pa motibu di ekonomia
nos a kambia destino di nos isla
lubidando su puresa i noblesa
nos ta hib'é den un kaminda di tristesa
Diana Marquez
Saturday, April 17, 2010
Thursday, April 15, 2010
Het verhaal… Een schaal vol prullaria
Het was tijd.
Tijd om de spullen uit te zoeken en op te bergen of weg te geven.
Op de tafel stond een schaal van keramiek. Groen , in stervorm.
Die had ze zelf ooit gemaakt.
Op het haltafeltje stond ie. En iedereen die thuiskwam of wegging legde er iets in of haalde er iets uit.
Het haltafeltje was er niet meer. Het huis was leeg.
De zon scheen door het raam en liet in zijn stralen zien dat de hele inhoud stoffig was.
Zou ik het allemaal weggooien? Had iemand nog iets aan een oud kompas, een mes…?
Waarom had ze dit allemaal bewaard? Ze kan het me nu niet meer vertellen, ze is oud en moe en weet nog weinig meer.
Dat vilten klimopblad, was het een deel van een corsage, opgespeld door haar eerste liefde?
Die sleutel… toegang tot welke deur?
Oude klos handgaren. Degelijk, ruikt zelf nog net zoals vroeger.
Ik sta op. Besluit de hete schaal met inhoud mee te nemen en naar haar toe te gaan.
Ik zal haar vragen: “Mamma, van wie was die veer“?
Ik hoop dat ze het nog weet. Veel is ze vergeten, maar af en toe veert ze op, lichten haar ogen als bij een binnenpretje en mompelt ze een naam….
Ze neemt al haar verhalen en namen mee. Terug.
Terug naar toen?
H.M.Evers-Dokter
Tijd om de spullen uit te zoeken en op te bergen of weg te geven.
Op de tafel stond een schaal van keramiek. Groen , in stervorm.
Die had ze zelf ooit gemaakt.
Op het haltafeltje stond ie. En iedereen die thuiskwam of wegging legde er iets in of haalde er iets uit.
Het haltafeltje was er niet meer. Het huis was leeg.
De zon scheen door het raam en liet in zijn stralen zien dat de hele inhoud stoffig was.
Zou ik het allemaal weggooien? Had iemand nog iets aan een oud kompas, een mes…?
Waarom had ze dit allemaal bewaard? Ze kan het me nu niet meer vertellen, ze is oud en moe en weet nog weinig meer.
Dat vilten klimopblad, was het een deel van een corsage, opgespeld door haar eerste liefde?
Die sleutel… toegang tot welke deur?
Oude klos handgaren. Degelijk, ruikt zelf nog net zoals vroeger.
Ik sta op. Besluit de hete schaal met inhoud mee te nemen en naar haar toe te gaan.
Ik zal haar vragen: “Mamma, van wie was die veer“?
Ik hoop dat ze het nog weet. Veel is ze vergeten, maar af en toe veert ze op, lichten haar ogen als bij een binnenpretje en mompelt ze een naam….
Ze neemt al haar verhalen en namen mee. Terug.
Terug naar toen?
H.M.Evers-Dokter
Thursday, April 8, 2010
GOUDDRUPPELTJE
Ergens hier ver vandaan in de blauwe oceaan ligt het mooie maar droge eiland Stimasolo. Boven Stimasolo dreven op een dag twee grijze wolken. Ze keken naar het droge eiland en zeiden: ‘We gaan het laten regenen’. Ze spreidden hun armen wijd open en honderden liters regenwater stortten naar beneden. Dat zijn honderdduizenden regendruppels!
Eén van die ontelbare regendruppels heet Diana Druppel. Een heel gewone naam zul je zeggen, maar haar troetelnaam is: Gouddruppeltje, een bijzondere naam, een naam om trots op te zijn. Zij wilde niet, zoals de meeste van haar mededruppels, in de oceaan terechtkomen.
Op dat moment vloog een zilvermeeuw voorbij! “Hé zilveren vogel, mag ik een lift?” Gouddruppeltje schrok van zichzelf. Normaal gesproken was ze juist heel verlegen.
“Spring maar achterop!” riep de zilvermeeuw en met een sierlijke salto zat Gouddruppeltje bij Zilvermeeuw op zijn rug.. Maar waarom wil je eigenlijk meerijden, ik bedoel, meevliegen?“
“Nou,” zei Gouddruppeltje spontaan, “Ik wil niet verloren lopen in die grote oceaan. Ik wil vrij zijn en mezelf leren kennen. En niet allemaal dingen doen die iedereen doet.”
“Oké!” zei Zilvermeeuw en ze vlogen verder.
Ze vlogen laag over land, zodat ze goed konden zien wat iedereen aan het doen was. Na enkele uren vliegen vroeg Zilvermeeuw: “Zeg, Gouddruppeltje, denk je dat je het verder zonder mij kunt? Net zoals de eilandbewoners!’
“Nee, nog niet”, zei Gouddruppeltje. “Ik zie dat iedereen met van alles en nog wat bezig is, met allerlei zaken druk doende is, maar tegelijkertijd zie ik dat ze heel eenzaam zijn. Hoe komt dat toch”
“Ja, je hebt gelijk”, zei Zilvermeeuw, “en als je tussen hen in leeft, ga je hetzelfde doen. Je gaat ook allerlei dingen doen om jezelf af te leiden en je zult je ook eenzaam voelen.”
“Maar als het je wens is jezelf te leren kennen, dan moet je dit ook meemaken. En voel je je op een dag echt eenzaam, dan moet je de stilte van de natuur gaan opzoeken. Luisteren naar de geluiden van de zee en het gezang van de vogels. En terwijl je luistert kijk je bij jezelf naar binnen en hoor je het kloppen van je eigen hart. Eigenlijk kom je dan jezelf tegen, kom je erachter wie je echt bent.”
En toen vloog Zilvermeeuw weg.
Eerst ging Gouddruppeltje van alles zoeken om ook maar bezig te zijn. Van alles om maar een beetje afleiding te hebben. Op een dag echter voelde zij zich erg moe en leek het alsof eenzaamheid de baas over haar was. Ze voelde zich zo … leeg en behoorlijk triest.
Op dat moment dacht ze aan de woorden van Zilvermeeuw, vlak voordat hij wegvloog. Gouddruppeltje liet alle drukte achter zich en lange tijd bracht ze in volledige eenzaamheid door. Geen gemakkelijke tijd. Ze hoorde niets anders dan het gezang van vogels en de geluiden van de golven van de zee.
Soms dacht ze waar ben ik aan begonnen, maar ze hield vol, en ze hoorde haar eigen hart kloppen. Ze dacht alleen nog maar aan de wijze woorden van Zilvermeeuw. Dat hield haar op de been.
Op zeker moment voelde ze een bepaalde rust van binnen, ze werd van binnen blij. Waar eerst droevige eenzaamheid was, voelde ze nu plezier. Ze was helemaal gelukkig. Bovendien snapte ze nu beter wie ze was en waarom ze op de wereld was.
Ze hielp de zee om zee te blijven en droomde: “Zonder mij is de zee niet kompleet.”
En met een ferme duik dook Gouddruppeltje de zee in, tussen de andere regendruppels.
Gouddruppeltje werd met gejuich ontvangen.
En ze zwommen nog lang en gelukkig.
Frans Kapteijns, 250210.
Eén van die ontelbare regendruppels heet Diana Druppel. Een heel gewone naam zul je zeggen, maar haar troetelnaam is: Gouddruppeltje, een bijzondere naam, een naam om trots op te zijn. Zij wilde niet, zoals de meeste van haar mededruppels, in de oceaan terechtkomen.
Op dat moment vloog een zilvermeeuw voorbij! “Hé zilveren vogel, mag ik een lift?” Gouddruppeltje schrok van zichzelf. Normaal gesproken was ze juist heel verlegen.
“Spring maar achterop!” riep de zilvermeeuw en met een sierlijke salto zat Gouddruppeltje bij Zilvermeeuw op zijn rug.. Maar waarom wil je eigenlijk meerijden, ik bedoel, meevliegen?“
“Nou,” zei Gouddruppeltje spontaan, “Ik wil niet verloren lopen in die grote oceaan. Ik wil vrij zijn en mezelf leren kennen. En niet allemaal dingen doen die iedereen doet.”
“Oké!” zei Zilvermeeuw en ze vlogen verder.
Ze vlogen laag over land, zodat ze goed konden zien wat iedereen aan het doen was. Na enkele uren vliegen vroeg Zilvermeeuw: “Zeg, Gouddruppeltje, denk je dat je het verder zonder mij kunt? Net zoals de eilandbewoners!’
“Nee, nog niet”, zei Gouddruppeltje. “Ik zie dat iedereen met van alles en nog wat bezig is, met allerlei zaken druk doende is, maar tegelijkertijd zie ik dat ze heel eenzaam zijn. Hoe komt dat toch”
“Ja, je hebt gelijk”, zei Zilvermeeuw, “en als je tussen hen in leeft, ga je hetzelfde doen. Je gaat ook allerlei dingen doen om jezelf af te leiden en je zult je ook eenzaam voelen.”
“Maar als het je wens is jezelf te leren kennen, dan moet je dit ook meemaken. En voel je je op een dag echt eenzaam, dan moet je de stilte van de natuur gaan opzoeken. Luisteren naar de geluiden van de zee en het gezang van de vogels. En terwijl je luistert kijk je bij jezelf naar binnen en hoor je het kloppen van je eigen hart. Eigenlijk kom je dan jezelf tegen, kom je erachter wie je echt bent.”
En toen vloog Zilvermeeuw weg.
Eerst ging Gouddruppeltje van alles zoeken om ook maar bezig te zijn. Van alles om maar een beetje afleiding te hebben. Op een dag echter voelde zij zich erg moe en leek het alsof eenzaamheid de baas over haar was. Ze voelde zich zo … leeg en behoorlijk triest.
Op dat moment dacht ze aan de woorden van Zilvermeeuw, vlak voordat hij wegvloog. Gouddruppeltje liet alle drukte achter zich en lange tijd bracht ze in volledige eenzaamheid door. Geen gemakkelijke tijd. Ze hoorde niets anders dan het gezang van vogels en de geluiden van de golven van de zee.
Soms dacht ze waar ben ik aan begonnen, maar ze hield vol, en ze hoorde haar eigen hart kloppen. Ze dacht alleen nog maar aan de wijze woorden van Zilvermeeuw. Dat hield haar op de been.
Op zeker moment voelde ze een bepaalde rust van binnen, ze werd van binnen blij. Waar eerst droevige eenzaamheid was, voelde ze nu plezier. Ze was helemaal gelukkig. Bovendien snapte ze nu beter wie ze was en waarom ze op de wereld was.
Ze hielp de zee om zee te blijven en droomde: “Zonder mij is de zee niet kompleet.”
En met een ferme duik dook Gouddruppeltje de zee in, tussen de andere regendruppels.
Gouddruppeltje werd met gejuich ontvangen.
En ze zwommen nog lang en gelukkig.
Frans Kapteijns, 250210.
Wednesday, April 7, 2010
E GOTA DI AWA I E MEUWCHI
Tabata un dia di hopi kalor i nubianan a disidí di habri nan brasa i laga un labishán di awa kai riba e isla.
Mei mei di e gotanan di awa tabata tin un ku no kera forma parti di e siklo i el a puntra su mes kon e por a skapa di e otro gotanan, ku tabata tuma rumbo pa lamán ku tabata warda nan aya bou.
"No, no" e gota di awa a pensa " mi no ke perde den e lamn grandi ei, mi mester ta liber pa mi por siña konosé mi mes. Mi mester buska un manera pa sal aki fo" i ku un salto el a libra su mes for di su kompañeronan i el a kai riba lomba di un meuwchi.
"Hei, gota di awa, ta ki bo ta hasi aki bo so asina?" e meuwchi a puntr'é asombrá.
E gota di awa a kont'é di kon el a bai laga e otro gotanan i el a puntr'é ku si e por sigui bula ku ne pa un temporada.
"Mi ke siña konosé mundu i mira kiko e hendenan ta hasi. Kisás asina mi por siña konosé mi mes".
E meuwchi di ta bon i huntu nan a sigui nan kaminda. Nan a bula asina serka di tera ku nan por a mira tur loke e hendenan tabata hasiendo riba e isla.
Después ku nan a bula pa basta ora e meuwchi a puntra e gota di awa ku si e ta kla pa sigui su kaminda huntu ku ne.
"No, ahinda no" e gota a kontestá. "M'a ripará ku tur hende ta okupá ku tur sorto di kos . Sin embargo mi a ripará tambe ku kasi tur ta sufri di un soledat inmenso".
"Si, bo tin rasón" e meuwchi a kontestá "i si bo keda mei mei di nan bo t bai hasi mes kos. Bo tambe lo buska tur sorto di distraikshon i abo tambe lo sinti e mes un soledat. Pero p'e otro banda lo ta un bon idea. Si ta bo deseo pa siña konosé bo mes, bo tambe mester pasa den e eksperensia ei i ora bo kumisá sinti e soledat te den bo alma a yega ora pa bo apartabu for di bo amigunan i buska silensio den naturalesa.Skuchando sonidu di laman i e kanto di paranan. Tambe drenta te den bo mes i skucha e latido di bo propio kurason. Lo bo enkontra bo mes i e dia ei lo bo haña sa tambe ken mi ta.
Ku e palabranan ei e meuwchi a bula bai.
Den kumisamentu e gota di awa a buska tur sorto di ko'i hasi i tambe tur sorto di distraikshon pusibel. E tabata gosa na smaak. Te un dia el a sinti kon poko poko un kansansio i un tristesa ta drent'é.
El a sinti un bashí tremendo den su kurason i un soledat inmenso a poderá di dje. Ora kasi e no por a want'é mas el a korda kiko e meuchi a bisé promé ku el a bula bai.
El a apartá su mes for di tur moveshon i pa un temporada largu el a pasa den kompleto soledat. Un silensio kasi kompleto si no tabata pa e kanto di e paranan i e sonidu di laman. Tabata un temporada hopi pisá pa e gota di awa, pero kordando e palabranan di e meuchi e no a sukumbí i el a drenta mas i mas te den su mes i e por a skucha e latido di su kurason.
Poko poko e tabata sinti kon un un trankilidat a kumisá drenta su kurason i un alegría inmenso a drent'é.
Kaminda un dia tabata tin intrankilidat, kaminda un tempu el a sinti soledat, el a enkontrá su mes, el a sinti pas.
Porfín el a komprondé tambe ken e ta i ta ki ta e motibu di su eksistensia : E ta forma parti di e olanan. Ni mas ni menos. Sin dje lamán no ta kompleto. Ku e konosimentu ei e gota di awa a laga su mes kai den laman i den tur trankilidatmente el a bira unu ku naturalesa.
El a enkontrá su mes i e no tin nodi di sigui buska mas. E dia ei tambe el a komprondé ken e meuchi ta : su propio alma.
PORFIN EL A YEGA KAS DEN SU MES
Diana Marquez
Mei mei di e gotanan di awa tabata tin un ku no kera forma parti di e siklo i el a puntra su mes kon e por a skapa di e otro gotanan, ku tabata tuma rumbo pa lamán ku tabata warda nan aya bou.
"No, no" e gota di awa a pensa " mi no ke perde den e lamn grandi ei, mi mester ta liber pa mi por siña konosé mi mes. Mi mester buska un manera pa sal aki fo" i ku un salto el a libra su mes for di su kompañeronan i el a kai riba lomba di un meuwchi.
"Hei, gota di awa, ta ki bo ta hasi aki bo so asina?" e meuwchi a puntr'é asombrá.
E gota di awa a kont'é di kon el a bai laga e otro gotanan i el a puntr'é ku si e por sigui bula ku ne pa un temporada.
"Mi ke siña konosé mundu i mira kiko e hendenan ta hasi. Kisás asina mi por siña konosé mi mes".
E meuwchi di ta bon i huntu nan a sigui nan kaminda. Nan a bula asina serka di tera ku nan por a mira tur loke e hendenan tabata hasiendo riba e isla.
Después ku nan a bula pa basta ora e meuwchi a puntra e gota di awa ku si e ta kla pa sigui su kaminda huntu ku ne.
"No, ahinda no" e gota a kontestá. "M'a ripará ku tur hende ta okupá ku tur sorto di kos . Sin embargo mi a ripará tambe ku kasi tur ta sufri di un soledat inmenso".
"Si, bo tin rasón" e meuwchi a kontestá "i si bo keda mei mei di nan bo t bai hasi mes kos. Bo tambe lo buska tur sorto di distraikshon i abo tambe lo sinti e mes un soledat. Pero p'e otro banda lo ta un bon idea. Si ta bo deseo pa siña konosé bo mes, bo tambe mester pasa den e eksperensia ei i ora bo kumisá sinti e soledat te den bo alma a yega ora pa bo apartabu for di bo amigunan i buska silensio den naturalesa.Skuchando sonidu di laman i e kanto di paranan. Tambe drenta te den bo mes i skucha e latido di bo propio kurason. Lo bo enkontra bo mes i e dia ei lo bo haña sa tambe ken mi ta.
Ku e palabranan ei e meuwchi a bula bai.
Den kumisamentu e gota di awa a buska tur sorto di ko'i hasi i tambe tur sorto di distraikshon pusibel. E tabata gosa na smaak. Te un dia el a sinti kon poko poko un kansansio i un tristesa ta drent'é.
El a sinti un bashí tremendo den su kurason i un soledat inmenso a poderá di dje. Ora kasi e no por a want'é mas el a korda kiko e meuchi a bisé promé ku el a bula bai.
El a apartá su mes for di tur moveshon i pa un temporada largu el a pasa den kompleto soledat. Un silensio kasi kompleto si no tabata pa e kanto di e paranan i e sonidu di laman. Tabata un temporada hopi pisá pa e gota di awa, pero kordando e palabranan di e meuchi e no a sukumbí i el a drenta mas i mas te den su mes i e por a skucha e latido di su kurason.
Poko poko e tabata sinti kon un un trankilidat a kumisá drenta su kurason i un alegría inmenso a drent'é.
Kaminda un dia tabata tin intrankilidat, kaminda un tempu el a sinti soledat, el a enkontrá su mes, el a sinti pas.
Porfín el a komprondé tambe ken e ta i ta ki ta e motibu di su eksistensia : E ta forma parti di e olanan. Ni mas ni menos. Sin dje lamán no ta kompleto. Ku e konosimentu ei e gota di awa a laga su mes kai den laman i den tur trankilidatmente el a bira unu ku naturalesa.
El a enkontrá su mes i e no tin nodi di sigui buska mas. E dia ei tambe el a komprondé ken e meuchi ta : su propio alma.
PORFIN EL A YEGA KAS DEN SU MES
Diana Marquez
Tuesday, April 6, 2010
Konosé bo Isla 2010-04: Schoenmaker

Vraag: Hoe heette de schoenmaker die aan de Trapsteeg woonde?
Pregunta: Kon yama e sapaté ku tabata biba na Ser’i Trapi?
Sluitingsdatum: zondag 2 mei 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-03: antwoord
Antwoord: De (houten) dominosteen die ‘dòbel blanku’ heet is helemaal zwart.
Kontesta: E piedra di dominó (di palu) ku yama ‘dòbel blanku’ ta kompletamente pretu.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 6 goed:
Oswin Koeiman
Niels Augusta
Jamila Romero
Winsel Peney
Aileen Looman
Solange Nijdam
Flavia Vasco de Sousa
Yolanda Chakoetoe
Regina v/d Biest
De winnares is Aileen Looman.
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Kontesta: E piedra di dominó (di palu) ku yama ‘dòbel blanku’ ta kompletamente pretu.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 6 goed:
Oswin Koeiman
Niels Augusta
Jamila Romero
Winsel Peney
Aileen Looman
Solange Nijdam
Flavia Vasco de Sousa
Yolanda Chakoetoe
Regina v/d Biest
De winnares is Aileen Looman.
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Monday, March 29, 2010
Thursday, March 25, 2010
Het afscheid
Voorin in het zwart gekleed
haar droge ogen op de kist gericht
na veertig jaar nu eindelijk vrij
pakt zij de uitgestoken hand vast
mompelt zacht ‘es ku Dios ke’.
Zij zit naast de zijdeur in het wit
haar lange haren glanzend zwart
in haar hand een rozenkrans waarop zij telt
het gat dat valt in haar budget
‘como voy a vivir sin el’ prevelt zij.
Achterin steunt zij tegen de muur
haar ogen rood haar zakdoek nat
veertig jaar lang was hij er elke dag
niemand weet van haar bestaan
zij loopt naar voren en zij valt.
K.
haar droge ogen op de kist gericht
na veertig jaar nu eindelijk vrij
pakt zij de uitgestoken hand vast
mompelt zacht ‘es ku Dios ke’.
Zij zit naast de zijdeur in het wit
haar lange haren glanzend zwart
in haar hand een rozenkrans waarop zij telt
het gat dat valt in haar budget
‘como voy a vivir sin el’ prevelt zij.
Achterin steunt zij tegen de muur
haar ogen rood haar zakdoek nat
veertig jaar lang was hij er elke dag
niemand weet van haar bestaan
zij loopt naar voren en zij valt.
K.
Monday, March 15, 2010
Over mannen
Ik ben geen luistervink, maar alle gesprekken die ik gisteren opving van de jongedames tijdens de wandeltocht van Walking Funny, gingen over mannen. Wij vertrokken om zes uur ’s ochtends vanaf het SDK na eerst het volkslied te hebben gezongen. Vóór mij liepen twee dames.
‘...en zij kan maar geen partner vinden,’ zei de een met te breed uitgevallen heupen.
‘Natuurlijk niet,’ antwoordde de ander met gelatinebillen, ‘zij denkt dat zij God’s gift on earth is en wacht op de prins op het witte paard. Haar moeder heeft haar wijsgemaakt dat zij het mooiste meisje van het eiland is en dat alle mannen op haar geld uit zijn.’
‘Wat geld? Zij is zo gierig als Dagobert Duck. Zij rijdt al drie jaar in die kleine Toyota, terwijl zij zich best een SUV kan permitteren. Eergisteren belde zij mij in alle staten op om haar te komen halen. Zij had autopech op de Fokkerweg. De motor was afgeslagen en wilde niet meer starten. Zij had geluk dat zij nog niet de brug was opgereden.’
‘Ben je haar gaan halen? Waarom had zij niet een van die vele mannen gebeld die in De Heeren om haar heen fladderen?’
De gelatinebillen keek om. Ik liep haastig door. Wij waren Bon Biní Supermarkt gepasseerd en liepen in de richting van de Snipweg. Ik rook vers brood van de bakkerij. Een auto toeterde, ik lette even niet op het verkeer. Voetgangers hebben beslist geen voorrang, ook al zijn zij met een paar honderd man. De eerste waterpost. Ik nam twee plastic zakjes ijswater en haalde drie wandelaarsters in. Ik rook de geur van hun wetlook.
‘Wist jij dan niet dat zij met Erwin gaat? Dat is oud nieuws, dushi. Wij noemen hen Mr. en Mrs. Wednesday Night, want je ziet hen alleen woensdagavond samen in Olé Olé. Dan doen zij alsof zij elkaar toevallig daar ontmoet hebben. Zij denken dat iedereen gek is. Ik heb een keer met hen staan praten. Wat een saaie donder is die vent. Hij praat alleen maar over zijn werk en denkt dat hij de wijsheid in pacht heeft. Op zijn business kaart staan wel vijf titels achter zijn naam. Hij heeft blijkbaar in zijn studententijd alleen maar gestudeerd en had geen tijd voor meisjes. Een vogeltje heeft mij in het oor gefloten dat zij nog niet verder zijn gekomen dan een beetje zoenen en zij gaan al zes maanden met elkaar.’
‘Dan kan zij beter bidden tot Sint Erectus-in-de-grot.’
De derde die alleen maar had geluisterd, kreeg de slappe lach. Zij voelden mijn adem in hun nek. Ik glimlachte vriendelijk en knipoogde naar de eerste. Zij trok een gezicht alsof zij verse stront rook.
In de Snipweg hoorde ik iemand roepen. Ik liep voorbij het huis van een bevriend echtpaar. ‘Kompader!’ Ik hield mijn pas in. Zij stonden bij het hek. ‘Lust je versgeperste sinaasappelsap?’ En of ik dat lustte. IJskoud. Op dat moment passeerden drie slanke meisjes met een rotvaart. ‘Ik moet verder,’ antwoordde ik in de eerste versnelling.
Bij de verkeerslichten van Biesheuvel hielden agenten op motorfietsen het verkeer tegen. Gelukkig maar, anders had Walking Funny een paar leden minder. Hielden zij maar de drie slanke meisjes ook tegen, want die lieten zich niet inhalen. Ik versnelde mijn pas, het baatte niet. Toen kwam de redding. Een van de meisjes stopte en bukte om haar veters vast te maken. De andere twee wachtten op haar. Het ene meisje stond op en zij liepen weer verder. Zij hadden turboschoenen aan, ik had hen bijna ingehaald. Een kennis kwam naast mij lopen en knoopte een gesprek aan. Ik had geen zin om te praten en deed alsof ik last had van mijn knieën. Hij liep door.
Bij de rotonde van Saliña liepen tot mijn verbazing de drie slanke meisjes vóór mij. Zij waren gezellig aan het babbelen en hadden geen haast meer. Ik hield mijn pas in en bleef achter hen aan lopen.
‘... ja, jullie kennen hem vast en zeker. Hij heeft een ronde kale kop en loopt iedere ochtend bij Jan Thiel. Een heel aardige vent.’
Verrek, dacht ik, hebben zij het over mij?
K.
‘...en zij kan maar geen partner vinden,’ zei de een met te breed uitgevallen heupen.
‘Natuurlijk niet,’ antwoordde de ander met gelatinebillen, ‘zij denkt dat zij God’s gift on earth is en wacht op de prins op het witte paard. Haar moeder heeft haar wijsgemaakt dat zij het mooiste meisje van het eiland is en dat alle mannen op haar geld uit zijn.’
‘Wat geld? Zij is zo gierig als Dagobert Duck. Zij rijdt al drie jaar in die kleine Toyota, terwijl zij zich best een SUV kan permitteren. Eergisteren belde zij mij in alle staten op om haar te komen halen. Zij had autopech op de Fokkerweg. De motor was afgeslagen en wilde niet meer starten. Zij had geluk dat zij nog niet de brug was opgereden.’
‘Ben je haar gaan halen? Waarom had zij niet een van die vele mannen gebeld die in De Heeren om haar heen fladderen?’
De gelatinebillen keek om. Ik liep haastig door. Wij waren Bon Biní Supermarkt gepasseerd en liepen in de richting van de Snipweg. Ik rook vers brood van de bakkerij. Een auto toeterde, ik lette even niet op het verkeer. Voetgangers hebben beslist geen voorrang, ook al zijn zij met een paar honderd man. De eerste waterpost. Ik nam twee plastic zakjes ijswater en haalde drie wandelaarsters in. Ik rook de geur van hun wetlook.
‘Wist jij dan niet dat zij met Erwin gaat? Dat is oud nieuws, dushi. Wij noemen hen Mr. en Mrs. Wednesday Night, want je ziet hen alleen woensdagavond samen in Olé Olé. Dan doen zij alsof zij elkaar toevallig daar ontmoet hebben. Zij denken dat iedereen gek is. Ik heb een keer met hen staan praten. Wat een saaie donder is die vent. Hij praat alleen maar over zijn werk en denkt dat hij de wijsheid in pacht heeft. Op zijn business kaart staan wel vijf titels achter zijn naam. Hij heeft blijkbaar in zijn studententijd alleen maar gestudeerd en had geen tijd voor meisjes. Een vogeltje heeft mij in het oor gefloten dat zij nog niet verder zijn gekomen dan een beetje zoenen en zij gaan al zes maanden met elkaar.’
‘Dan kan zij beter bidden tot Sint Erectus-in-de-grot.’
De derde die alleen maar had geluisterd, kreeg de slappe lach. Zij voelden mijn adem in hun nek. Ik glimlachte vriendelijk en knipoogde naar de eerste. Zij trok een gezicht alsof zij verse stront rook.
In de Snipweg hoorde ik iemand roepen. Ik liep voorbij het huis van een bevriend echtpaar. ‘Kompader!’ Ik hield mijn pas in. Zij stonden bij het hek. ‘Lust je versgeperste sinaasappelsap?’ En of ik dat lustte. IJskoud. Op dat moment passeerden drie slanke meisjes met een rotvaart. ‘Ik moet verder,’ antwoordde ik in de eerste versnelling.
Bij de verkeerslichten van Biesheuvel hielden agenten op motorfietsen het verkeer tegen. Gelukkig maar, anders had Walking Funny een paar leden minder. Hielden zij maar de drie slanke meisjes ook tegen, want die lieten zich niet inhalen. Ik versnelde mijn pas, het baatte niet. Toen kwam de redding. Een van de meisjes stopte en bukte om haar veters vast te maken. De andere twee wachtten op haar. Het ene meisje stond op en zij liepen weer verder. Zij hadden turboschoenen aan, ik had hen bijna ingehaald. Een kennis kwam naast mij lopen en knoopte een gesprek aan. Ik had geen zin om te praten en deed alsof ik last had van mijn knieën. Hij liep door.
Bij de rotonde van Saliña liepen tot mijn verbazing de drie slanke meisjes vóór mij. Zij waren gezellig aan het babbelen en hadden geen haast meer. Ik hield mijn pas in en bleef achter hen aan lopen.
‘... ja, jullie kennen hem vast en zeker. Hij heeft een ronde kale kop en loopt iedere ochtend bij Jan Thiel. Een heel aardige vent.’
Verrek, dacht ik, hebben zij het over mij?
K.
Sunday, March 14, 2010
Integriteit
Ik kom de snèk één stap voor de twee politieagenten binnen. De eigenaar helpt de agenten. ‘Deze meneer is voor ons’, zegt de jongste van de twee, een broekie die nog amper tien boeven heeft gevangen. Ik maak aanstalten om te bestellen, maar de eigenaar negeert mij. ‘Wilt u iets drinken?’ vraagt hij aan de agenten. Deze knikken vriendelijk van nee. ‘Het is onze gewoonte om politieagenten een drankje aan te bieden,’ houdt de eigenaar vol. De glimlach van de oudere agent verdwijnt van zijn gezicht. Er is verder niemand in de snèk. ‘Kunnen wij bestellen?’ vraagt de jongere agent en bestelt twee broodjes ei met ham.
Dit heet integriteit. Anders dan de dure cursussen die de overheid organiseert. Onze politici kunnen hier een puntje aan zuigen.
Het doet mij denken aan een voorval, een tijd geleden. In een restaurant, waar ik in mijn eentje was gaan lunchen, kreeg ik een hele kreeft voorgeschoteld door de eigenaar zelf die mij bediende. Dit is een vergissing, dacht ik. ‘Nee, geen vergissing, meneer,’ zei de eigenaar, ‘een kreeft is toch lekkerder dan een kopje kreeftsoep?’ Ik kon hem geen ongelijk geven. Toen ik mijn kreeft op had, vroeg ik om de naar ik vreesde gepeperde rekening. Hij deed alsof hij mij niet hoorde. Toen begreep ik het, hij had in mij een politicus herkend. Een paar dagen tevoren had hij mij in gezelschap van een echte politicus gezien. Ik wenkte en vroeg weer om de rekening. ‘O nee, meneer,’ sprak hij buigend, ‘het was een eer u te bedienen. Ik hoop u spoedig terug te zien.’ Perplex verliet ik het etablissement. Ik heb nog steeds gewetenswroeging.
K.
Dit heet integriteit. Anders dan de dure cursussen die de overheid organiseert. Onze politici kunnen hier een puntje aan zuigen.
Het doet mij denken aan een voorval, een tijd geleden. In een restaurant, waar ik in mijn eentje was gaan lunchen, kreeg ik een hele kreeft voorgeschoteld door de eigenaar zelf die mij bediende. Dit is een vergissing, dacht ik. ‘Nee, geen vergissing, meneer,’ zei de eigenaar, ‘een kreeft is toch lekkerder dan een kopje kreeftsoep?’ Ik kon hem geen ongelijk geven. Toen ik mijn kreeft op had, vroeg ik om de naar ik vreesde gepeperde rekening. Hij deed alsof hij mij niet hoorde. Toen begreep ik het, hij had in mij een politicus herkend. Een paar dagen tevoren had hij mij in gezelschap van een echte politicus gezien. Ik wenkte en vroeg weer om de rekening. ‘O nee, meneer,’ sprak hij buigend, ‘het was een eer u te bedienen. Ik hoop u spoedig terug te zien.’ Perplex verliet ik het etablissement. Ik heb nog steeds gewetenswroeging.
K.
Friday, March 12, 2010
Schrijven
Ik heb een gelukkige jeugd gehad.
Mijn ouders waren niet gescheiden.
Mijn vader bemoeide zich niet met de opvoeding, dus kreeg ik nooit met de riem.
Ik at bij mijn oma, zij kookte lekkerder dan mijn moeder.
Ik ben niet misbruikt door de fraters.
Wanneer mijn oom dronken was, kreeg ik een gulden in plaats van een kwartje.
Sinterklaas liet bij mijn tante altijd een cadeautje achter voor mij.
Wij sliepen op de vloer, maar ik mocht in de vooravond op het bed van mijn opa slapen.
Ik vond een boterham met bruine suiker lekker.
Funchi met geraspte kaas ook.
Als oudste kind droeg ik nooit tweedehands kleren.
Ik hoefde geen misdienaar te worden.
Ik hoefde niet op het schoolplein in de felle zon te staan, omdat ik geen schoolgeld betaald had.
Het vriendinnetje van mijn vader had geen naam.
Mijn moeder had geen vriendje.
In mijn straat woonde maar één homo.
Chia was overdag geen prostituee.
De pastoor friemelde niet met zijn hand onder zijn habijt tijdens de biecht..
Ik was verliefd op het mooiste en kuiste meisje van de buurt.
Waar moet ik nou in hemelsnaam over schrijven?
K.
Mijn ouders waren niet gescheiden.
Mijn vader bemoeide zich niet met de opvoeding, dus kreeg ik nooit met de riem.
Ik at bij mijn oma, zij kookte lekkerder dan mijn moeder.
Ik ben niet misbruikt door de fraters.
Wanneer mijn oom dronken was, kreeg ik een gulden in plaats van een kwartje.
Sinterklaas liet bij mijn tante altijd een cadeautje achter voor mij.
Wij sliepen op de vloer, maar ik mocht in de vooravond op het bed van mijn opa slapen.
Ik vond een boterham met bruine suiker lekker.
Funchi met geraspte kaas ook.
Als oudste kind droeg ik nooit tweedehands kleren.
Ik hoefde geen misdienaar te worden.
Ik hoefde niet op het schoolplein in de felle zon te staan, omdat ik geen schoolgeld betaald had.
Het vriendinnetje van mijn vader had geen naam.
Mijn moeder had geen vriendje.
In mijn straat woonde maar één homo.
Chia was overdag geen prostituee.
De pastoor friemelde niet met zijn hand onder zijn habijt tijdens de biecht..
Ik was verliefd op het mooiste en kuiste meisje van de buurt.
Waar moet ik nou in hemelsnaam over schrijven?
K.
Saturday, March 6, 2010
Konosé bo Isla 2010-03: Huidskleur

Vraag: Waarom noemde men een persoon met een heel donkere huidskleur schertsend ‘dòbel blanku’?
Pregunta: Dikon nan tabata yama un persona koló hopi skur ‘dòbel blanku’ pa tenta?
Sluitingsdatum: zondag 4 april 2010
Prijs: een cadeaubon van The Movies
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-02: antwoord
Antwoord: Outo di hür
Er zijn 12 inzendingen, waarvan 11 goed:
Lianne Leonora
America Augusta
Joan Augusta
Jules Marchena
Ahlsen F. Rosina
Reginald Romer
Flavia Vasco de Sousa
Aliden Dalila
Madelyn Francisco
Regina v/d Biest
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
De winnares is Flavia Vasco de Sousa
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 12 inzendingen, waarvan 11 goed:
Lianne Leonora
America Augusta
Joan Augusta
Jules Marchena
Ahlsen F. Rosina
Reginald Romer
Flavia Vasco de Sousa
Aliden Dalila
Madelyn Francisco
Regina v/d Biest
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
De winnares is Flavia Vasco de Sousa
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Muhé, kreashon divino (2008.03.06)
Muhé,
semper bo mester a lucha
pa haña un trato hustu
te asta di esnan ku bo stima
historia a mustra
ku riba tur tereno
kada biaha di nobo
bo mester prueba bo mes
apesar di tur esakinan
bo no a keda marká
komo ku bo ta speshal
un obra maestral
sigui lucha
pa bo mes, i otronan
sigui lusi
pa iluminá i duna direkshon
bo ta e fòrti fuerte
e brasa pa refugio
e fuente pa motivá
i e kurason pa komprondé
Muhé
bo ta e esensia di bida
reina di tur rei
solamente, no ta tur sa esei
Hensley F. Koeiman
568-8709
semper bo mester a lucha
pa haña un trato hustu
te asta di esnan ku bo stima
historia a mustra
ku riba tur tereno
kada biaha di nobo
bo mester prueba bo mes
apesar di tur esakinan
bo no a keda marká
komo ku bo ta speshal
un obra maestral
sigui lucha
pa bo mes, i otronan
sigui lusi
pa iluminá i duna direkshon
bo ta e fòrti fuerte
e brasa pa refugio
e fuente pa motivá
i e kurason pa komprondé
Muhé
bo ta e esensia di bida
reina di tur rei
solamente, no ta tur sa esei
Hensley F. Koeiman
568-8709
Tuesday, March 2, 2010
De duivel
Het regende stenen op het zinken dak van Tonton’s huis. Tonton kwam vloekend naar buiten en gilde alle scheldwoorden die zij maar kon bedenken. Sommige had ik nooit eerder gehoord. Zij hadden allemaal te maken met de moeder van de stenengooier. Tonton was Oma’s nicht en naaste buur, broodmager en hyperactief. Ik had haar nooit rustig zien zitten, zij was altijd in het weer.
‘Verdomde duivel, ga terug naar de hel of ga je moeder lastig vallen, maar laat mij met rust.’
Oma was intussen ook gearriveerd op de plaats des onheils met een houten crucifix in haar hand en deed er een schepje bovenop. ‘Satanas, bai fièrnu.’ Zij had nog sporen van het askruisje op haar voorhoofd, teken dat zij de hele dag haar gezicht niet had gewassen.
‘Heb je je gezicht gewassen, Tonton?’ vroeg zij en keek streng naar Tonton’s voorhoofd.
‘Nee. Waarom?’
‘Dan heb je vanochtend geen askruisje gehaald in de kerk.’
‘Nee,’ antwoordde Tonton, ‘ik doe niet aan die onzin. De kerk zit vol met hypocrieten. Zij zondigen ’s nachts en beloven boetedoening overdag. Ik zondig niet en hoef ook niet te boeten.’
‘Zie je wel, zie je wel,’ reageerde Oma opgewonden, ‘jij bent een heiden. Jij wordt belaagd door de duivel.’
Zij was amper uitgesproken of er viel een steen op het dak van haar huis. Tonton keek spottend naar haar voorhoofd. In de vastentijd liep de duivel los.
Die ochtend was Oma vroeg opgestaan om in de kerk van Santa Rosa een askruisje te halen. Zij had maar een paar uurtjes geslapen, want de avond tevoren hadden zij, de vrouwen uit de buurt, tot laat in de nacht de afsluiting van carnaval gevierd. Zij hadden niet de moeite genomen Tonton uit te nodigen, om een scheldtirade te vermijden. Voordat zij uit huis ging, had zij alle vleeswaar uit de koelkast gehaald en in een zak gestopt, ook het beleg. Veel was het niet, maar toch. Onderweg naar de kerk smeet zij de zak in de mondi. De honden konden feestvieren.
Na de kerk zat iedereen aan tafel sip te kijken. ‘Brood met boter,’ beantwoordde Oma de trieste blikken, ‘de vastentijd is begonnen.’ Nu aten wij vaker brood met boter, vasten of geen vasten, maar de vooruitzichten waren somber. ‘Vanmiddag eten wij funchi met masbangu,’ bood Oma enig perspectief.
Na die belofte moest Oom Kayochi het hele eiland afstruinen op zoek naar masbangu. Vóór het middaguur kwam hij terug met vis, maar geen masbangu. Hij moest stante pede terugkeren. ‘Desnoods ga je zelf vissen,’ riep Oma hem na.
Behalve de onthouding van het eten van vlees, vielen de andere ontberingen van de vastentijd ons niet zwaar, wij waren niet veel gewend. Voor Oom Kayochi was het anders, hij moest zijn rum laten staan. Oma was daar streng in en rum rook je van ver. Daarom ging Oom in de vastentijd stiekem over op jenever. Die was blijkbaar reukloos. Waar hij de fles verstopte was een raadsel, zelfs wij konden die niet vinden.
Oma en Tonton waren allebei naar binnen gegaan, het was een uur of acht in de avond. In de verte hoorde ik de stenen op de daken van de huizen vallen en besloot het spoor van de duivel te volgen. Ik nam een kortere weg door de mondi. Plotseling dook een gestalte voor mij op uit het donker. Het was Irvin, een jongen die verderop in een houten huis tegen de heuvel woonde en ze niet allemaal op een rijtje had.
‘Je laat mij schrikken,’ zei ik streng. ‘Wat doe je op dit uur in de mondi?’
‘Dat kan ik ook aan jou vragen,’ antwoordde hij.
Hij had iets in zijn hand die hij probeerde te verbergen, maar ik herkende de slinger. Alle duivels nog aan toe.
K.
‘Verdomde duivel, ga terug naar de hel of ga je moeder lastig vallen, maar laat mij met rust.’
Oma was intussen ook gearriveerd op de plaats des onheils met een houten crucifix in haar hand en deed er een schepje bovenop. ‘Satanas, bai fièrnu.’ Zij had nog sporen van het askruisje op haar voorhoofd, teken dat zij de hele dag haar gezicht niet had gewassen.
‘Heb je je gezicht gewassen, Tonton?’ vroeg zij en keek streng naar Tonton’s voorhoofd.
‘Nee. Waarom?’
‘Dan heb je vanochtend geen askruisje gehaald in de kerk.’
‘Nee,’ antwoordde Tonton, ‘ik doe niet aan die onzin. De kerk zit vol met hypocrieten. Zij zondigen ’s nachts en beloven boetedoening overdag. Ik zondig niet en hoef ook niet te boeten.’
‘Zie je wel, zie je wel,’ reageerde Oma opgewonden, ‘jij bent een heiden. Jij wordt belaagd door de duivel.’
Zij was amper uitgesproken of er viel een steen op het dak van haar huis. Tonton keek spottend naar haar voorhoofd. In de vastentijd liep de duivel los.
Die ochtend was Oma vroeg opgestaan om in de kerk van Santa Rosa een askruisje te halen. Zij had maar een paar uurtjes geslapen, want de avond tevoren hadden zij, de vrouwen uit de buurt, tot laat in de nacht de afsluiting van carnaval gevierd. Zij hadden niet de moeite genomen Tonton uit te nodigen, om een scheldtirade te vermijden. Voordat zij uit huis ging, had zij alle vleeswaar uit de koelkast gehaald en in een zak gestopt, ook het beleg. Veel was het niet, maar toch. Onderweg naar de kerk smeet zij de zak in de mondi. De honden konden feestvieren.
Na de kerk zat iedereen aan tafel sip te kijken. ‘Brood met boter,’ beantwoordde Oma de trieste blikken, ‘de vastentijd is begonnen.’ Nu aten wij vaker brood met boter, vasten of geen vasten, maar de vooruitzichten waren somber. ‘Vanmiddag eten wij funchi met masbangu,’ bood Oma enig perspectief.
Na die belofte moest Oom Kayochi het hele eiland afstruinen op zoek naar masbangu. Vóór het middaguur kwam hij terug met vis, maar geen masbangu. Hij moest stante pede terugkeren. ‘Desnoods ga je zelf vissen,’ riep Oma hem na.
Behalve de onthouding van het eten van vlees, vielen de andere ontberingen van de vastentijd ons niet zwaar, wij waren niet veel gewend. Voor Oom Kayochi was het anders, hij moest zijn rum laten staan. Oma was daar streng in en rum rook je van ver. Daarom ging Oom in de vastentijd stiekem over op jenever. Die was blijkbaar reukloos. Waar hij de fles verstopte was een raadsel, zelfs wij konden die niet vinden.
Oma en Tonton waren allebei naar binnen gegaan, het was een uur of acht in de avond. In de verte hoorde ik de stenen op de daken van de huizen vallen en besloot het spoor van de duivel te volgen. Ik nam een kortere weg door de mondi. Plotseling dook een gestalte voor mij op uit het donker. Het was Irvin, een jongen die verderop in een houten huis tegen de heuvel woonde en ze niet allemaal op een rijtje had.
‘Je laat mij schrikken,’ zei ik streng. ‘Wat doe je op dit uur in de mondi?’
‘Dat kan ik ook aan jou vragen,’ antwoordde hij.
Hij had iets in zijn hand die hij probeerde te verbergen, maar ik herkende de slinger. Alle duivels nog aan toe.
K.
Thursday, February 18, 2010
Carnaval
Mijn oom en een even oude vriend zitten aan een tafel. Voor hen staat een fles White Label whisky, een bakje met ijsblokjes, een schepje en twee half gevulde glazen. Zij kijken voor zich uit en zeggen niets. Zij hebben geen woorden nodig om te communiceren. Af en toe werpt mijn oom een blik op de televisie. Carnavalsgroepen trekken voorbij voor de camera van Telecuraçao in Marchena. De verslaggeefster interviewt een carnavalsvierder en de camera is gericht op iemand anders. Asynchroon televisie maken, een nieuwe techniek.
Aan de bar zitten drie Nederlanders. Zij drinken Polar, uit solidariteit met het volk. Heineken is not done. Eentje zit op een te lage kruk. Er is maar één lage kruk aan de bar, een soort strafbankje. Cafés hebben zo hun regels: ‘Wie te veel zuipt, moet op de lage kruk zitten’.
Ik bestel een ijsthee. Mijn oom kijkt met afschuw naar het blikje.
‘Neem jij geen borrel?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
In Netto Bar is iedereen kort van stof.
‘Ben je gaan lopen?’
‘Ja.’
Ik heb gelopen van de Breedestraat naar Habaai en terug, om mijn gezicht te laten zien. Ik ben een tijdje afwezig geweest, wat op Curaçao maar drie dingen kan betekenen: Bon Futuro, Nederland of dood. Geen van de drie opties was op mij van toepassing. Ik kwam veel kennissen tegen. ‘Blij je te zien, sua, je ziet er prima uit.’ Vrouwen omhelsden mij. Gemiste kans, dacht ik van een schoonheid.
‘Jammer dat de stoet hier niet langskomt,’ zeg ik tegen mijn oom.
‘Nee hoor, ik vind het prima zo,’ antwoordt hij.
Stilte.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘De Dominicaanse vrouwen. Vorige week zondag na carnaval was er een vechtpartij aan de overkant. Toen de politie weg was, begonnen de vrouwen te vechten. Drie tegen een. Een man kwam tussenbeide en werd door een van de vrouwen gevloerd.’
Ik krijg een slok koud water met whisky over mij heen. De vriend heeft zich verslikt. Hij luisterde niet naar het gesprek, daar kwam het niet van. Misschien is hij ingedommeld met een slok in zijn mond. De barman is er snel bij. Goede bediening.
Er stonden veel toeristen langs de weg.
‘Are you guys celebrating Independence Day?’ vroeg een Amerikaanse.
‘Yes,’ antwoordde ik, ‘independent for one day.’ Daar kon zij haar geschiedenisboeken over naslaan.
Er brak een vechtpartij los in de Roodeweg tussen twee groepen mariniers. In de buurt stonden veel Nederlanders. Iedereen begon te rennen.
‘Kom, laten wij weggaan,’ zei een van hen, ‘het wordt hier gevaarlijk, straks gaan zij schieten.’
‘Onzin,’ zei ik, ‘overal waar er veel mensen zijn wordt er gevochten, ook in Nederland.’
‘Ik was ook in Hoek van Holland,’ hield hij vol. Een ambulance reed met sirene en zwaailichten aan dwars door de menigte heen richting Habaai.
Om vier uur ’s middags dacht ik dat de route weer verlegd was en de stoet niet meer door de Roodeweg kwam. Ik liep naar de Netto Bar.
Op de televisie danst al meer dan een half uur dezelfde groep voor de camera. Onderaan op het scherm scrolt een tekst waarin Telecuraçao het volk oproept om zich voorbeeldig te gedragen langs de route. Maar het volk langs de route kijkt op dat moment geen televisie. Na mijn derde ijsthee sta ik op om te vertrekken.
‘Tot dinsdagavond?’ vraagt mijn oom.
‘Ja,’ lieg ik.
K.
Aan de bar zitten drie Nederlanders. Zij drinken Polar, uit solidariteit met het volk. Heineken is not done. Eentje zit op een te lage kruk. Er is maar één lage kruk aan de bar, een soort strafbankje. Cafés hebben zo hun regels: ‘Wie te veel zuipt, moet op de lage kruk zitten’.
Ik bestel een ijsthee. Mijn oom kijkt met afschuw naar het blikje.
‘Neem jij geen borrel?’ vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik.
In Netto Bar is iedereen kort van stof.
‘Ben je gaan lopen?’
‘Ja.’
Ik heb gelopen van de Breedestraat naar Habaai en terug, om mijn gezicht te laten zien. Ik ben een tijdje afwezig geweest, wat op Curaçao maar drie dingen kan betekenen: Bon Futuro, Nederland of dood. Geen van de drie opties was op mij van toepassing. Ik kwam veel kennissen tegen. ‘Blij je te zien, sua, je ziet er prima uit.’ Vrouwen omhelsden mij. Gemiste kans, dacht ik van een schoonheid.
‘Jammer dat de stoet hier niet langskomt,’ zeg ik tegen mijn oom.
‘Nee hoor, ik vind het prima zo,’ antwoordt hij.
Stilte.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘De Dominicaanse vrouwen. Vorige week zondag na carnaval was er een vechtpartij aan de overkant. Toen de politie weg was, begonnen de vrouwen te vechten. Drie tegen een. Een man kwam tussenbeide en werd door een van de vrouwen gevloerd.’
Ik krijg een slok koud water met whisky over mij heen. De vriend heeft zich verslikt. Hij luisterde niet naar het gesprek, daar kwam het niet van. Misschien is hij ingedommeld met een slok in zijn mond. De barman is er snel bij. Goede bediening.
Er stonden veel toeristen langs de weg.
‘Are you guys celebrating Independence Day?’ vroeg een Amerikaanse.
‘Yes,’ antwoordde ik, ‘independent for one day.’ Daar kon zij haar geschiedenisboeken over naslaan.
Er brak een vechtpartij los in de Roodeweg tussen twee groepen mariniers. In de buurt stonden veel Nederlanders. Iedereen begon te rennen.
‘Kom, laten wij weggaan,’ zei een van hen, ‘het wordt hier gevaarlijk, straks gaan zij schieten.’
‘Onzin,’ zei ik, ‘overal waar er veel mensen zijn wordt er gevochten, ook in Nederland.’
‘Ik was ook in Hoek van Holland,’ hield hij vol. Een ambulance reed met sirene en zwaailichten aan dwars door de menigte heen richting Habaai.
Om vier uur ’s middags dacht ik dat de route weer verlegd was en de stoet niet meer door de Roodeweg kwam. Ik liep naar de Netto Bar.
Op de televisie danst al meer dan een half uur dezelfde groep voor de camera. Onderaan op het scherm scrolt een tekst waarin Telecuraçao het volk oproept om zich voorbeeldig te gedragen langs de route. Maar het volk langs de route kijkt op dat moment geen televisie. Na mijn derde ijsthee sta ik op om te vertrekken.
‘Tot dinsdagavond?’ vraagt mijn oom.
‘Ja,’ lieg ik.
K.
Sunday, February 7, 2010
Konosé bo Isla 2010-02: Openbaar Vervoer

Het openbaar vervoer op Curaçao kent de kleine bus, de konvoi en de taxi. Vroeger was het niet ongebruikelijk om een taxi een hele zondag af te huren om naar een communiefeest op Banda Bou te gaan. De taxichauffeur feestte mee.
Vraag: Hoe heette de taxi vroeger?
Sluitingsdatum: zondag 7 maart 2010
Prijs: een cadeaubon van Boekhandel Mensing
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-01: antwoord
Antwoord: koko makaku
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 3 goed:
Rudy Hollander
Solange Lopez
Yolanda Chakoetoe
America Augusta
Jules Marchena
Verna Lopez
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Joan Augusta
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 9 inzendingen, waarvan 3 goed:
Rudy Hollander
Solange Lopez
Yolanda Chakoetoe
America Augusta
Jules Marchena
Verna Lopez
Frans Kapteijns
L.J.Chr. Dee
Joan Augusta
De winnares is Yolanda Chakoetoe
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Sunday, January 24, 2010
Logeren
Oma Polita en Oma Maria waren aan elkaar gewaagd, geen van beide was op haar mondje gevallen. Oma Polita ging in het rood gekleed en Oma Maria in het groen, want het was verkiezingstijd. Behalve het verschil in kleur van de kleding, betekende deze tijd ook een tijdelijke opschorting van de communicatie. Alleen het hoog nodige werd tegen elkaar gezegd. Op zich niet echt een ramp,Oma Polita woonde in Otrobanda en Oma Maria in Montaña, dus zij kwamen elkaar niet elke dag tegen. De ramp trof ons, de kleinkinderen, wij hielden evenveel van beide oma’s.
Wij woonden bij Oma Polita in de Gasthuisstraat. De hele buurt was demokrat, aanhangers van Partido Demokrat onder leiding van Papi Kar’i Apel, Efrain Jonckheer (in die tijd nog geen Dr. Efrain Jonckheer). Papi Kar’i Apel had een mooie blos op zijn wangen en alleen daarom al zou je op hem willen stemmen. Maar Oma Polita had ook haar persoonlijke redenen. Het toeval wilde dat de huisbaas een fervente demokrat was en op de lijst van de partij stond. Dus als je geen huishuur betaalde, kon je tenminste op zijn partij stemmen.
Montaña, waar Oma Maria woonde, was groen, niet vanwege het lover, maar vanwege de grote verkiezingsborden van Partido Nashonal met erop het portret van Dòktor, mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gomez, de welbespraakte leider van de partij. In grote lijnen was dit de verdeling: de stad was rood en de buitendistricten waren groen. ‘Jullie zijn groen en jullie blijven groen,’ predikte Dòktor, wat natuurlijk door de aanhangers van Partido Demokrat verkeerd werd uitgelegd.
Op de zaterdagen kwam Oma Maria in de stad haar grote inkopen doen en vaak mochten wij ’s middags mee naar Montaña om daar een weekeinde te logeren. Zondagavond werden wij teruggebracht. Die weekeinden waren voor ons het mooiste wat er bestond. Oma Maria woonde in een kunukuhuis en binnen rook het naar kunuku. Angandi, haar oude moeder, dus onze overgrootmoeder, en Oom Ie, de broer van Angandi, woonden ook daar, waardoor het huis iets mysterieus kreeg. Oom Ie zat ‘s avonds in een schommelstoel naast de voordeur en vertelde in het licht van een petroleumlampje spannende verhalen over de verre reizen die hij vroeger gemaakt had. Angandi was eeuwig aan het inpakken om naar huis te gaan, zij dementeerde. ‘s Morgens stonden wij heel vroeg op en ontbeten met kruidenthee, pan será en eieren, die wij onder de cactusstruiken vonden. Na het eten gingen wij met katapulten jagen op totolika’s, musduifjes.
Nu was daar geen sprake van. Oma Maria kwam niet op bezoek op de zaterdagen en van Oma Polita moesten wij niet zeuren, wanneer wij naar haar vroegen.
Mijn moeder had een Singer naaimachine die zij met de voeten aandreef en zodoende beide handen vrij had, het nieuwste van het nieuwste. Zij naaide de kleren voor de verkiezingsdag. Verschillende modellen: rode bloes, witte rok; witte bloes, rode rok; witte jurk met rode ballen; rode jurk met witte ballen; half rood, half witte rokken met bijbehorende bloesjes; enfin, alle combinaties van rood en wit die zij maar kon bedenken.
Oma Maria hield het simpel, op verkiezingsdag had zij een grasgroene jurk aan en een wit hoofddoek om. Zij verscheen plotseling in de steegjes van Otrobanda alsof zij verdwaald was. Waar zij naartoe ging, was voor Oma Polita een raadsel. Er was maar één mogelijkheid. In de Carthagenastraat woonde de enige nashonalista van de buurt, een dappere man. Een paar dagen eerder had hij een groot portret van Dòktor op zijn voordeur geplakt. De volgende ochtend was het portret beklad met Chinese inkt, iemand had er een volle pot inkt tegenaan gegooid.
In Sentro Demokrat in de Breedestraat was het vanaf ’s ochtends vroeg feest. Nos ta vota demokrat, e partido di bèrdat, klonk het luid uit trechtervormige luidsprekers. Het was een komen en gaan van mensen. Oma Polita droeg bakken met eten weg. Thuis vergaten wij dat wij Oma Maria misten. ’s Avonds zat iedereen gekluisterd aan de radio. Stembureau Sint Thomas College, hoera, Demokrat won. Stembureau Buurtcentrum Montaña, boe, Nashonal won.
Middernacht won Partido Nashonal de verkiezingen. ‘s Ochtends zat Partido Demokrat in de regering. Het weekeinde logeerden wij bij Oma Maria.
K.
Wij woonden bij Oma Polita in de Gasthuisstraat. De hele buurt was demokrat, aanhangers van Partido Demokrat onder leiding van Papi Kar’i Apel, Efrain Jonckheer (in die tijd nog geen Dr. Efrain Jonckheer). Papi Kar’i Apel had een mooie blos op zijn wangen en alleen daarom al zou je op hem willen stemmen. Maar Oma Polita had ook haar persoonlijke redenen. Het toeval wilde dat de huisbaas een fervente demokrat was en op de lijst van de partij stond. Dus als je geen huishuur betaalde, kon je tenminste op zijn partij stemmen.
Montaña, waar Oma Maria woonde, was groen, niet vanwege het lover, maar vanwege de grote verkiezingsborden van Partido Nashonal met erop het portret van Dòktor, mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gomez, de welbespraakte leider van de partij. In grote lijnen was dit de verdeling: de stad was rood en de buitendistricten waren groen. ‘Jullie zijn groen en jullie blijven groen,’ predikte Dòktor, wat natuurlijk door de aanhangers van Partido Demokrat verkeerd werd uitgelegd.
Op de zaterdagen kwam Oma Maria in de stad haar grote inkopen doen en vaak mochten wij ’s middags mee naar Montaña om daar een weekeinde te logeren. Zondagavond werden wij teruggebracht. Die weekeinden waren voor ons het mooiste wat er bestond. Oma Maria woonde in een kunukuhuis en binnen rook het naar kunuku. Angandi, haar oude moeder, dus onze overgrootmoeder, en Oom Ie, de broer van Angandi, woonden ook daar, waardoor het huis iets mysterieus kreeg. Oom Ie zat ‘s avonds in een schommelstoel naast de voordeur en vertelde in het licht van een petroleumlampje spannende verhalen over de verre reizen die hij vroeger gemaakt had. Angandi was eeuwig aan het inpakken om naar huis te gaan, zij dementeerde. ‘s Morgens stonden wij heel vroeg op en ontbeten met kruidenthee, pan será en eieren, die wij onder de cactusstruiken vonden. Na het eten gingen wij met katapulten jagen op totolika’s, musduifjes.
Nu was daar geen sprake van. Oma Maria kwam niet op bezoek op de zaterdagen en van Oma Polita moesten wij niet zeuren, wanneer wij naar haar vroegen.
Mijn moeder had een Singer naaimachine die zij met de voeten aandreef en zodoende beide handen vrij had, het nieuwste van het nieuwste. Zij naaide de kleren voor de verkiezingsdag. Verschillende modellen: rode bloes, witte rok; witte bloes, rode rok; witte jurk met rode ballen; rode jurk met witte ballen; half rood, half witte rokken met bijbehorende bloesjes; enfin, alle combinaties van rood en wit die zij maar kon bedenken.
Oma Maria hield het simpel, op verkiezingsdag had zij een grasgroene jurk aan en een wit hoofddoek om. Zij verscheen plotseling in de steegjes van Otrobanda alsof zij verdwaald was. Waar zij naartoe ging, was voor Oma Polita een raadsel. Er was maar één mogelijkheid. In de Carthagenastraat woonde de enige nashonalista van de buurt, een dappere man. Een paar dagen eerder had hij een groot portret van Dòktor op zijn voordeur geplakt. De volgende ochtend was het portret beklad met Chinese inkt, iemand had er een volle pot inkt tegenaan gegooid.
In Sentro Demokrat in de Breedestraat was het vanaf ’s ochtends vroeg feest. Nos ta vota demokrat, e partido di bèrdat, klonk het luid uit trechtervormige luidsprekers. Het was een komen en gaan van mensen. Oma Polita droeg bakken met eten weg. Thuis vergaten wij dat wij Oma Maria misten. ’s Avonds zat iedereen gekluisterd aan de radio. Stembureau Sint Thomas College, hoera, Demokrat won. Stembureau Buurtcentrum Montaña, boe, Nashonal won.
Middernacht won Partido Nashonal de verkiezingen. ‘s Ochtends zat Partido Demokrat in de regering. Het weekeinde logeerden wij bij Oma Maria.
K.
Wednesday, January 6, 2010
Movementu
Bòchi Blòblò a entregá su lista
Movementu Bai Flit
e mes na kabes komo lider
den bòm ta karga lista
ilustre mr. Piki Pieu.
El a publiká su programa:
un, hisa sueldo mínimo
dos, hisa penshun di ansiano
tres, hisa ònderstant
frishidèr den tur kushina
televishon den kada sala
outo den tur kurá.
Su propio kódigo di kondukta:
rèspèt pa bo kontrinkante
no ta kumpra voto
no ta tira ku lodo
ni riba porko den chiké.
Ata enkuesta ta mustra
Stradivarius, el a kere ta ko’i toka
Movementu Bai Flit ta kresiendo
kampaña apénas a kuminsá.
Kakalaka blanku a yama den sekreto
nan a reuní den kamber segundo
ora Bòchi bira minister presidente
si e laga nan wak den kushina
kakalaka blanku lo manda bonchi
den bapor ku master di oro.
Bòchi a papia kuchikuchi:
Pieu, nos a biba antó.
Kompader
Movementu Bai Flit
e mes na kabes komo lider
den bòm ta karga lista
ilustre mr. Piki Pieu.
El a publiká su programa:
un, hisa sueldo mínimo
dos, hisa penshun di ansiano
tres, hisa ònderstant
frishidèr den tur kushina
televishon den kada sala
outo den tur kurá.
Su propio kódigo di kondukta:
rèspèt pa bo kontrinkante
no ta kumpra voto
no ta tira ku lodo
ni riba porko den chiké.
Ata enkuesta ta mustra
Stradivarius, el a kere ta ko’i toka
Movementu Bai Flit ta kresiendo
kampaña apénas a kuminsá.
Kakalaka blanku a yama den sekreto
nan a reuní den kamber segundo
ora Bòchi bira minister presidente
si e laga nan wak den kushina
kakalaka blanku lo manda bonchi
den bapor ku master di oro.
Bòchi a papia kuchikuchi:
Pieu, nos a biba antó.
Kompader
Monday, January 4, 2010
Konosé bo Isla 2010-01: Gevechtsstokken
Vroeger duelleerde de mannen op Curaçao met stokken en men hield pas op tot een van de partijen aan zijn hoofd bloedde. Deze stokken hadden een bepaalde naam. Op school werden wij bang gemaakt met stokken die men voor de grap ook zo noemde.
Vraag: Hoe werden deze stokken genoemd?
Sluitingsdatum: zondag 7 februari 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Vraag: Hoe werden deze stokken genoemd?
Sluitingsdatum: zondag 7 februari 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel
Sponsor: Datelnet n.v.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2009-11: antwoord
Antwoord: Pan di fòrnu òf pan buskuchi
Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:
Flavia Vasco de Sousa
Polly Ruiz
Solange Nijdam
America Augusta
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Solainche Enthoven
Frans Kapteijns
De winnares is Solange Nijdam
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 9 inzendingen, allemaal goed:
Flavia Vasco de Sousa
Polly Ruiz
Solange Nijdam
America Augusta
Yolanda Chakoetoe
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Solainche Enthoven
Frans Kapteijns
De winnares is Solange Nijdam
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Nu verkrijgbaar in Nederland

Curaçao, kort door de bocht is nu verkrijgbaar in Nederland. Prijs 12,50 euro, inclusief verzendkosten.
Stuur een mail naar Roy Evers
Telefoon
De geur van kokende mondongo trekt door het hele huis, tot in de slaapkamers. Nènè doet de deur van de keuken wijd open.
‘Het stinkt naar hondenvoer,’ schreeuwt Annie vanuit de huiskamer. Annie, een prostituee in ruste, geblondeerde haren, vuurrode lippen, niet kort maar ook niet lang, een sigaret tussen de vingers die zij niet opsteekt.
‘Hou jij je mond en kom mij liever helpen met het schillen van de pompoen,’ schreeuwt Nènè terug vanuit de keuken.
‘Om de dooie dood niet, Sonny, ik moet niets hebben van die stank’
Nènè had die ochtend vroeg de pens gehaald bij Nos Kosecha op de Hilledijk. Duur. Vroeger kreeg hij een zak pens gratis van Ome Henk, de beste slager in Zuid. God hebbe zijn ziel.
‘Voor de hond, ‘ zei hij altijd tegen Ome Henk.
‘Voor de grote zwarte boxer zeker,’ antwoordde Ome Henk en zij lachten hartelijk. De slager was de enige die zich zo’n grap kon permitteren.
Nènè was een geduchte zwaargewicht bokser dertig, veertig jaar geleden. Zijn vrienden noemden hem Sonny Liston. Zijn linker betekende het ziekenhuis en zijn rechtse directe de begraafplaats. Voor Annie is hij Sonny gebleven. Komende zomer is Nènè precies 45 jaar in Nederland.
‘Wie zit er aan de warmwaterkraan te klooien?’ klinkt het vanuit de badkamer.
‘Jij staat al meer dan een half uur onder de douche,’ roept Nènè, ‘van al dat schrobben word je heus niet blanker.’
De deur van de badkamer zwaait open, een stoomwolk vult de gang. ‘Ik heb een tuintje in me hart maar alleen voor jou.’
‘Zo, Mimi, je bent niet blanker geworden, maar wel mooier. En mooi zingen kun je ook.’
‘Goede middag, tante Annie. Pa, doe die verrekte deur dicht, ik bevries bijna.’
Mimi is de jongste van de tien of elf kinderen, hij is de tel kwijt, van Nènè en de enige die zich om hem bekommert. Mimi woont bij hem in, haar moeder is op een kwaaie dag met de noorderzon vertrokken. Zij zit in de laatste klas van het gymnasium. ‘Dat heeft niets met gymnastiek te maken, Pa,’ moet zij zo vaak uitleggen, wanneer haar vader tegen zijn vrienden opschept.
‘Mimi, verdomme, waar zijn de varkensoren? Ik kan ze nergens vinden.’
‘Kijk in de vuilnisbak.’
Annie ligt in een deuk.
‘Jullie kunnen allebei op het dak gaan zitten.’
Vroeger had hij andere taal gebezigd, maar dat verleden ligt nu achter hem. In de zomer van 1965 was hij met een groep landgenoten in Nederland aangekomen om in de Rotterdamse haven te werken. Een werkgelegenheidproject, met veel mooie beloften. De realiteit was anders, schrobben in de kou. Tegen december van hetzelfde jaar werkte niemand meer van de groep in de haven. Nènè, toen Sonny, was naar Amsterdam vertrokken om een carrière als bokser op te bouwen. Op de Zeedijk leerde hij Annie kennen, een blonde schoonheid. Zij stond achter de tap en werd door de caféhouder gekoeioneerd. ‘Ga vlug de drie Engelse klanten bedienen, in plaats van tegen die zwarte te staan ginnegappen.’ De bareigenaar hield een hersenschudding over aan die opmerking. Annie was op slag verliefd.
‘Geen grapjes, Mimi, waar heb je de varkensoren gelaten? Zij zaten in jouw boodschappentas.’
‘In de vriezer.’
‘Domoor, zij zijn gezouten, zij hoeven niet in de koelkast.’
‘Vel over kraakbeen, bah, wat is daar voor lekkers aan?’ vraagt Annie zich hardop af.
‘Meelballen met krenten in frituurvet, wat is daar voor lekkers aan?’ stelt Nènè een wedervraag.
‘Oliebollen, lekker,’ gilt Mimi vanuit de slaapkamer.
Die meid is goud waard, zeiden zijn vrienden wanneer zij Sonny met Annie samen zagen. Eerst had hij niet door wat zij bedoelden, maar het werd hem algauw duidelijk toen hij langs de wallen liep. Annie maakte bezwaar, maar had geen keus. Door de week reed Sonny in een Mercedes en op feestdagen in een BMW. Annie ging op de fiets.
In al die jaren is Nènè maar drie keer op Curaçao geweest met vakantie, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. Ieder jaar neemt hij zich voor om met Kerst te gaan, maar diep in zijn hart is hij bang. Bang dat hij de mensen niet meer zou herkennen, zijn jeugdvrienden, zijn buren. Bang om zijn oude moeder te zien. Ieder jaar viert hij de feestdagen op zijn Curaçaos. In zijn buurt is dat niet moeilijk, alles is te krijgen.
‘Sonny, telefoon, je moeder om je bon aña te wensen,’ roept Annie.
Nènè blijft stil. Hij sluit zich op in de badkamer om zijn tranen te drogen.
‘Ik bel terug,’ schreeuwt hij.
K.
‘Het stinkt naar hondenvoer,’ schreeuwt Annie vanuit de huiskamer. Annie, een prostituee in ruste, geblondeerde haren, vuurrode lippen, niet kort maar ook niet lang, een sigaret tussen de vingers die zij niet opsteekt.
‘Hou jij je mond en kom mij liever helpen met het schillen van de pompoen,’ schreeuwt Nènè terug vanuit de keuken.
‘Om de dooie dood niet, Sonny, ik moet niets hebben van die stank’
Nènè had die ochtend vroeg de pens gehaald bij Nos Kosecha op de Hilledijk. Duur. Vroeger kreeg hij een zak pens gratis van Ome Henk, de beste slager in Zuid. God hebbe zijn ziel.
‘Voor de hond, ‘ zei hij altijd tegen Ome Henk.
‘Voor de grote zwarte boxer zeker,’ antwoordde Ome Henk en zij lachten hartelijk. De slager was de enige die zich zo’n grap kon permitteren.
Nènè was een geduchte zwaargewicht bokser dertig, veertig jaar geleden. Zijn vrienden noemden hem Sonny Liston. Zijn linker betekende het ziekenhuis en zijn rechtse directe de begraafplaats. Voor Annie is hij Sonny gebleven. Komende zomer is Nènè precies 45 jaar in Nederland.
‘Wie zit er aan de warmwaterkraan te klooien?’ klinkt het vanuit de badkamer.
‘Jij staat al meer dan een half uur onder de douche,’ roept Nènè, ‘van al dat schrobben word je heus niet blanker.’
De deur van de badkamer zwaait open, een stoomwolk vult de gang. ‘Ik heb een tuintje in me hart maar alleen voor jou.’
‘Zo, Mimi, je bent niet blanker geworden, maar wel mooier. En mooi zingen kun je ook.’
‘Goede middag, tante Annie. Pa, doe die verrekte deur dicht, ik bevries bijna.’
Mimi is de jongste van de tien of elf kinderen, hij is de tel kwijt, van Nènè en de enige die zich om hem bekommert. Mimi woont bij hem in, haar moeder is op een kwaaie dag met de noorderzon vertrokken. Zij zit in de laatste klas van het gymnasium. ‘Dat heeft niets met gymnastiek te maken, Pa,’ moet zij zo vaak uitleggen, wanneer haar vader tegen zijn vrienden opschept.
‘Mimi, verdomme, waar zijn de varkensoren? Ik kan ze nergens vinden.’
‘Kijk in de vuilnisbak.’
Annie ligt in een deuk.
‘Jullie kunnen allebei op het dak gaan zitten.’
Vroeger had hij andere taal gebezigd, maar dat verleden ligt nu achter hem. In de zomer van 1965 was hij met een groep landgenoten in Nederland aangekomen om in de Rotterdamse haven te werken. Een werkgelegenheidproject, met veel mooie beloften. De realiteit was anders, schrobben in de kou. Tegen december van hetzelfde jaar werkte niemand meer van de groep in de haven. Nènè, toen Sonny, was naar Amsterdam vertrokken om een carrière als bokser op te bouwen. Op de Zeedijk leerde hij Annie kennen, een blonde schoonheid. Zij stond achter de tap en werd door de caféhouder gekoeioneerd. ‘Ga vlug de drie Engelse klanten bedienen, in plaats van tegen die zwarte te staan ginnegappen.’ De bareigenaar hield een hersenschudding over aan die opmerking. Annie was op slag verliefd.
‘Geen grapjes, Mimi, waar heb je de varkensoren gelaten? Zij zaten in jouw boodschappentas.’
‘In de vriezer.’
‘Domoor, zij zijn gezouten, zij hoeven niet in de koelkast.’
‘Vel over kraakbeen, bah, wat is daar voor lekkers aan?’ vraagt Annie zich hardop af.
‘Meelballen met krenten in frituurvet, wat is daar voor lekkers aan?’ stelt Nènè een wedervraag.
‘Oliebollen, lekker,’ gilt Mimi vanuit de slaapkamer.
Die meid is goud waard, zeiden zijn vrienden wanneer zij Sonny met Annie samen zagen. Eerst had hij niet door wat zij bedoelden, maar het werd hem algauw duidelijk toen hij langs de wallen liep. Annie maakte bezwaar, maar had geen keus. Door de week reed Sonny in een Mercedes en op feestdagen in een BMW. Annie ging op de fiets.
In al die jaren is Nènè maar drie keer op Curaçao geweest met vakantie, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. Ieder jaar neemt hij zich voor om met Kerst te gaan, maar diep in zijn hart is hij bang. Bang dat hij de mensen niet meer zou herkennen, zijn jeugdvrienden, zijn buren. Bang om zijn oude moeder te zien. Ieder jaar viert hij de feestdagen op zijn Curaçaos. In zijn buurt is dat niet moeilijk, alles is te krijgen.
‘Sonny, telefoon, je moeder om je bon aña te wensen,’ roept Annie.
Nènè blijft stil. Hij sluit zich op in de badkamer om zijn tranen te drogen.
‘Ik bel terug,’ schreeuwt hij.
K.
Subscribe to:
Posts (Atom)


