ta sintá ku tur su invitadonan
Dòktor Palabrua ta den tribuna di honor
ora Moi a kaba ku su diskurso
Dòktor a duna seña na un di e kompinchinan.
Shon Rei ta permití hasi pregunta?
Sigur, mi bon siudadano, puntra loke bo ke.
Distinguido señor Moi Morkoi,
sabio riba tur tereno, filósofo di taya
kon bo ta definí un ladron?
Moi a haña e pregunta straño
pero su mente ta traha ku rapides:
Un ladron ta kita kos for di un otro
ku no ta pertenesé na dje.
Awor si bo tin kos ku un otro
tin derecho riba dje i bo no ta dun’é
tambe bo ta un ladron?
E momento ei Moi a hisa kara
mira Dòktor Palabrua den tribuna
mesora e ta sa kuant’or tin.
El a pidi diskulpa i somentá
promé ku Shon Rei komprendé
kiko e bon siudadano ke men.
Mihó na awa ku pechu ariba.
Monday, December 8, 2008
Obesitas
Meme staat in de deuropening van het huisje op de heuvel en ziet de schoolbus krakend stoppen op de hoofdweg. Een jongen en een meisje stappen uit. Zij gooien hun schooltassen over de greppel, springen die achterna en beginnen aan de klim over de zandweg naar het huisje. Zij zien Meme en beginnen te hollen. Als gazellen springen zij met hun spillebeentjes over de cactussen. Meme ziet ze aan komen rennen en is bang dat zij struikelen. In haar linkerarm draagt zij een vederlichte baby en in haar rechterhand houdt zij een zuigfles vast gevuld met suikerwater die zij in de mond van de baby probeert te stoppen. De baby weigert de fles. Het is de derde fles suikerwater die zij hem voert die dag. Het groene snot loopt uit zijn neus.
De jongen en het meisje zijn gestopt met hollen, iets tussen de cactussen trekt hun aandacht. Een leguaan zeker, denkt Meme. Zij kijkt naar de contouren van haar afgezakte buik onder de slonzige jurk en naar haar hangende borsten. Verschrikkelijk vindt zij haar figuur, maar wat wil je van een vrouw die al voor haar vijfentwintigste vijf kinderen heeft gebaard. Zij woont met drie kinderen in het huisje. De twee andere kinderen wonen bij hun oma’s. Johnny is de oudste, hij is tien, en dan komt Melitsa, zij wordt negen. Plotseling overvalt haar een diepe droefenis. Wat heeft het leven voor zin? Over enkele minuten komen de kinderen binnen en wat moet zij tegen hen zeggen? Zij heeft niets in huis, maar dan ook niets. Een potje met suiker in een schotel met water tegen de mieren is het enige eetbaars in de keuken.
‘Dag Mammie,’ zegt Johnny, ‘wij hebben bijna een leguaan gevangen.’
‘Dag Mammie,’ hijgt Melitsa, ‘ik heb honger.’
Meme antwoordt niet. De twee kinderen lopen door naar de keuken. Meme slikt, zij kan haar tranen niet bedwingen. De baby begint te krijsen. Zij voelt de opwelling om hem in het struikgewas te slingeren. Meme schrikt van haar eigen gedachten.
Johnny komt uit de keuken, uit zijn broekzak steekt een stuk hout. ‘Kom,’ commandeert hij Melitsa, ‘neem een plastic zak mee.’ Meme vraagt niet waar zij naar toe gaan.
Zij verlaten het huis via de keukendeur en dalen de heuvel af. Zij komen langs het huis van Bòisi, de buurjongen van ongeveer vijftien jaar. Hij zit op de stoep voor zijn huis. ‘Waar gaan jullie naar toe in deze hitte?’ Johnny en Melitsa doen alsof zij hem niet horen en versnellen hun pas.
Bij een grote tamarindeboom houdt Johnny halt. ‘Hier zijn de nestjes,’ spreekt hij.
‘Welke nestjes?’ vraagt Melitsa.
‘Van de totolika’s,’ antwoordt Johnny en haalt de katapult uit zijn zak. ‘Ga jij aan die kant staan.’ Nu pas dringt het tot Melitsa door wat Johnny van plan is.
Zij schieten acht totolika’s en doen die in de plastic zak.
‘Wij moeten omlopen,’ zegt Johnny.
‘Als wij omlopen, komen wij te laat thuis,’ antwoordt Melitsa zorgelijk. ‘Ik weet iets.’
Zij haalt zes totolika’s uit de zak en stopt die onder haar jurk. ‘Laten wij gaan,’ zegt ze.
Bòisi ziet hen van verre aankomen en loopt hen tegemoet. ‘Wat hebben jullie in die zak?’
‘Het gaat je niets aan,’ antwoordt Johnny en houdt de zak achter zijn rug. Melitsa loopt door. Bòisi rukt de zak uit Johnny’s hand en schudt die leeg op de grond. ‘Stommeriken, al die tijd hebben jullie maar twee totolika’s geschoten?’ Een hond komt blaffend aanrennen.
Johnny haalt Melitsa in, zij nemen een kortere weg over een geitenpadje tussen de infrou’s. Plots zien zij iets geels onder de struiken. Een grote pompoen. Johnny duwt voorzichtig de infrou’s weg met een stok.
Na het eten zitten zij met zijn allen in de schaduw van het huis uit te rusten, de baby slaapt voldaan.
’s Avonds leest Meme in de krant dat Curaçao een alarmerend hoog aantal inwoners met overgewicht en obesitas heeft. Zij snapt er niets van.
K.
De jongen en het meisje zijn gestopt met hollen, iets tussen de cactussen trekt hun aandacht. Een leguaan zeker, denkt Meme. Zij kijkt naar de contouren van haar afgezakte buik onder de slonzige jurk en naar haar hangende borsten. Verschrikkelijk vindt zij haar figuur, maar wat wil je van een vrouw die al voor haar vijfentwintigste vijf kinderen heeft gebaard. Zij woont met drie kinderen in het huisje. De twee andere kinderen wonen bij hun oma’s. Johnny is de oudste, hij is tien, en dan komt Melitsa, zij wordt negen. Plotseling overvalt haar een diepe droefenis. Wat heeft het leven voor zin? Over enkele minuten komen de kinderen binnen en wat moet zij tegen hen zeggen? Zij heeft niets in huis, maar dan ook niets. Een potje met suiker in een schotel met water tegen de mieren is het enige eetbaars in de keuken.
‘Dag Mammie,’ zegt Johnny, ‘wij hebben bijna een leguaan gevangen.’
‘Dag Mammie,’ hijgt Melitsa, ‘ik heb honger.’
Meme antwoordt niet. De twee kinderen lopen door naar de keuken. Meme slikt, zij kan haar tranen niet bedwingen. De baby begint te krijsen. Zij voelt de opwelling om hem in het struikgewas te slingeren. Meme schrikt van haar eigen gedachten.
Johnny komt uit de keuken, uit zijn broekzak steekt een stuk hout. ‘Kom,’ commandeert hij Melitsa, ‘neem een plastic zak mee.’ Meme vraagt niet waar zij naar toe gaan.
Zij verlaten het huis via de keukendeur en dalen de heuvel af. Zij komen langs het huis van Bòisi, de buurjongen van ongeveer vijftien jaar. Hij zit op de stoep voor zijn huis. ‘Waar gaan jullie naar toe in deze hitte?’ Johnny en Melitsa doen alsof zij hem niet horen en versnellen hun pas.
Bij een grote tamarindeboom houdt Johnny halt. ‘Hier zijn de nestjes,’ spreekt hij.
‘Welke nestjes?’ vraagt Melitsa.
‘Van de totolika’s,’ antwoordt Johnny en haalt de katapult uit zijn zak. ‘Ga jij aan die kant staan.’ Nu pas dringt het tot Melitsa door wat Johnny van plan is.
Zij schieten acht totolika’s en doen die in de plastic zak.
‘Wij moeten omlopen,’ zegt Johnny.
‘Als wij omlopen, komen wij te laat thuis,’ antwoordt Melitsa zorgelijk. ‘Ik weet iets.’
Zij haalt zes totolika’s uit de zak en stopt die onder haar jurk. ‘Laten wij gaan,’ zegt ze.
Bòisi ziet hen van verre aankomen en loopt hen tegemoet. ‘Wat hebben jullie in die zak?’
‘Het gaat je niets aan,’ antwoordt Johnny en houdt de zak achter zijn rug. Melitsa loopt door. Bòisi rukt de zak uit Johnny’s hand en schudt die leeg op de grond. ‘Stommeriken, al die tijd hebben jullie maar twee totolika’s geschoten?’ Een hond komt blaffend aanrennen.
Johnny haalt Melitsa in, zij nemen een kortere weg over een geitenpadje tussen de infrou’s. Plots zien zij iets geels onder de struiken. Een grote pompoen. Johnny duwt voorzichtig de infrou’s weg met een stok.
Na het eten zitten zij met zijn allen in de schaduw van het huis uit te rusten, de baby slaapt voldaan.
’s Avonds leest Meme in de krant dat Curaçao een alarmerend hoog aantal inwoners met overgewicht en obesitas heeft. Zij snapt er niets van.
K.
Sunday, December 7, 2008
Konosé bo Isla 2008-12: Een lied / un kantika
Nos tera ta baranka
i solo ta kima
Pobresa ta nos suerte
i bida ta pisá
Vraag: Bovenstaande tekst is onderdeel van een lied. Wie heeft het lied geschreven?
Pregunta: E teksto ariba ta parti di un kantika. Ken a skirbi e kantika?
Sluitingsdatum: zondag 4 januari 2009
Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
i solo ta kima
Pobresa ta nos suerte
i bida ta pisá
Vraag: Bovenstaande tekst is onderdeel van een lied. Wie heeft het lied geschreven?
Pregunta: E teksto ariba ta parti di un kantika. Ken a skirbi e kantika?
Sluitingsdatum: zondag 4 januari 2009
Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2008-11: antwoord
Antwoord:
‘Kombitu sin noi, ta fiesta di kachó’
Een ongenode gast die niet welkom is.
Un persona ku ta presentá na un fiesta sin invitashon.
Er zijn 8 inzendingen, waarvan 6 goed:
Marreline Schoop
Farienne
Tony Soliana
L.J.Chr. Dee
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe-Trotman
Joan Augusta
Niels Augusta
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Marreline Schoop
‘Kombitu sin noi, ta fiesta di kachó’
Een ongenode gast die niet welkom is.
Un persona ku ta presentá na un fiesta sin invitashon.
Er zijn 8 inzendingen, waarvan 6 goed:
Marreline Schoop
Farienne
Tony Soliana
L.J.Chr. Dee
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe-Trotman
Joan Augusta
Niels Augusta
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Marreline Schoop
Monday, December 1, 2008
De nieuwe allochtoon
Ton, de nieuwe allochtoon
een gastpersoon op eigen rots
zit voor zich uit te dromen in Rincon
van vroeger, arm maar trots.
Nu is er rijkdom en overvloed
bedrijvigheid, groei, het kan niet op
maar Ton’s eigenheid is bankroet
wat dan nog, denkt hij hardop.
Ton, zit niet zo te maffen man
schiet op, de boot moet rap te water
ik moet varen naar Ispahan
roep Bubuchi, die is zeker zo zat als een ladder.
Straks verwijs ik jullie allebei
naar de index dagdromerij
zo komen jullie nooit vooruit
maar Ton heeft inmiddels een leguanenhuid.
K.
een gastpersoon op eigen rots
zit voor zich uit te dromen in Rincon
van vroeger, arm maar trots.
Nu is er rijkdom en overvloed
bedrijvigheid, groei, het kan niet op
maar Ton’s eigenheid is bankroet
wat dan nog, denkt hij hardop.
Ton, zit niet zo te maffen man
schiet op, de boot moet rap te water
ik moet varen naar Ispahan
roep Bubuchi, die is zeker zo zat als een ladder.
Straks verwijs ik jullie allebei
naar de index dagdromerij
zo komen jullie nooit vooruit
maar Ton heeft inmiddels een leguanenhuid.
K.
Dosente, mi ta konta ku bo
Dosente,
Mi’n sa
Pero mi ke sa
P’esei mi ta serka bo
P’esei mi ke bo yuda mi
Edukashon ta mi úniko speransa
Edukashon lo hisa mi nivel
Edukashon lo yuda mi kumpli
Edukashon ta base pa progreso di un pueblo
No wak mi aparensia
No wak mi fam
No wak mi bario
Wak mi deseo pa progresá
Mi ta konfia den bo
Mi ta sigui bo instrukshon
Mi ta duna tur ku tin
Pa mi progresá
Duna mi guia, sin manipulá mi
Motivá mi, si mi mester desha
Komprondé pa mi, ora mi faya
Sostené mi semper, pa mi logra
Inspirá mi ku bo ehèmpel i dedikashon
Demostrá mi bo atenshon
Pa asina mi komprondé bo pashon
Di e forma ei nos ta krea huntu un mihó nashon
(2008.04.16)
Hensley F. Koeiman
Kaya Moises 7
568-8709
Mi’n sa
Pero mi ke sa
P’esei mi ta serka bo
P’esei mi ke bo yuda mi
Edukashon ta mi úniko speransa
Edukashon lo hisa mi nivel
Edukashon lo yuda mi kumpli
Edukashon ta base pa progreso di un pueblo
No wak mi aparensia
No wak mi fam
No wak mi bario
Wak mi deseo pa progresá
Mi ta konfia den bo
Mi ta sigui bo instrukshon
Mi ta duna tur ku tin
Pa mi progresá
Duna mi guia, sin manipulá mi
Motivá mi, si mi mester desha
Komprondé pa mi, ora mi faya
Sostené mi semper, pa mi logra
Inspirá mi ku bo ehèmpel i dedikashon
Demostrá mi bo atenshon
Pa asina mi komprondé bo pashon
Di e forma ei nos ta krea huntu un mihó nashon
(2008.04.16)
Hensley F. Koeiman
Kaya Moises 7
568-8709
Wednesday, November 5, 2008
Don Gayo Lindo
Yubi Chuchubi, lenga largu, ta kana konta
ku Don Gayo Lindo mainta ta kanta kokoyoko
antó anochi ta zoya merengue ku Patricia Patu
i ta pesei galiña no a sobra orea.
Doña Poyo, un galiña di bon famia
ku no ta permití mal papiá di su kasá
a kunsumí mashá i a informá
Don Gayo Lindo kiko Yubi a laga sa.
Don Gayo Lindo, un gai kòrá potente
su plumanan nèchi striká
un reputashon indiskutibel
di antesedente aristokrátiko
ku un bos severo a kontestá:
Mi ta pon’é paga pa su piká, yama Shon Ki Kinikini
pa mi palabrá kon ta duna e malditu chuchubi un bon sutá.
Shon Ki a presentá i Don Gayo Lindo a instruí:
Shon Ki, awe nochi bo ta bai den mondi di kadushi
huntu ku mi kasá Doña Poyo, boso tur dos disfrasá
bai buska e malditu chuchubi ku ta daña
mi reputashon i bo ta dun’é un bon sutá.
Bo ta puntra e promé para ku bo topa
bou di palu di indju pabou di kurá
ta unda e demoño su nèshi ta.
Ora bo ta bèk bo ta haña
dos webu di chòk pa bo saboriá.
(Pa kasualidat Yubi
sintá den un palu pariba di kurá
a tende tur detaye di e plan.)
Anochi Shon Ki i Doña Poyo, disfrasá
a topa un para den sukú bou di palu di indju
i nan a puntr’é unda e nèshi di Yubi Chuchubi ta.
Ku un bos fini e para a kontestá:
Paranan disfrasá, Yubi Chuchubi
no ta den su nèshi awe nochi
pa e no haña un halá di sota
el a bai den mondi di infrou
bai siña kanta kokoyoko pa kamuflá su bos.
Sigui e sonido i boso ta yega di mes.
Bèrdat, mas aleu nan a tende
kantamentu di kokoyoko pa bai dilanti
nan a sigui e sonido i a yega serka kuchikuchi
pa no avisá Yubi Chuchubi i reda nan mes.
Di repente nan a bula sali, kla pa gara e chuchubi
i dun’é un bon sutá, topa ku Don Gayo Lindo
i Patricia Patu pechu ariba ta zoya
un merengue ku Dios di ta basta.
Kompader
ku Don Gayo Lindo mainta ta kanta kokoyoko
antó anochi ta zoya merengue ku Patricia Patu
i ta pesei galiña no a sobra orea.
Doña Poyo, un galiña di bon famia
ku no ta permití mal papiá di su kasá
a kunsumí mashá i a informá
Don Gayo Lindo kiko Yubi a laga sa.
Don Gayo Lindo, un gai kòrá potente
su plumanan nèchi striká
un reputashon indiskutibel
di antesedente aristokrátiko
ku un bos severo a kontestá:
Mi ta pon’é paga pa su piká, yama Shon Ki Kinikini
pa mi palabrá kon ta duna e malditu chuchubi un bon sutá.
Shon Ki a presentá i Don Gayo Lindo a instruí:
Shon Ki, awe nochi bo ta bai den mondi di kadushi
huntu ku mi kasá Doña Poyo, boso tur dos disfrasá
bai buska e malditu chuchubi ku ta daña
mi reputashon i bo ta dun’é un bon sutá.
Bo ta puntra e promé para ku bo topa
bou di palu di indju pabou di kurá
ta unda e demoño su nèshi ta.
Ora bo ta bèk bo ta haña
dos webu di chòk pa bo saboriá.
(Pa kasualidat Yubi
sintá den un palu pariba di kurá
a tende tur detaye di e plan.)
Anochi Shon Ki i Doña Poyo, disfrasá
a topa un para den sukú bou di palu di indju
i nan a puntr’é unda e nèshi di Yubi Chuchubi ta.
Ku un bos fini e para a kontestá:
Paranan disfrasá, Yubi Chuchubi
no ta den su nèshi awe nochi
pa e no haña un halá di sota
el a bai den mondi di infrou
bai siña kanta kokoyoko pa kamuflá su bos.
Sigui e sonido i boso ta yega di mes.
Bèrdat, mas aleu nan a tende
kantamentu di kokoyoko pa bai dilanti
nan a sigui e sonido i a yega serka kuchikuchi
pa no avisá Yubi Chuchubi i reda nan mes.
Di repente nan a bula sali, kla pa gara e chuchubi
i dun’é un bon sutá, topa ku Don Gayo Lindo
i Patricia Patu pechu ariba ta zoya
un merengue ku Dios di ta basta.
Kompader
Thursday, October 30, 2008
Konosé bo Isla 2008-11: Gezegden / ekspreshon
Vraag: Wat bedoelt men met het volgende gezegde: ‘Kombitu sin noi ta fiesta di kachó’?
Pregunta: Kiko nan ke men ku e siguiente ekspreshon: ‘Kombitu sin noi ta fiesta di kachó’?
Sluitingsdatum: zondag 7 december 2008
Prijs: een cadeaubon van Candybarrel .
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Pregunta: Kiko nan ke men ku e siguiente ekspreshon: ‘Kombitu sin noi ta fiesta di kachó’?
Sluitingsdatum: zondag 7 december 2008
Prijs: een cadeaubon van Candybarrel .
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2008-10: antwoord
Antwoord:
‘Tot de oudste liederen zullen de ‘cantica di bula bai’ uit de slaventijd behoren, die bezongen hoe de Luango-negers hun vernederende positie uit de slavernij konden ontvluchten, omdat ze naar Afrika konden vliegen zolang ze in het nieuwe land nog geen zout gegeten hadden.’ (Wim Rutgers, Beneden en boven de wind)
Er zijn 13 inzendingen, waarvan 6 goed:
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Sheila Payne
‘Tot de oudste liederen zullen de ‘cantica di bula bai’ uit de slaventijd behoren, die bezongen hoe de Luango-negers hun vernederende positie uit de slavernij konden ontvluchten, omdat ze naar Afrika konden vliegen zolang ze in het nieuwe land nog geen zout gegeten hadden.’ (Wim Rutgers, Beneden en boven de wind)
Er zijn 13 inzendingen, waarvan 6 goed:
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Sheila Payne
Sunday, October 19, 2008
Zomercarnaval
De felle zon weerkaatst tegen de glazen wand van het hoge gebouw van de Nationale Nederlanden naast het station en schijnt vanuit twee richtingen in mijn gezicht. De echte zon staat in het westen. Een groep agenten overlegt voor het kantoor van het RET, het Rotterdamse openbaar vervoerbedrijf. Er is veel blauw op straat. Een bomvolle lijn vier stopt bij de tramhalte en stroomt leeg, niemand spreekt Nederlands. Er is veel zwart op straat. Op het pleintje voor het Westin hotel delen vijf lieftallige blonde tienermeisjes flesjes water uit. Een eindje verder duwt een bruin meisje met groene ogen en krulhaar mij een OLA ijslolly in de hand, gratis. Zij glimlacht tegen mij. Ik glimlach terug en blijf staan, maar zij glimlacht alweer tegen een andere voorbijganger.
Ik loop door en laat mij meesleuren met de stroom mensen in de richting van het centrum. Uit de verte klinkt muziek, geen hoempapa, maar salsa, of is het een steelband? Op de trottoirs zitten de mensen rustig te wachten, kinderen spelen. Ik ben nog in de alcoholvrije zone. Het nuttigen van alcoholische dranken is alleen toegestaan op het Stadhuisplein, de Coolsingel en omgeving. Een man loopt met een beker bier in zijn hand. Hij wordt aangesproken door twee agenten, een man en een vrouw. Hij reageert verongelijkt. ‘Ik mag toch drinken waar ik wil? Dit is toch een vrij land?’ De agenten weten hem te overtuigen. Hij gooit het bier op de schoenen van de mannelijke agent en smijt de beker op de grond. De agenten schudden het hoofd en lopen door.
Ik loop op de Lijnbaan, alle winkels zijn open, wat een drukte. Opeens ruikt het Surinaams lekker: kipsaté, nasi, bami, barra. Achter het kraampje staan twee Hindoestaanse vrouwen te zweten. Ik koop een portie satés en een fles water. Zes euro vijftig, jeetjemina. Het water is niet koud. Het verse sinaasappelsap van het kraampje ernaast ook niet.
Zonder er erg in te hebben arriveer ik bij de Erasmusbrug. Daar staan de groepen klaar om te vertrekken. De brassband van de eerste groep speelt al, weifelend nog. Het publiek staat te kijken alsof er een begrafenisstoet aankomt. In de groep helpt een vrouw met een dikke buik en een piercing in haar navel een andere vrouw met een nog dikkere buik een te kort rokje omhoog trekken. Haar bruine gezicht is mooi opgemaakt, het haarvet glinstert in de zon en druipt langs haar nek over haar naakte brede schouders bestrooid met glitters. Het startsein klinkt, de groepen zetten zich in beweging, het zomercarnaval van Rotterdam is begonnen.
Ik loop langs de kant mee, ‘second line’ heet dat in New Orleans. De dansers in de groepen doen hun best om gezellig te zijn, niet iedereen heeft het ritme te pakken. Er dansen ook robots mee. Het publiek kijkt koeltjes toe. Op de Coolsingel slaat het om, iedereen raakt plotseling los, de muziekgroepen komen op dreef. De mensenmassa staat tien rijen dik langs de weg te kijken, alleen de toppen van praalwagens zijn nog te zien. Ik kom bij McDonald’s aan en waan mij op Curaçao. Daar staat iedereen die ik in geen jaren gezien heb. ‘Kompader, ki tin, mi brò?’ ‘Chikí, ik dacht dat je dood was.’
Ik wil doorlopen, maar het gaat niet. Ik kan noch vooruit, noch achteruit. Dan maar een biertje drinken, ik bestel een Polar. Nee, die kennen ze niet. Een Antilliaanse vrouw verkoopt gebakken vis, mulá, vers uit Curaçao, vijftien euro, geen geld.
Plotseling moet ik aan de kant, een blinde Curaçaoënaar met een donkere bril op komt met zijn stok aanlopen. Tik, tik, tik. Ik schat hem een jaar of vijftig. Hij loopt naar het toilet, iedereen laat hem langs, hij hoeft ook niet te betalen. Na een poosje komt hij terug, zichtbaar opgelucht. Hij loopt naar zijn groep vrienden. Tik, tik, tik. Bij de groep aangekomen doet hij lachend de donkere bril af en fluit naar een meisje in hotpants dat net voorbijloopt. Heeft Rita Verdonk toch gelijk?
K.
Ik loop door en laat mij meesleuren met de stroom mensen in de richting van het centrum. Uit de verte klinkt muziek, geen hoempapa, maar salsa, of is het een steelband? Op de trottoirs zitten de mensen rustig te wachten, kinderen spelen. Ik ben nog in de alcoholvrije zone. Het nuttigen van alcoholische dranken is alleen toegestaan op het Stadhuisplein, de Coolsingel en omgeving. Een man loopt met een beker bier in zijn hand. Hij wordt aangesproken door twee agenten, een man en een vrouw. Hij reageert verongelijkt. ‘Ik mag toch drinken waar ik wil? Dit is toch een vrij land?’ De agenten weten hem te overtuigen. Hij gooit het bier op de schoenen van de mannelijke agent en smijt de beker op de grond. De agenten schudden het hoofd en lopen door.
Ik loop op de Lijnbaan, alle winkels zijn open, wat een drukte. Opeens ruikt het Surinaams lekker: kipsaté, nasi, bami, barra. Achter het kraampje staan twee Hindoestaanse vrouwen te zweten. Ik koop een portie satés en een fles water. Zes euro vijftig, jeetjemina. Het water is niet koud. Het verse sinaasappelsap van het kraampje ernaast ook niet.
Zonder er erg in te hebben arriveer ik bij de Erasmusbrug. Daar staan de groepen klaar om te vertrekken. De brassband van de eerste groep speelt al, weifelend nog. Het publiek staat te kijken alsof er een begrafenisstoet aankomt. In de groep helpt een vrouw met een dikke buik en een piercing in haar navel een andere vrouw met een nog dikkere buik een te kort rokje omhoog trekken. Haar bruine gezicht is mooi opgemaakt, het haarvet glinstert in de zon en druipt langs haar nek over haar naakte brede schouders bestrooid met glitters. Het startsein klinkt, de groepen zetten zich in beweging, het zomercarnaval van Rotterdam is begonnen.
Ik loop langs de kant mee, ‘second line’ heet dat in New Orleans. De dansers in de groepen doen hun best om gezellig te zijn, niet iedereen heeft het ritme te pakken. Er dansen ook robots mee. Het publiek kijkt koeltjes toe. Op de Coolsingel slaat het om, iedereen raakt plotseling los, de muziekgroepen komen op dreef. De mensenmassa staat tien rijen dik langs de weg te kijken, alleen de toppen van praalwagens zijn nog te zien. Ik kom bij McDonald’s aan en waan mij op Curaçao. Daar staat iedereen die ik in geen jaren gezien heb. ‘Kompader, ki tin, mi brò?’ ‘Chikí, ik dacht dat je dood was.’
Ik wil doorlopen, maar het gaat niet. Ik kan noch vooruit, noch achteruit. Dan maar een biertje drinken, ik bestel een Polar. Nee, die kennen ze niet. Een Antilliaanse vrouw verkoopt gebakken vis, mulá, vers uit Curaçao, vijftien euro, geen geld.
Plotseling moet ik aan de kant, een blinde Curaçaoënaar met een donkere bril op komt met zijn stok aanlopen. Tik, tik, tik. Ik schat hem een jaar of vijftig. Hij loopt naar het toilet, iedereen laat hem langs, hij hoeft ook niet te betalen. Na een poosje komt hij terug, zichtbaar opgelucht. Hij loopt naar zijn groep vrienden. Tik, tik, tik. Bij de groep aangekomen doet hij lachend de donkere bril af en fluit naar een meisje in hotpants dat net voorbijloopt. Heeft Rita Verdonk toch gelijk?
K.
Een syllepsis
‘Hij nam iets uit de brandkast dat van een ander was, daarna een vrouw die ook van een ander was en tenslotte de benen.’
Godfried Bomans
Godfried Bomans
Sunday, October 12, 2008
Dierengeluiden
We weten dat er in de tijd van de slavernij liederen gezongen werden, maar we weten niet meer welke, noch hoe de oorspronkelijke vorm was.
De oudste pogingen tot schriftelijke vastlegging, die jammer genoeg nooit teruggevonden zijn, dateerden al van voor 1863. Een van de eerste eigenaars van San Pedro noteerde in een aantal schriften de verhalen, gebeurtenissen en gebruiken die hij hoorde en zag. We zouden in deze plantage-eigenaar de eerste Curaçaose folklorist kunnen zien. Maar alle materiaal is door brand verloren gegaan. Daarnaast waren er al vroeg enkele Europese onderzoekers die vastlegden wat ze zagen, zoals een oude man van in de tachtig aan pater P.H.F. Brenneker nog in de jaren zestig vertelde: ‘Eens kwamen de vier eigenaren van Koraal Specht bijeen, en riepen de bomba's [opzichters] van de slaven. Dezen moesten werkliedjes zingen in het gené, en de heren schreven ze op. Ze stuurden ze naar Holland ter onderzoek en kregen als antwoord terug, dat het vooral teksten waren ontleend aan dierengeluiden.’
(Wim Rutgers, Beneden en boven de wind)
De oudste pogingen tot schriftelijke vastlegging, die jammer genoeg nooit teruggevonden zijn, dateerden al van voor 1863. Een van de eerste eigenaars van San Pedro noteerde in een aantal schriften de verhalen, gebeurtenissen en gebruiken die hij hoorde en zag. We zouden in deze plantage-eigenaar de eerste Curaçaose folklorist kunnen zien. Maar alle materiaal is door brand verloren gegaan. Daarnaast waren er al vroeg enkele Europese onderzoekers die vastlegden wat ze zagen, zoals een oude man van in de tachtig aan pater P.H.F. Brenneker nog in de jaren zestig vertelde: ‘Eens kwamen de vier eigenaren van Koraal Specht bijeen, en riepen de bomba's [opzichters] van de slaven. Dezen moesten werkliedjes zingen in het gené, en de heren schreven ze op. Ze stuurden ze naar Holland ter onderzoek en kregen als antwoord terug, dat het vooral teksten waren ontleend aan dierengeluiden.’
(Wim Rutgers, Beneden en boven de wind)
Wan Yuana
Wan Yuana, echadó di baina
a kana lastra tur di banda
dos mushi di ròm den su kana
raspa ku su pata na porta di su kambrada
nèt ora esaki a sali ku un bònder di paña
pa abri na waya.
Doña Ana, mi kambrada, mi a sinti bo falta, bin dunami un brasa.
Doña Ana?... Doña Ana?... Doña Ana ta bo kasá na La Kampana
ami ta Koma Wana, bo pasá di den Sabana
unda bo ta kana lastra ora bo yena bo kana.
Loke sea, yuana pa yuana tur ta yuana
mi a bini pa regla bo kuenta.
Regla ken su kuenta?
Bo ni por para
riba bo kuater patanan.
Bin yudami kologá paña na waya.
Laga e pañanan para, solo ni a sali
ban paden pa nos kanta.
Awe t’abo so lo kanta
nos delaster kansion a lagami
ku un kantidat di kriatura
ku niun bo n’ ke kria.
Koma Wana, Sabana ta kankan di mata
bo kriaturanan por kuida nan mes kurpa
ademas tur su kara parse Shon Pa bo kasá.
Shon Pa ta ni papia, te p’e kanta.
Wèl, nos ta kanta Aleluya, un refran so, ban.
Lagami lòs, ni un, ni dos refran, kuminsá kana
pa bo yega serka Ana na La Kampana
promé ku Shon Pa baha warda.
Wan Yuana a keda ku gana
i tur di banda el a kana
lastra den direkshon di La Kampana.
Yegando La Kampana, djaleu el a tende Ana ta kanta.
Hepa, esaki ta straño, Ana no gusta kanta
tur ora su kurpa ta kansá, ta kiko ta pasa?
Kouteloso el a gatia yega serka, rèk wak na bentana
kurioso pa mira ta kiko ta pone Ana kanta ku tantu gana.
Ora su wowonan a kustumbrá ku e skuridat, el a mira Doña Ana
i Shon Pa den koro ta kanta Gloria, keriendo ku Wan
ta serka Koma Wana ta kanta Aleluya.
(For di e buki 'Komehein ta traha kas pa prikichi buta aden' di Kompader)
a kana lastra tur di banda
dos mushi di ròm den su kana
raspa ku su pata na porta di su kambrada
nèt ora esaki a sali ku un bònder di paña
pa abri na waya.
Doña Ana, mi kambrada, mi a sinti bo falta, bin dunami un brasa.
Doña Ana?... Doña Ana?... Doña Ana ta bo kasá na La Kampana
ami ta Koma Wana, bo pasá di den Sabana
unda bo ta kana lastra ora bo yena bo kana.
Loke sea, yuana pa yuana tur ta yuana
mi a bini pa regla bo kuenta.
Regla ken su kuenta?
Bo ni por para
riba bo kuater patanan.
Bin yudami kologá paña na waya.
Laga e pañanan para, solo ni a sali
ban paden pa nos kanta.
Awe t’abo so lo kanta
nos delaster kansion a lagami
ku un kantidat di kriatura
ku niun bo n’ ke kria.
Koma Wana, Sabana ta kankan di mata
bo kriaturanan por kuida nan mes kurpa
ademas tur su kara parse Shon Pa bo kasá.
Shon Pa ta ni papia, te p’e kanta.
Wèl, nos ta kanta Aleluya, un refran so, ban.
Lagami lòs, ni un, ni dos refran, kuminsá kana
pa bo yega serka Ana na La Kampana
promé ku Shon Pa baha warda.
Wan Yuana a keda ku gana
i tur di banda el a kana
lastra den direkshon di La Kampana.
Yegando La Kampana, djaleu el a tende Ana ta kanta.
Hepa, esaki ta straño, Ana no gusta kanta
tur ora su kurpa ta kansá, ta kiko ta pasa?
Kouteloso el a gatia yega serka, rèk wak na bentana
kurioso pa mira ta kiko ta pone Ana kanta ku tantu gana.
Ora su wowonan a kustumbrá ku e skuridat, el a mira Doña Ana
i Shon Pa den koro ta kanta Gloria, keriendo ku Wan
ta serka Koma Wana ta kanta Aleluya.
(For di e buki 'Komehein ta traha kas pa prikichi buta aden' di Kompader)
Sunday, October 5, 2008
Konosé bo Isla 2008-10: Vrijheid
Vraag: Van welke slaven vertelde men in de slaventijd dat zij naar Afrika konden terugvliegen en zo hun vrijheid terugkregen?
Sluitingsdatum: zondag 2 november 2008
Prijs: een cadeaubon van The Movies .
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Sluitingsdatum: zondag 2 november 2008
Prijs: een cadeaubon van The Movies .
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2008-09: antwoord
Antwoord:
Droevig eiland droevig volk
droevig eiland in de kolk
van de maalstroom van de maalstroom
droevig eiland zonder tolk.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 7 goed:
Loeki Peters
Jules Marchena
Yolanda Chakoetoe
L.J.Chr. Dee
F. d..S..T..
King Yen Yung
Joan Augusta
Carol Dick
Frans Kapteijns
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Droevig eiland droevig volk
droevig eiland in de kolk
van de maalstroom van de maalstroom
droevig eiland zonder tolk.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 7 goed:
Loeki Peters
Jules Marchena
Yolanda Chakoetoe
L.J.Chr. Dee
F. d..S..T..
King Yen Yung
Joan Augusta
Carol Dick
Frans Kapteijns
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Saturday, October 4, 2008
Ban ban lesa un ròndu
Willemstad – Om te vieren dat er weer een boekenpakket verschenen is en om dit aan het publiek te presenteren, organiseert de Fundashon pa Planifikashon di Idioma (FPI) samen met Gallery Alma Blou een voorleeswedstrijd met de naam Ban ban lesa un ròndu op vrijdag 10 oktober, 18.30 uur in Landhuis Habaai.
Iedereen is welkom en als men 14 jaar of ouder is, kan men inschrijven voor de wedstrijd. Deelnemers krijgen verhalen uit Wazo riba ròndu van Elis Juliana voor te lezen, en er zijn prijzen te winnen. Ook zullen enkele auteurs van de boeken uit het boekenpakket iets uit hun werk voordragen.
Al enkele jaren produceert de FPI boekenpakketten voor leerlingen van het voortgezet onderwijs, en deze werken zijn vaak verplichte literatuur op de scholen geworden. In 2004 verscheen pakket 1 met vier titels voor leerlingen van de brugklassen, in 2006 pakket 2 met drie titels voor de tweede klassen en onlangs in 2008 pakket # 3 voor de derde en vierde klassen van HAVO, VWO en VSBO. Dit laatste pakket besteedt aandacht aan de verschillende genres, poëzie, novelle, toneel en korte verhalen. Het gaat om de volgende titels en auteurs:
• Bos di buriku, van Philip A. Rademaker. De gedichtenbundel (62 pagina’s) is een heruitgave van 37 gedichten die in 2000 verschenen zijn. De dichter Philip (Fifi) Rademaker geniet ook bekendheid als acteur, voordrachtkunstenaar en schilder. Fifi gelooft in de kracht van het woord. Hij beheerst het Papiamentu voortreffelijk, zijn gedichten zijn klankrijk en beeldend.
• Katibu di shon van Carel de Haseth. De novelle (67 pagina’s) gaat over de gebeurtenissen rond de slavenopstand van 1795. Het perspectief ligt zowel bij een van de leiders van de opstand, als bij de zoon van de meester en eigenaar van plantage Knip. Katibu di shon is voor het eerst gepubliceerd in 1988 en was tijdens cursussen LO Papiamentu een verdienstelijk studieobject voor verhaalanalyse. Ook in het buitenland is de novelle bekend geworden door de vertalingen in het Nederlands (Slaaf en Meester) en Duits (Sklave und Herr).
• De toneelstukken Nos no ta hende mas en Den nòmber di tata van Albert Schoobaar zijn met veel succes op bijna alle middelbare scholen van Curaçao en Bonaire opgevoerd. De auteur vertolkte zelf de hoofdrol in beide stukken. Het gaat om teksten die mensen aan het denken zetten, en op een indringende manier pijnlijke situaties voor het voetlicht brengen. De FPI heeft deze twee toneelstukken in een boek van 113 pagina’s samengebracht.
• De FPI heeft ook Wazo riba ròndu van onze grote auteur Elis Juliana opnieuw uitgegeven. De heruitgave behelst alle 121 verhalen (368 pagina’s). Wazo, het alter ego van Elis Juliana, is heel Curaçao rondgetrokken en heeft de mensen in hun dagelijkse leven geobserveerd. Met veel humor en ironie beschrijft Wazo de sfeer van de jaren zestig op Curaçao.
De presentatie van deze boeken vindt plaats tijdens de literaire voorleeswedstrijd Ban ban lesa un ròndu. Iedereen is welkom. Voor meer informatie en/of inschrijven kunt u bellen/mailen naar Ini Statia: tel. 8691166, e-mail: i.statia@fpi.an
Iedereen is welkom en als men 14 jaar of ouder is, kan men inschrijven voor de wedstrijd. Deelnemers krijgen verhalen uit Wazo riba ròndu van Elis Juliana voor te lezen, en er zijn prijzen te winnen. Ook zullen enkele auteurs van de boeken uit het boekenpakket iets uit hun werk voordragen.
Al enkele jaren produceert de FPI boekenpakketten voor leerlingen van het voortgezet onderwijs, en deze werken zijn vaak verplichte literatuur op de scholen geworden. In 2004 verscheen pakket 1 met vier titels voor leerlingen van de brugklassen, in 2006 pakket 2 met drie titels voor de tweede klassen en onlangs in 2008 pakket # 3 voor de derde en vierde klassen van HAVO, VWO en VSBO. Dit laatste pakket besteedt aandacht aan de verschillende genres, poëzie, novelle, toneel en korte verhalen. Het gaat om de volgende titels en auteurs:
• Bos di buriku, van Philip A. Rademaker. De gedichtenbundel (62 pagina’s) is een heruitgave van 37 gedichten die in 2000 verschenen zijn. De dichter Philip (Fifi) Rademaker geniet ook bekendheid als acteur, voordrachtkunstenaar en schilder. Fifi gelooft in de kracht van het woord. Hij beheerst het Papiamentu voortreffelijk, zijn gedichten zijn klankrijk en beeldend.
• Katibu di shon van Carel de Haseth. De novelle (67 pagina’s) gaat over de gebeurtenissen rond de slavenopstand van 1795. Het perspectief ligt zowel bij een van de leiders van de opstand, als bij de zoon van de meester en eigenaar van plantage Knip. Katibu di shon is voor het eerst gepubliceerd in 1988 en was tijdens cursussen LO Papiamentu een verdienstelijk studieobject voor verhaalanalyse. Ook in het buitenland is de novelle bekend geworden door de vertalingen in het Nederlands (Slaaf en Meester) en Duits (Sklave und Herr).
• De toneelstukken Nos no ta hende mas en Den nòmber di tata van Albert Schoobaar zijn met veel succes op bijna alle middelbare scholen van Curaçao en Bonaire opgevoerd. De auteur vertolkte zelf de hoofdrol in beide stukken. Het gaat om teksten die mensen aan het denken zetten, en op een indringende manier pijnlijke situaties voor het voetlicht brengen. De FPI heeft deze twee toneelstukken in een boek van 113 pagina’s samengebracht.
• De FPI heeft ook Wazo riba ròndu van onze grote auteur Elis Juliana opnieuw uitgegeven. De heruitgave behelst alle 121 verhalen (368 pagina’s). Wazo, het alter ego van Elis Juliana, is heel Curaçao rondgetrokken en heeft de mensen in hun dagelijkse leven geobserveerd. Met veel humor en ironie beschrijft Wazo de sfeer van de jaren zestig op Curaçao.
De presentatie van deze boeken vindt plaats tijdens de literaire voorleeswedstrijd Ban ban lesa un ròndu. Iedereen is welkom. Voor meer informatie en/of inschrijven kunt u bellen/mailen naar Ini Statia: tel. 8691166, e-mail: i.statia@fpi.an
Sunday, September 28, 2008
Vooruitblik
Op een rots in het Schottegat spreekt Jan van Gent tegen zijn zoontje in het nest.
‘Moet je eens luisteren, zoon, op deze rots zal de economie van dit eiland gebouwd worden.’
‘Visje, visje,’ krijst Jantje van Gent.
‘Visje, visje, jij altijd met je hongerige buik, het leven is meer dan alleen maar eten. Luister, wat ik je ga vertellen is goed voor je algemene ontwikkeling. Op deze rots zal een imperium verrijzen dat het gezicht van dit eiland voorgoed zal veranderen. Er zal voorspoed en welvaart komen voor alle inwoners. Gonzende fabrieken, glimmende tanks, rokende schoorstenen, lange pijpleidingen worden gebouwd. Landskinderen van Banda Riba tot Banda Bou worden tewerkgesteld. Zij zullen iedere zaterdagmiddag geld ontvangen in een zakje, dat zij diezelfde avond nog opmaken aan eten, drinken en feesten. Er zullen mensen uit andere landen komen: Makambas uit Holland, Matis uit Suriname, Bedjis van de Bovenwinden, Kompaders uit Madeira. Iedereen krijgt een plaats. De Makambas krijgen grote huizen met mooie tuinen, dag en nacht bewaakt, de vrouwen hoeven niet te werken en liggen de hele dag aan het strand; de Matis hun eigen dorp, geur van roti, pom en pastei, de vrouwen staan de hele dag in de keuken; de Kompaders krijgen barakken, kaki werkpakken en poetslappen, muito obrigado; de Bedjis zoeken het maar uit.’
‘Visje, visje!’
Janneke van Gent komt thuis. ‘Heb je die jongen nog geen eten gegeven? Wat zit je daar tegen hem te wauwelen, heb je al rum gedronken, zo vroeg al?’
‘Rustig, rustig, vrouwtje, je praat als een viswijf. Ik ben de jongen algemene ontwikkeling aan het bijbrengen.’
‘Wat voor algemene ontwikkeling? Wat voor ontwikkeling heb je zelf, anders dan jatten op de kade?’
‘De pot verwijt de ketel, laat mij in je tas kijken wat je zelf op de kop hebt getikt.’
‘Hou je handen thuis. Wat was je aan het vertellen?’
‘Een droom, een kans voor dit eiland. Kijk wat een mooie haven, het is toch zonde om die onbenut te laten. Hier kun je een prachtige industrie neerzetten. Op een van mijn vluchten heb ik gezien dat zij ginder op het vaste land een zwarte blubber uit de zee halen. Daar moet iets mee te doen zijn en dat kunnen wij mooi hier doen. Ginder schieten zij om de haverklap de leider van zijn sokkel. Hier hebben wij een stabiel politiek klimaat.’
‘Nou zeg, dat klinkt geleerd. Heb je marihuana gerookt?’
‘Marihuana bestaat niet. Luister naar mijn droom. Er komen schepen die de zwarte blubber meebrengen en andere schepen brengen de verwerkte producten weer weg. Al die schepen moeten een keer gerepareerd worden. Dat doen wij ook hier. Het wordt druk in de haven.’
‘En wij zijn ons nest kwijt.’
‘Je kunt ook niet alles tegelijk hebben. Het wordt niet alleen druk in de haven, het wordt druk op het hele eiland. Dat noemt men welvaart.’
‘Die zwarte blubber lijkt mij wel smerig. Ik zou het wel jammer vinden als alles onder die troep komt.’
‘Wat wil je nou voor het eiland? Groene bomen, blauwe zee, witte stranden, waar je geen sikkepit aan hebt, of wil je geld?’
‘Kan het niet allebei?’
‘Nee, vrouwtje, daar kun je met je vogelverstand niet bij. Het is of het een of het ander. Maar voorwaar, ik zeg je, er zullen over negentig jaar valse profeten opstaan die verkondigen dat je ook op andere manieren geld kunt verdienen. Dat de hele santenkraam niets meer waard is dan oud roest en moet worden afgebroken. Dat de rook uit de schoorstenen de mensen ziek maakt. Wat wil je, honger is ook slecht voor de gezondheid.’
‘Onze kleinkinderen blijven met hun vleugels vastzitten in het zwarte meer dat zij volstorten.’
‘Dat is van later zorg.’
K.
‘Moet je eens luisteren, zoon, op deze rots zal de economie van dit eiland gebouwd worden.’
‘Visje, visje,’ krijst Jantje van Gent.
‘Visje, visje, jij altijd met je hongerige buik, het leven is meer dan alleen maar eten. Luister, wat ik je ga vertellen is goed voor je algemene ontwikkeling. Op deze rots zal een imperium verrijzen dat het gezicht van dit eiland voorgoed zal veranderen. Er zal voorspoed en welvaart komen voor alle inwoners. Gonzende fabrieken, glimmende tanks, rokende schoorstenen, lange pijpleidingen worden gebouwd. Landskinderen van Banda Riba tot Banda Bou worden tewerkgesteld. Zij zullen iedere zaterdagmiddag geld ontvangen in een zakje, dat zij diezelfde avond nog opmaken aan eten, drinken en feesten. Er zullen mensen uit andere landen komen: Makambas uit Holland, Matis uit Suriname, Bedjis van de Bovenwinden, Kompaders uit Madeira. Iedereen krijgt een plaats. De Makambas krijgen grote huizen met mooie tuinen, dag en nacht bewaakt, de vrouwen hoeven niet te werken en liggen de hele dag aan het strand; de Matis hun eigen dorp, geur van roti, pom en pastei, de vrouwen staan de hele dag in de keuken; de Kompaders krijgen barakken, kaki werkpakken en poetslappen, muito obrigado; de Bedjis zoeken het maar uit.’
‘Visje, visje!’
Janneke van Gent komt thuis. ‘Heb je die jongen nog geen eten gegeven? Wat zit je daar tegen hem te wauwelen, heb je al rum gedronken, zo vroeg al?’
‘Rustig, rustig, vrouwtje, je praat als een viswijf. Ik ben de jongen algemene ontwikkeling aan het bijbrengen.’
‘Wat voor algemene ontwikkeling? Wat voor ontwikkeling heb je zelf, anders dan jatten op de kade?’
‘De pot verwijt de ketel, laat mij in je tas kijken wat je zelf op de kop hebt getikt.’
‘Hou je handen thuis. Wat was je aan het vertellen?’
‘Een droom, een kans voor dit eiland. Kijk wat een mooie haven, het is toch zonde om die onbenut te laten. Hier kun je een prachtige industrie neerzetten. Op een van mijn vluchten heb ik gezien dat zij ginder op het vaste land een zwarte blubber uit de zee halen. Daar moet iets mee te doen zijn en dat kunnen wij mooi hier doen. Ginder schieten zij om de haverklap de leider van zijn sokkel. Hier hebben wij een stabiel politiek klimaat.’
‘Nou zeg, dat klinkt geleerd. Heb je marihuana gerookt?’
‘Marihuana bestaat niet. Luister naar mijn droom. Er komen schepen die de zwarte blubber meebrengen en andere schepen brengen de verwerkte producten weer weg. Al die schepen moeten een keer gerepareerd worden. Dat doen wij ook hier. Het wordt druk in de haven.’
‘En wij zijn ons nest kwijt.’
‘Je kunt ook niet alles tegelijk hebben. Het wordt niet alleen druk in de haven, het wordt druk op het hele eiland. Dat noemt men welvaart.’
‘Die zwarte blubber lijkt mij wel smerig. Ik zou het wel jammer vinden als alles onder die troep komt.’
‘Wat wil je nou voor het eiland? Groene bomen, blauwe zee, witte stranden, waar je geen sikkepit aan hebt, of wil je geld?’
‘Kan het niet allebei?’
‘Nee, vrouwtje, daar kun je met je vogelverstand niet bij. Het is of het een of het ander. Maar voorwaar, ik zeg je, er zullen over negentig jaar valse profeten opstaan die verkondigen dat je ook op andere manieren geld kunt verdienen. Dat de hele santenkraam niets meer waard is dan oud roest en moet worden afgebroken. Dat de rook uit de schoorstenen de mensen ziek maakt. Wat wil je, honger is ook slecht voor de gezondheid.’
‘Onze kleinkinderen blijven met hun vleugels vastzitten in het zwarte meer dat zij volstorten.’
‘Dat is van later zorg.’
K.
Subscribe to:
Posts (Atom)