Sinterklaas is weg. Met de stille trom vertrokken. De pijl en boog die ik gekregen heb, is allang kapot. Bij de eerste pijl al. ‘Krak,’ zei de boog. De pijl viel voor mijn voeten neer. Mijn broertje lag in een deuk. Daar ligt hij nog. Ik zit namelijk op karate.
Niemand is Sinterklaas uit gaan zwaaien. Zo zijn de mensen eenmaal. Als er iets te graaien valt, dan komen zij in grote getallen opdraven. Zij zijn zelfs bereid om stomme liedjes te zingen. ‘Zie ginds komt de stoomboot.’ Er varen allang geen stoomboten meer. ‘Zie ginds komt de olietanker.’ Dat moeten zij zingen.
Als ze eenmaal gekregen hebben wat zij wilden, dan besta je niet meer voor hen. Iemand op 6 december ooit horen zingen ‘Dank je wel, Sinterklaasje’? Geen hond. Ik zeker niet. Die stomme pijl en boog.
En Zwarte Piet? Die is er nog. Dat was de buurjongen van hiernaast. Hij rende in de straten op en neer met een roe van twijgen van de kokosboom in zijn hand, waarmee hij ieder kind dat hij tegenkwam een pak rammel gaf. Dat is de taak van de Zwarte Piet. Kinderen een pak rammel geven. De zwarte Piet is de boeman en de witte Sint is de goedheilig man. Dat hoefde je Buchi Fil niet uit te leggen. En Tula ook niet.
In Bijlmer kregen de kinderen een bruine Sint op bezoek. Dat slaat ook nergens op. Dat is geschiedvervalsing. Eerst de goedheilig man uren onder de hoogtezon laten liggen en dan op de onnozele kindertjes afsturen. En in plaats van cadeautjes uit te delen, ging hij met de kinderen discussiëren. ‘Wat krijgen wij nou?’ zeiden de kindertjes. ‘Geen cadeautjes? Rot op met die bruine Sint.’ Geef mij maar een pijl en boog van La Curaçao, denk ik dan.
Op 16 december om vijf uur ’s ochtends begint de eerste auroramis. Wie heeft dat ooit kunnen bedenken? Een mis om vijf uur beginnen. God slaapt nog. De hele hemelse santenkraam slaapt nog.
Wij staan om vier uur op. Het hele gezin moet douchen en het water is ijskoud. Het schiet dus niet op als iedereen eerst tien minuten naar de waterstralen moet staan staren, terwijl deze geen graad warmer worden.
Om half vijf luiden de kerkklokken. Arme klokkenluiders. Zij moeten hoognodig beschermd worden. Hoe laat moeten zij wel opstaan?
De kerk stroomt vol. De lekkere wierookgeur wordt verdrongen door een mengelmoes van parfumgeuren. De hoge hakken klikklakken op de vloertegels. Dat de vrouwen zo vroeg al de moeite nemen om zich te kleden als kerstbomen.
Wij gaan vooraan zitten. Dat moet, anders krijg je geen prentje van de frater. Geen prentje betekent dat je niet naar de mis bent geweest, al heeft de hele wereld je gezien.
‘Ja, Frater, ik ben vanochtend naar de kerk gegaan.’
‘Waar is je prentje?’
‘Ik heb geen prentje gehad, Frater. Zij waren op.’
‘Dan ben je niet naar kerk gegaan, ga daar in de hoek staan.’
En dan is het communietijd. Iedereen staat tegelijk op. Je moet nuchter zijn om naar de communie te gaan, want je ziel moet rein zijn. Ik denk eerder dat je mond rein moet zijn. De pastoor heeft geen zin om de hostie tussen de etensresten van honderd monden te stoppen. Je mag ook niet op de hostie kauwen. Dat doet pijn. ‘Au, wie bijt daar in mijn billen?’ roept Jezus.
Om zes uur zijn wij weer thuis. Te laat om weer te gaan slapen. In de klas besterft iedereen het van de slaap. Niemand kan zijn ogen open houden. Behalve de Surinaamse jongen. Hij is protestant. Wij bewaren de prentjes zorgvuldig. Wie negen prentjes heeft, krijgt een kerkboekje. Ik heb al vijf kerkboekjes.
Op kerstdag begint de kerk om acht uur en duurt een eeuwigheid. Er wordt gezongen. Ik zing niet mee, dat mag niet van de frater. Ik heb een bromstem. Dus beweeg ik mijn mond op en neer, zonder geluid voort te brengen. Mijn eerste remming. Goed voor zes maanden therapie.
Na de kerk bezoeken wij een tante, een oom, nog een tante en een peetoom. Overal moeten wij een half uur zitten. Mijn nieuwe schoenen klemmen.
Op tweede kerstdag hetzelfde verhaal. Mijn nieuwe schoenen klemmen minder.
De feestdagen? Welk feest?
K.
Sunday, January 2, 2011
Kampie
Meneer Kamperveen loopt al veertig jaar rond het Schottegat. Iedere zaterdag. Om de simpele reden dat meneer Kamperveen geen rijbewijs en dus geen auto heeft.
‘Nergens voor nodig, vriend,’ antwoordt hij wanneer iemand een opmerking maakt. ‘Onze Lieve Heer heeft mij twee benen gegeven om te lopen. Anders had hij mij wielen gegeven.’
Iedere zaterdag vertrekt hij om zeven uur ’s ochtends van huis, met zijn aktetas stevig vastgeklemd onder zijn arm. Bij de snèk op de hoek van de Suffisantweg en de Schottegatweg drinkt hij een kop zwarte koffie. Daarna loopt hij in de richting van Kwartier.
‘Goede morgen,’ roept hij voor de deur van zijn eerste klant. Hij verkoopt lootjes voor de kerk.
‘Mama, Baas is aan de deur,’ klinkt een dochterstem.
‘Zeg hem, vandaag niet,’ antwoordt een moederstem.
Meneer Kamperveen maakt zijn aktetas open en geeft het meisje een snoepje. Blij rent zij weg en struikelt bijna over haar eigen slippers.
Meneer Kamperveen lacht en vervolgt zijn weg richting Biesheuvel.
‘Kampie, jongen, wat houd je zo jong?’ vraagt meneer Wong-A-Loi wanneer meneer Kamperveen moeiteloos de trappen oploopt naar het balkon waar zijn vriend in een schommelstoel zit.
Zij zijn ongeveer even oud en hebben jaren samen gewerkt op het hoofdkantoor van de Shell. Maar meneer Wong ziet er een stuk ouder uit.
‘Lopen, mati. Dat moet je ook doen in plaats van de hele dag op je luie reet in die schommelstoel te zitten,’ antwoordt meneer Kamperveen.
‘Mijn benen, Kampie,’ klaagt meneer Wong. ‘Mijn benen willen niet meer. Coromoto, un café negro voor mijn vriend Kampie.’
Na het korte bezoek loopt meneer Kamperveen verder. Hij bezoekt klanten in Rooi Catochi, Cerito, Saliña, Parera, Pietermaai en komt in Punda aan zonder een enkel lot te hebben verkocht. In de oude markt rust hij uit. Zijn maag knort.
‘Een guiambo zonder varkensstaart voor de oude Surinamer,’ roept Zus tegen een andere vrouw achter een grote pot soep.
‘Met rijst,’ vult meneer Kamperveen haar aan. Zus trekt een vies gezicht.
Meneer Kamperveen slurpt de slijmerige soep op en leunt voldaan achterover. Hij staat op en laat ongewild een boer. ‘Geef de boer een stoel,’ zegt de Nederlandse toerist naast hem. Meneer Kamperveen verontschuldigt zich en vervolgt zijn weg.
Hij steekt de pontonbrug over naar Otrobanda en loopt linea recta naar JPF. Daar drinkt hij zijn eerste biertje. Niet meer dan twee, heeft hij zich voorgenomen en geen biljarten.
‘Kampie, neem er nog een,’ roepen zijn vrienden. ‘Kom mee een potje biljarten.’
‘De geest is gewillig maar het vlees is zwak,’ citeert hij Mattheüs en doet twee rondjes mee. Daarna vertrekt hij.
Onderweg stopt hij bij elke snèk. ‘De zon schijnt fel vandaag,’ verontschuldigt hij zich tegen de dienster wanneer hij een biertje bestelt. ‘Abrasador,’ antwoordt het meisje.
Bij een huis in Palu Blanku klopt hij aan. Mevrouw Weerwind doet open.
‘Kampie, mijn schat,’ zegt zij, ‘ik dacht, die komt vandaag niet meer. Kom binnen.’
Meneer Kamperveen gaat naar binnen en mevrouw Weerwind sluit de deur achter zich.
Na een poos komt hij weer naar buiten om het laatste stuk naar huis af te leggen.
‘Kampie, mi boi,’ zegt mevrouw Weerwind. ‘Jij kunt er wat van, hoor. Waar haal jij de energie vandaan?’ Maar meneer Kamperveen is al een eind weg.
K.
‘Nergens voor nodig, vriend,’ antwoordt hij wanneer iemand een opmerking maakt. ‘Onze Lieve Heer heeft mij twee benen gegeven om te lopen. Anders had hij mij wielen gegeven.’
Iedere zaterdag vertrekt hij om zeven uur ’s ochtends van huis, met zijn aktetas stevig vastgeklemd onder zijn arm. Bij de snèk op de hoek van de Suffisantweg en de Schottegatweg drinkt hij een kop zwarte koffie. Daarna loopt hij in de richting van Kwartier.
‘Goede morgen,’ roept hij voor de deur van zijn eerste klant. Hij verkoopt lootjes voor de kerk.
‘Mama, Baas is aan de deur,’ klinkt een dochterstem.
‘Zeg hem, vandaag niet,’ antwoordt een moederstem.
Meneer Kamperveen maakt zijn aktetas open en geeft het meisje een snoepje. Blij rent zij weg en struikelt bijna over haar eigen slippers.
Meneer Kamperveen lacht en vervolgt zijn weg richting Biesheuvel.
‘Kampie, jongen, wat houd je zo jong?’ vraagt meneer Wong-A-Loi wanneer meneer Kamperveen moeiteloos de trappen oploopt naar het balkon waar zijn vriend in een schommelstoel zit.
Zij zijn ongeveer even oud en hebben jaren samen gewerkt op het hoofdkantoor van de Shell. Maar meneer Wong ziet er een stuk ouder uit.
‘Lopen, mati. Dat moet je ook doen in plaats van de hele dag op je luie reet in die schommelstoel te zitten,’ antwoordt meneer Kamperveen.
‘Mijn benen, Kampie,’ klaagt meneer Wong. ‘Mijn benen willen niet meer. Coromoto, un café negro voor mijn vriend Kampie.’
Na het korte bezoek loopt meneer Kamperveen verder. Hij bezoekt klanten in Rooi Catochi, Cerito, Saliña, Parera, Pietermaai en komt in Punda aan zonder een enkel lot te hebben verkocht. In de oude markt rust hij uit. Zijn maag knort.
‘Een guiambo zonder varkensstaart voor de oude Surinamer,’ roept Zus tegen een andere vrouw achter een grote pot soep.
‘Met rijst,’ vult meneer Kamperveen haar aan. Zus trekt een vies gezicht.
Meneer Kamperveen slurpt de slijmerige soep op en leunt voldaan achterover. Hij staat op en laat ongewild een boer. ‘Geef de boer een stoel,’ zegt de Nederlandse toerist naast hem. Meneer Kamperveen verontschuldigt zich en vervolgt zijn weg.
Hij steekt de pontonbrug over naar Otrobanda en loopt linea recta naar JPF. Daar drinkt hij zijn eerste biertje. Niet meer dan twee, heeft hij zich voorgenomen en geen biljarten.
‘Kampie, neem er nog een,’ roepen zijn vrienden. ‘Kom mee een potje biljarten.’
‘De geest is gewillig maar het vlees is zwak,’ citeert hij Mattheüs en doet twee rondjes mee. Daarna vertrekt hij.
Onderweg stopt hij bij elke snèk. ‘De zon schijnt fel vandaag,’ verontschuldigt hij zich tegen de dienster wanneer hij een biertje bestelt. ‘Abrasador,’ antwoordt het meisje.
Bij een huis in Palu Blanku klopt hij aan. Mevrouw Weerwind doet open.
‘Kampie, mijn schat,’ zegt zij, ‘ik dacht, die komt vandaag niet meer. Kom binnen.’
Meneer Kamperveen gaat naar binnen en mevrouw Weerwind sluit de deur achter zich.
Na een poos komt hij weer naar buiten om het laatste stuk naar huis af te leggen.
‘Kampie, mi boi,’ zegt mevrouw Weerwind. ‘Jij kunt er wat van, hoor. Waar haal jij de energie vandaan?’ Maar meneer Kamperveen is al een eind weg.
K.
Sunday, December 19, 2010
Bon Pasku i Felis Aña 2011
De gevallen bal
De gevallen bal
bal ... bal ...
verrek, wat rijmt er nou op bal?
geen bal
voorwaar, geen bal rijmt op bal
De gevallen bal
gevallen?
ben je mal?
zegt de gevallen bal
het interesseert mij waarlijk geen bal
De gevallen bal
gevallen?
hou toch op met dat gelal
ik lig hier naast een heilige stal
met Kindje Jezus en al
De gevallen bal
gevallen?
God zal ...
jij bent werkelijk een ongelooflijke kwal
ik laat mijn feest niet verknallen
mensen, de ballen
Roy & Co.
Sunday, December 5, 2010
Konosé bo Isla 2010-11: Vruchten
Vraag: Hoe heet de grote vrucht die rechtop midden op de schaal staat?
Sluitingsdatum: zondag 2 januari 2011
Prijs: een cadeaubon van Mensing Boekhandel.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-10: antwoord
Antwoord: Charlotte van der Lith had vele bijnamen. De meest typerende was ‘de vrouw met de zeven achternamen'.
Er zijn 13 inzendingen, waarvan 11 goed:
L.J.Chr. Dee
Erich Rene
Dominique Jong
Yolanda Chakoetoe
Madelyn Francisco
Kerssenberg, I.
Alexis A.
Flavia Vasco de Sousa
Cynthia Alendy
Winsel Peney
Marcel Leune
Cheryl Coffi
Frans Kapteijns
De winnaar is Alexis A.
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 13 inzendingen, waarvan 11 goed:
L.J.Chr. Dee
Erich Rene
Dominique Jong
Yolanda Chakoetoe
Madelyn Francisco
Kerssenberg, I.
Alexis A.
Flavia Vasco de Sousa
Cynthia Alendy
Winsel Peney
Marcel Leune
Cheryl Coffi
Frans Kapteijns
De winnaar is Alexis A.
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Pais Kòrsou
Antia a muri
n’ ta tin ni ocho dia
Antia a muri
n’ ta tin ni misa rekièm
Pais a nase
ta ki dia tin boutismo?
Wak dilanti ruman
laga pasado pa olvido
wak bo dilanti
pa bo no bira un pilá di salu
Ki nos ta bai hasi ruman
kiko ta bo plan pa futuro?
Bo ta djaki?
awèl mi tambe i tur otro
Bo ta djaki?
awèl nos tur ta yu di tera
kome funchi, kome yòrki, aros moro
pan shoarma, yena keshi ku galiña
Stòp di pleita ruman
pleita den parlamento
No tin koriente
ki ta hasi k’e planta fantasma?
M’a bira malu
den kua hospital mi tin ku drumi?
Sèn ta kaba
nos ta bolbe kai den debe?
Pais ta mucha
e tin ku bira un adulto
Pais ta gatia
e tin ku kana, kore, p’e por bula.
Kompader
n’ ta tin ni ocho dia
Antia a muri
n’ ta tin ni misa rekièm
Pais a nase
ta ki dia tin boutismo?
Wak dilanti ruman
laga pasado pa olvido
wak bo dilanti
pa bo no bira un pilá di salu
Ki nos ta bai hasi ruman
kiko ta bo plan pa futuro?
Bo ta djaki?
awèl mi tambe i tur otro
Bo ta djaki?
awèl nos tur ta yu di tera
kome funchi, kome yòrki, aros moro
pan shoarma, yena keshi ku galiña
Stòp di pleita ruman
pleita den parlamento
No tin koriente
ki ta hasi k’e planta fantasma?
M’a bira malu
den kua hospital mi tin ku drumi?
Sèn ta kaba
nos ta bolbe kai den debe?
Pais ta mucha
e tin ku bira un adulto
Pais ta gatia
e tin ku kana, kore, p’e por bula.
Kompader
Nepotisme
Een nieuw woord bijgeleerd vanochtend: nepotisme.
‘Het is toch schandalig,’ zei mijn vrouw zonder van haar krant op te kijken. ‘Dat een minister open en bloot, en met een zekere trots, zegt dat zijn eigen belangen en die van zijn familie voorgaan.’
‘Wat is nu schandalig?’ vroeg ik. ‘Dat zijn belangen voorgaan of dat hij dat open en bloot zegt?’
‘Allebei,’ beet zij mij toe. ‘Dit is je ware nepotisme.’ Ik bleef haar dom aankijken.
‘Dommerik,’ mompelde zij. Ik deed alsof ik haar niet hoorde. Het woord nepotisme speelde door mijn hoofd.
‘Dat kan toch niet,’ ging zij verder. ‘In Brazilië moest de minister van Binnenlandse Zaken aftreden naar aanleiding van een nepotismeschandaal. Haar zoon was erbij betrokken. Hij verdiende als consultant geld aan deals tussen de overheid en het bedrijfsleven.’
‘Zo kan ik hier ook een paar van die gevallen opnoemen,’ merkte ik op. ‘Niemand heeft ooit hoeven af te treden. Zo zwaar tilt men niet aan dat nepotisme.’ Wat het ook mag wezen, dacht ik er achteraan. Zij negeerde mijn opmerking.
‘Toen de 23-jarige zoon van de Franse president Nicolas Sarkozy, Jean, een leidende functie zou krijgen in een overheidsdienst in verband met ruimtelijke ordening, riep dat weerstand op in heel Frankrijk en beschuldigingen van nepotisme. Wist je dat?’
Nee, dat wist ik niet.
‘Heeft Jean die baan gekregen?’
‘Natuurlijk niet,’ gokte zij, terwijl zij de krant omsloeg. ‘En weet je wat die minister nog meer zei? Het is aan de oppositie om nepotisme tegen te gaan en de minister te controleren. Zo van, ik rij door rood licht, het is aan de politie om dat tegen te gaan en mij te controleren. Ik doe niets verkeerds.’
‘Wat voor belangen heeft die goede man of vrouw dan?’ vroeg ik.
‘Hij verkoopt brillen.’
‘Als zijn brillen nu de goedkoopste zijn, dan is er toch niets aan de hand? Het volk profiteert ervan.’
‘Daar gaat het niet om, er is sprake van verstrengeling van belangen. Hij kan de vraag beïnvloeden. Hij kan bijvoorbeeld een wet afvaardigen die iedereen verplicht in het verkeer om veiligheidsredenen een bril te dragen, net als de veiligheidsgordel. En hij verkoopt dan de veiligheidsbrillen.’
Vrouwenlogica. Nu ben ik echt wel benieuwd wat dat nepotisme van haar betekent, lijkt mij wel interessant, dacht ik.
Nepotisme komt van het Latijnse woord nepos. Nepos betekent kleinzoon of nakomeling, ook wel neef. Neef? Die betekenis mag ik wel. Primu. Dat zijn wij allemaal van elkaar. ‘Primu, trakteer mij op een biertje,’ zeggen wij bij de snèk.
Nepotisme is het begunstigen van eigen familieleden of vrienden door autoriteiten, bijvoorbeeld door ze in hoge functies te benoemen of door ze opdrachten te gunnen. Ook is het mogelijk dat het nepotisme een vorm van patronage is. Het kan gezien worden als een vorm van corruptie. De populaire naam voor nepotisme is vriendjespolitiek.
Verrek, dacht ik, waar heeft mijn vrouw het over?. Wij hangen aan elkaar van nepotisme. Deze minister is gewoon eerlijk.
‘Roy?’
‘Ja, schat.’
‘Heb je eraan gedacht je broer bij Financiën te bellen over de sollicitatie van Hedi?’
‘Ja schat.’
K.
‘Het is toch schandalig,’ zei mijn vrouw zonder van haar krant op te kijken. ‘Dat een minister open en bloot, en met een zekere trots, zegt dat zijn eigen belangen en die van zijn familie voorgaan.’
‘Wat is nu schandalig?’ vroeg ik. ‘Dat zijn belangen voorgaan of dat hij dat open en bloot zegt?’
‘Allebei,’ beet zij mij toe. ‘Dit is je ware nepotisme.’ Ik bleef haar dom aankijken.
‘Dommerik,’ mompelde zij. Ik deed alsof ik haar niet hoorde. Het woord nepotisme speelde door mijn hoofd.
‘Dat kan toch niet,’ ging zij verder. ‘In Brazilië moest de minister van Binnenlandse Zaken aftreden naar aanleiding van een nepotismeschandaal. Haar zoon was erbij betrokken. Hij verdiende als consultant geld aan deals tussen de overheid en het bedrijfsleven.’
‘Zo kan ik hier ook een paar van die gevallen opnoemen,’ merkte ik op. ‘Niemand heeft ooit hoeven af te treden. Zo zwaar tilt men niet aan dat nepotisme.’ Wat het ook mag wezen, dacht ik er achteraan. Zij negeerde mijn opmerking.
‘Toen de 23-jarige zoon van de Franse president Nicolas Sarkozy, Jean, een leidende functie zou krijgen in een overheidsdienst in verband met ruimtelijke ordening, riep dat weerstand op in heel Frankrijk en beschuldigingen van nepotisme. Wist je dat?’
Nee, dat wist ik niet.
‘Heeft Jean die baan gekregen?’
‘Natuurlijk niet,’ gokte zij, terwijl zij de krant omsloeg. ‘En weet je wat die minister nog meer zei? Het is aan de oppositie om nepotisme tegen te gaan en de minister te controleren. Zo van, ik rij door rood licht, het is aan de politie om dat tegen te gaan en mij te controleren. Ik doe niets verkeerds.’
‘Wat voor belangen heeft die goede man of vrouw dan?’ vroeg ik.
‘Hij verkoopt brillen.’
‘Als zijn brillen nu de goedkoopste zijn, dan is er toch niets aan de hand? Het volk profiteert ervan.’
‘Daar gaat het niet om, er is sprake van verstrengeling van belangen. Hij kan de vraag beïnvloeden. Hij kan bijvoorbeeld een wet afvaardigen die iedereen verplicht in het verkeer om veiligheidsredenen een bril te dragen, net als de veiligheidsgordel. En hij verkoopt dan de veiligheidsbrillen.’
Vrouwenlogica. Nu ben ik echt wel benieuwd wat dat nepotisme van haar betekent, lijkt mij wel interessant, dacht ik.
Nepotisme komt van het Latijnse woord nepos. Nepos betekent kleinzoon of nakomeling, ook wel neef. Neef? Die betekenis mag ik wel. Primu. Dat zijn wij allemaal van elkaar. ‘Primu, trakteer mij op een biertje,’ zeggen wij bij de snèk.
Nepotisme is het begunstigen van eigen familieleden of vrienden door autoriteiten, bijvoorbeeld door ze in hoge functies te benoemen of door ze opdrachten te gunnen. Ook is het mogelijk dat het nepotisme een vorm van patronage is. Het kan gezien worden als een vorm van corruptie. De populaire naam voor nepotisme is vriendjespolitiek.
Verrek, dacht ik, waar heeft mijn vrouw het over?. Wij hangen aan elkaar van nepotisme. Deze minister is gewoon eerlijk.
‘Roy?’
‘Ja, schat.’
‘Heb je eraan gedacht je broer bij Financiën te bellen over de sollicitatie van Hedi?’
‘Ja schat.’
K.
Taal is macht
Stephen is heel vroeg op. Om half vijf.
‘Stephen, ben jij daar?’ roept zijn moeder vanuit de keuken. Niemand antwoordt. Er valt iets in de badkamer.
‘Wat doe je zo vroeg op? Voel je je niet lekker?’ vraagt Moeder, terwijl zij het verse brood uit de oven haalt.
Stephen voelt zich juist prima. De hele nacht heeft hij onrustig geslapen, want vandaag is de grote dag. Vandaag komen de schrijvers. Echte schrijvers. Hij heeft de namen in het programmaboekje gelezen en de foto’s gezien.
Stephen zit in de examenklas van de MULO in Lelydorp en wil later schrijver worden. Zijn vader had hem uitgelachen toen hij dat een keer had gezegd.
‘Luister, mi boi, ik ben als schrijver begonnen bij het Bosbeheer en ik ben nog steeds schrijver. Word arts of advocaat, dat soort boeven verdient veel geld.’
‘Jij bent geen goed voorbeeld voor de jongen,’ had Moeder boos gereageerd. ‘Jij bent een lui varken. Je vertrekt om zeven uur naar het werk en om tien uur ben je alweer thuis.’
Stephen pakt een schoon hemd uit de mand en legt het op de strijkplank. Het strijkijzer is al heet.
‘Waarom moet je weer een schoon hemd aan?’ schreeuwt Moeder. ‘Laat dat hemd voor maandag. Ik blijf aan de gang met het wassen van schoolkleren.’
Stephen is koppig, hij strijkt rustig door. Hij denkt aan het verhaal dat hij aan het schrijven is.
“In het grote bos van Tropenland woonde een grote, sterke leeuw. Wanneer hij brulde was dat te horen tot aan de rand van het bos en alle andere dieren bleven stil. De grote leeuw had gemerkt dat de dieren beefden van de angst wanneer hij brulde. Dus wanneer hij honger had, brulde hij: ‘Breng mij eten. Brrruuulll. En snel.’ En alle dieren brachten wat zij hadden ...”
Zijn leraar Nederlands heeft het verhaal gelezen.
‘Hmm,’ had hij gezegd. ‘De lezer zal hiervan niet in een shock raken. Echt niet. Een grote, sterke leeuw die hard brult. Dat weet de lezer ook, dat leeuwen groot en sterk zijn, en hard brullen. En dat zij stinken ook. Dat had je er ook bij kunnen zetten. Nee, er zitten geen verrassingselementen in het verhaal. Jij moet iets bedenken dat de lezer intrigeert.’
Dat laatste woord kende Stephen niet, maar hij had het verhaal aangepast.
“In het grote bos van Tropenland woonde een leeuw die zo lam was als Job ...”
‘Jongen, hou toch op,’ had de meester gezegd. ‘In de eerste plaats was Job niet lam maar arm, je moet je bijbel weer eens een keer openslaan, en verder: waar moet je heen met een lamme leeuw?’
Stephen dacht dat het wel een verrassing voor de lezer zou zijn als een lamme leeuw de koning van het grote bos zou zijn. Hij begreep het niet meer.
Vandaag krijgt hij te horen hoe het wel moet. De meester kan kletsen wat hij wil, maar hij heeft ook nog nooit een boek geschreven.
De schrijvers zijn stipt op tijd. Zij stellen zich voor. Een mevrouw met rood haar uit België, een meneer met een kale kop uit Curaçao en een bekende Surinaamse schrijver. Stephen heeft zijn schrift en pen al klaargelegd.
Alle drie de schrijvers hebben het over meertaligheid. Wie meer dan één taal spreekt mag zich gelukkig prijzen, want taal is macht.
Stephen schrijft het op: Taal is Macht. Nu weet hij wat hij moet schrijven.
“De koning van het grote bos spreekt de taal van de duiven, de taal van de mieren, de taal van de slang. De taal van de bomen, van de bloemen en van het gras. De koning van het grote bos is Kiki, de paarse aap.” Wat zal de meester hiervan zeggen?
K.
‘Stephen, ben jij daar?’ roept zijn moeder vanuit de keuken. Niemand antwoordt. Er valt iets in de badkamer.
‘Wat doe je zo vroeg op? Voel je je niet lekker?’ vraagt Moeder, terwijl zij het verse brood uit de oven haalt.
Stephen voelt zich juist prima. De hele nacht heeft hij onrustig geslapen, want vandaag is de grote dag. Vandaag komen de schrijvers. Echte schrijvers. Hij heeft de namen in het programmaboekje gelezen en de foto’s gezien.
Stephen zit in de examenklas van de MULO in Lelydorp en wil later schrijver worden. Zijn vader had hem uitgelachen toen hij dat een keer had gezegd.
‘Luister, mi boi, ik ben als schrijver begonnen bij het Bosbeheer en ik ben nog steeds schrijver. Word arts of advocaat, dat soort boeven verdient veel geld.’
‘Jij bent geen goed voorbeeld voor de jongen,’ had Moeder boos gereageerd. ‘Jij bent een lui varken. Je vertrekt om zeven uur naar het werk en om tien uur ben je alweer thuis.’
Stephen pakt een schoon hemd uit de mand en legt het op de strijkplank. Het strijkijzer is al heet.
‘Waarom moet je weer een schoon hemd aan?’ schreeuwt Moeder. ‘Laat dat hemd voor maandag. Ik blijf aan de gang met het wassen van schoolkleren.’
Stephen is koppig, hij strijkt rustig door. Hij denkt aan het verhaal dat hij aan het schrijven is.
“In het grote bos van Tropenland woonde een grote, sterke leeuw. Wanneer hij brulde was dat te horen tot aan de rand van het bos en alle andere dieren bleven stil. De grote leeuw had gemerkt dat de dieren beefden van de angst wanneer hij brulde. Dus wanneer hij honger had, brulde hij: ‘Breng mij eten. Brrruuulll. En snel.’ En alle dieren brachten wat zij hadden ...”
Zijn leraar Nederlands heeft het verhaal gelezen.
‘Hmm,’ had hij gezegd. ‘De lezer zal hiervan niet in een shock raken. Echt niet. Een grote, sterke leeuw die hard brult. Dat weet de lezer ook, dat leeuwen groot en sterk zijn, en hard brullen. En dat zij stinken ook. Dat had je er ook bij kunnen zetten. Nee, er zitten geen verrassingselementen in het verhaal. Jij moet iets bedenken dat de lezer intrigeert.’
Dat laatste woord kende Stephen niet, maar hij had het verhaal aangepast.
“In het grote bos van Tropenland woonde een leeuw die zo lam was als Job ...”
‘Jongen, hou toch op,’ had de meester gezegd. ‘In de eerste plaats was Job niet lam maar arm, je moet je bijbel weer eens een keer openslaan, en verder: waar moet je heen met een lamme leeuw?’
Stephen dacht dat het wel een verrassing voor de lezer zou zijn als een lamme leeuw de koning van het grote bos zou zijn. Hij begreep het niet meer.
Vandaag krijgt hij te horen hoe het wel moet. De meester kan kletsen wat hij wil, maar hij heeft ook nog nooit een boek geschreven.
De schrijvers zijn stipt op tijd. Zij stellen zich voor. Een mevrouw met rood haar uit België, een meneer met een kale kop uit Curaçao en een bekende Surinaamse schrijver. Stephen heeft zijn schrift en pen al klaargelegd.
Alle drie de schrijvers hebben het over meertaligheid. Wie meer dan één taal spreekt mag zich gelukkig prijzen, want taal is macht.
Stephen schrijft het op: Taal is Macht. Nu weet hij wat hij moet schrijven.
“De koning van het grote bos spreekt de taal van de duiven, de taal van de mieren, de taal van de slang. De taal van de bomen, van de bloemen en van het gras. De koning van het grote bos is Kiki, de paarse aap.” Wat zal de meester hiervan zeggen?
K.
Monday, November 8, 2010
Konosé bo Isla 2010-10: Suriname, Berg en Dal

De geschiedenis van Berg en Dal begint met de stichting van een militaire post bij de Parnassus-berg, als bescherming tegen de indianen. Vervolgens — volgens schaarse en niet te controleren bronnen — werd er een "bergwerk" aangelegd met de naam Trouw-op-God. Dat was omstreeks 1717, en het doel was natuurlijk goudwinning. Een bezoek van gouverneur Temming bracht aan deze poging een einde. Temming achtte het gehele werk zinloos en zette de zaak onmiddelijk stop. Wel had de plaats een gunstige indruk op hem gewekt, want hij besloot 1500 akkers nabij de mijn aan zichzelf toe te kennen. In 1923 werd dit areaal vergroot tot 3000 akkers toen Temming het hoogste bod deed op de mijnconsessie. Vervolgens verwierf hij nog eens 2000 Akkers aan de overzijde der rivier, waarvan 1000 akkers op naam van zijn aanstaande vrouw, Charlotte van der Lith.
Hiermee hebben wij kennis gemaakt met de hoofdrolspelers in de geschiedenis van de plantage Berg en Dal : de gouverneur-generaal Hendrik Temming, maar toch vooral diens echtgenote Charlotte van der Lith. Charlotte arriveerde omstreeks 1722 in Suriname, en meldde zich aan als lidmaat van de gereformeerde kerk. Zij werd ingeschreven in het lidmaatregister van dat jaar :
".....1722 september 25 juff: Charlotta Elizabeth van der Lith met Attestatie van St.Hagen....."
Twee jaar later trad Charlotte in het huwelijk met de gouverneur Hendrik Temming. Het was haar eerste huwelijk in een serie van vijf, Charlotte heeft haar leven gedeeld met 3 gouverneurs en 2 predikanten.
Vraag: Hoe werd Charlotte van der Lith ook wel genoemd?
Sluitingsdatum: zondag 5 december 2010
Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-09: antwoord
Antwoord: Shimaruku
Er zijn 34 inzendingen, waarvan 33 goed:
Aida Geerman
Daisy Casimiri
Reginald Römer
Ariadne Faries
Guiselle de Kaster
Elaine Con
Madelyn Francisco
Max Martina
King Yen Yung
Solange Nijdam
Angélique Da Costa Gomez
L.J.Chr. Dee
Winsel Peney
Sijonara Maria
Jamila Romero
Flavia Vasco de Sousa
Yolanda Chakoetoe
Erseline Mauricio
Maria Montroos
Edgar de Palm
Elodie Heloise
Cheryl Coffi
Glyraine Jukema
Regina v/d Biest
Renny Albertus
Max Maria
Evelyn Aliff
Lina Engelhart-Gillen
Jan Philipsen
Niels Augusta
America Augusta
Siagnee Mariano
Ingrid R.
Frans Kapteijns
De winnares is Jamila Romero
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 34 inzendingen, waarvan 33 goed:
Aida Geerman
Daisy Casimiri
Reginald Römer
Ariadne Faries
Guiselle de Kaster
Elaine Con
Madelyn Francisco
Max Martina
King Yen Yung
Solange Nijdam
Angélique Da Costa Gomez
L.J.Chr. Dee
Winsel Peney
Sijonara Maria
Jamila Romero
Flavia Vasco de Sousa
Yolanda Chakoetoe
Erseline Mauricio
Maria Montroos
Edgar de Palm
Elodie Heloise
Cheryl Coffi
Glyraine Jukema
Regina v/d Biest
Renny Albertus
Max Maria
Evelyn Aliff
Lina Engelhart-Gillen
Jan Philipsen
Niels Augusta
America Augusta
Siagnee Mariano
Ingrid R.
Frans Kapteijns
De winnares is Jamila Romero
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De laatste Antilliaan
Opgewonden rende Techi het café binnen. Daar zat Roro aan zijn vaste tafel. Techi ging zitten en snakte naar adem.
‘Wat is er aan de aan de hand?’ vroeg Roro bezorgd. ‘Heb je de duivel gezien?’
‘Nee, nog erger,’ pufte Techi, ‘Ik heb Hem gezien. De Antilliaan. Ik heb de Antilliaan gezien.’
Roro keek nog bezorgder, omdat hij begon te twijfelen aan de verstandelijke vermogens van Techi. Arme Techi, dacht hij. Zij werkt veel te hard. Van ’s morgens zes tot ’s avonds zes. De hele dag in de hitte van de stomerij. Daar krijg je ook wat van.
‘Wat heb je dan precies gezien?’ vroeg hij aan Techi, want hij had geleerd dat je gekken niet moest tegenspreken. ‘Hoe zag hij eruit, die Antilliaan?’
‘Hij had een witte mantel om met een rode en een blauwe streep erop. En boven zijn hoofd hing een aureool van zes, nee vijf sterren.’ Techi bleef stil en staarde voor zich uit.
‘En?’ vroeg Roro ongeduldig. ‘Hoe zag hij er verder uit. Was hij groot? Klein? Welke huidskleur had hij?’
‘Hij was niet groot en ook niet klein. Hij was niet zwart en niet wit. Hij was ...’
Techi kreeg het benauwd, het zweet brak haar uit. Haar handen beefden. Roro vreesde dat zij flauw zou vallen.
‘Water,’ riep hij tegen de barman. ‘Koud water. Snel.’ Maar Techi nam zelf een fles glacial uit haar tas en besprenkelde haar voorhoofd ermee. Dat deed haar goed. Zij kon weer spreken.
‘Wat was hij dan?’ vroeg Roro. Hij zat op het puntje van zijn stoel.
‘Hij was ...,’ hakkelde Techi. ‘Hij was ... transparant.’
‘Hij was transparant, laat mij niet lachen,’ zei een krakende stem. Zij keken verbaasd om. Daar zat een oude man aan het tafeltje achter hen. Zij hadden hem niet opgemerkt. Hij was geruisloos binnengekomen.
‘Een LV*,’ fluisterde Roro tegen Techi.
‘Helemaal geen LV,’ sprak de oude man, ‘jullie kunnen fluisteren wat jullie willen, ik hoor het allemaal. Ik ben niet doof. De Antilliaan heeft nooit bestaan. Hij is een verzinsel van de Hollanders, net als de Vliegende Hollander. Het verhaal werd vroeger ’s avonds voor het slapen gaan aan kinderen verteld en dan konden zij van de angst niet slapen. Zij pisten in hun broek. Aan stoute kinderen werd gezegd, ‘ik roep de Antilliaan voor je’, en dan werden zij stil. De Antilliaan was de boosdoener. Hij kreeg de schuld van alles wat de Hollanders verkeerd deden. Dat is heel lang geleden. Als je het nu over de Antilliaan hebt, lachen de kinderen je uit. Professor V. Marsje heeft een boek over geschreven.’
Wan was zeer verontrust. Hij wist zeker dat de vrouw hem gezien had. Al die jaren had hij zich schuil kunnen houden. Niemand wist dat hij nog bestond. En al had hij aan hen verklapt dat hij een Antilliaan was, dan nog hadden zij hem uitgelachen. Niemand geloofde meer in de Antilliaan. Maar nu liep hij gevaar. De vrouw had hem herkend, dat had hij aan haar reactie gezien. En zij ging het rondbazuinen. En dan kwam de RST.
Midden in de nacht werd op de deur van Techi’s huis gebonsd. ‘Doe open. De RST.’ zei een zware stem. Techi deed met bevende handen open.
‘U bent Techi en u heeft de Antilliaan gezien?’ sprak de Blonde Reus. ‘Kunt u ons naar de plek des onheils brengen?’
Techi kreeg geen tijd om zich aan te kleden. Tussen drie grote mannen in liep zij naar de plaats waar zij die middag de gedaante gezien had. Het was volle maan, maar zij vonden niets. Heel in de verte zagen zij de witte mast van een zeilschip wegvaren richting Coro.
Dat was Wan, de laatste Antilliaan. Maar zij konden dat niet weten.
*LV: de LuisterVinken, de geheime dienst van de Geheime Leider.
‘Wat is er aan de aan de hand?’ vroeg Roro bezorgd. ‘Heb je de duivel gezien?’
‘Nee, nog erger,’ pufte Techi, ‘Ik heb Hem gezien. De Antilliaan. Ik heb de Antilliaan gezien.’
Roro keek nog bezorgder, omdat hij begon te twijfelen aan de verstandelijke vermogens van Techi. Arme Techi, dacht hij. Zij werkt veel te hard. Van ’s morgens zes tot ’s avonds zes. De hele dag in de hitte van de stomerij. Daar krijg je ook wat van.
‘Wat heb je dan precies gezien?’ vroeg hij aan Techi, want hij had geleerd dat je gekken niet moest tegenspreken. ‘Hoe zag hij eruit, die Antilliaan?’
‘Hij had een witte mantel om met een rode en een blauwe streep erop. En boven zijn hoofd hing een aureool van zes, nee vijf sterren.’ Techi bleef stil en staarde voor zich uit.
‘En?’ vroeg Roro ongeduldig. ‘Hoe zag hij er verder uit. Was hij groot? Klein? Welke huidskleur had hij?’
‘Hij was niet groot en ook niet klein. Hij was niet zwart en niet wit. Hij was ...’
Techi kreeg het benauwd, het zweet brak haar uit. Haar handen beefden. Roro vreesde dat zij flauw zou vallen.
‘Water,’ riep hij tegen de barman. ‘Koud water. Snel.’ Maar Techi nam zelf een fles glacial uit haar tas en besprenkelde haar voorhoofd ermee. Dat deed haar goed. Zij kon weer spreken.
‘Wat was hij dan?’ vroeg Roro. Hij zat op het puntje van zijn stoel.
‘Hij was ...,’ hakkelde Techi. ‘Hij was ... transparant.’
‘Hij was transparant, laat mij niet lachen,’ zei een krakende stem. Zij keken verbaasd om. Daar zat een oude man aan het tafeltje achter hen. Zij hadden hem niet opgemerkt. Hij was geruisloos binnengekomen.
‘Een LV*,’ fluisterde Roro tegen Techi.
‘Helemaal geen LV,’ sprak de oude man, ‘jullie kunnen fluisteren wat jullie willen, ik hoor het allemaal. Ik ben niet doof. De Antilliaan heeft nooit bestaan. Hij is een verzinsel van de Hollanders, net als de Vliegende Hollander. Het verhaal werd vroeger ’s avonds voor het slapen gaan aan kinderen verteld en dan konden zij van de angst niet slapen. Zij pisten in hun broek. Aan stoute kinderen werd gezegd, ‘ik roep de Antilliaan voor je’, en dan werden zij stil. De Antilliaan was de boosdoener. Hij kreeg de schuld van alles wat de Hollanders verkeerd deden. Dat is heel lang geleden. Als je het nu over de Antilliaan hebt, lachen de kinderen je uit. Professor V. Marsje heeft een boek over geschreven.’
Wan was zeer verontrust. Hij wist zeker dat de vrouw hem gezien had. Al die jaren had hij zich schuil kunnen houden. Niemand wist dat hij nog bestond. En al had hij aan hen verklapt dat hij een Antilliaan was, dan nog hadden zij hem uitgelachen. Niemand geloofde meer in de Antilliaan. Maar nu liep hij gevaar. De vrouw had hem herkend, dat had hij aan haar reactie gezien. En zij ging het rondbazuinen. En dan kwam de RST.
Midden in de nacht werd op de deur van Techi’s huis gebonsd. ‘Doe open. De RST.’ zei een zware stem. Techi deed met bevende handen open.
‘U bent Techi en u heeft de Antilliaan gezien?’ sprak de Blonde Reus. ‘Kunt u ons naar de plek des onheils brengen?’
Techi kreeg geen tijd om zich aan te kleden. Tussen drie grote mannen in liep zij naar de plaats waar zij die middag de gedaante gezien had. Het was volle maan, maar zij vonden niets. Heel in de verte zagen zij de witte mast van een zeilschip wegvaren richting Coro.
Dat was Wan, de laatste Antilliaan. Maar zij konden dat niet weten.
*LV: de LuisterVinken, de geheime dienst van de Geheime Leider.
Een speld
Ik ben een kinderboek aan het schrijven en ging op het internet op zoek naar informatie over het gedrag van kinderen in de verschillende leeftijdscategorieën. Wat vinden zij leuk om te lezen? Wat voor soort humor houden zij van? Hoe stellen zij de wereld om hun heen voor? Nou, het lijkt wel alsof je een doctortitel in de psychologie moet hebben om een kind te begrijpen. Toch heeft mijn moeder elf kinderen grootgebracht en zij was een doodgewone huisvrouw. Dus zo ingewikkeld als het in de internetartikelen staat, is het ook weer niet. Als je goed luistert en kijkt, zijn kinderen best te begrijpen. Getuige het verhaal dat ik een keer gehoord heb van een leerkracht.
‘Wat zijn jullie stil, jongens,’ zei mevrouw Martina, onderwijspsychologe bij het Departement van Onderwijs, tegen de kinderen in de klas, terwijl zij in een strakke spijkerbroek en met naaldhakken - tak, tak, tak - op en neer liep. Johnny vond haar meteen lief, in ieder geval leuker dan die vervelende Juf Ivonne.
‘Jazeker,’ viel Juf Ivonne haar trots in de rede. ‘Je hebt geen kind aan ze. In mijn klas kun je een speld horen vallen.’
Daar zegt ze het weer, dacht Johnny. Hij had vanochtend een speld meegebracht van huis en die laten vallen, maar niemand hoorde iets. Juf Ivonne het minst, want die is zo doof als een kwartel. Dat zei zijn moeder een keer na een ouderavond.
‘Die juffrouw van jullie is zo doof als een kwartel. Zij hoort gewoon niet als je iets tegen haar zegt.’
Johnny kon dat niet weten, want hij had nooit een kwartel gezien. ‘Dat is een soort vogel,’ had zijn moeder uitgelegd.
Hij kon zich wel voorstellen dat die kwartels makkelijk te vangen waren. Makkelijker dan totolikas, de kleine duifjes die ’s ochtends bij hem op het erf broodkruimels kwamen pikken. Die waren verre van doof, bij het minste geluid vlogen zij weg.
‘U moet juist een kind aan ze hebben, daarom staat u voor de klas, juffrouw Ivonne,’ merkte mevrouw Martina luchtig op. ‘De kinderen moeten zich kunnen uiten.’
Wat denkt dat wijf nou wel, dacht Juf Ivonne, zij is amper vijfentwintig en die komt mij de les lezen. Zij vergeet dat ik al meer dan dertig jaar voor de klas sta.
‘Hoor je dat,’ fluisterde Johnny tegen Nathalie die naast hem zat, ‘Juf Ivonne moet een kind van ons krijgen. Dat kan helemaal niet.’
‘Stil,’ siste Nathalie, ‘wij moeten van Juf Ivonne stil zijn.’
‘Trut,’ zei Johnny en stak haar met het speldje in de bil.
‘Au,’ schreeuwde Nathalie en buitelde van haar stoel.
‘Johnny!’ gilde Juf Ivonne boos, ‘zit je weer te klieren? Kom hier!’
Mevrouw Martina had binnenpret, nu werd het spannend. Johnny liep aarzelend naar voren en bleef met gebogen hoofd voor Juf Ivonne staan.
‘Johnny! Kijk mij in de ogen.’ Dat was mevrouw Martina.
Johnny keek haar met vragende ogen aan.
‘Vertel mij eens, wat doe je met een speld op school?’
Johnny keek even naar de boze Juf Ivonne en toen weer naar mevrouw Martina.
‘En?’ vroeg mevrouw Martina en streelde hem over zijn kaalgeknipte kop.
‘Ik...’ hakkelde Johnny, ‘wij... wij moesten van Juf Ivonne heel stil zijn wanneer u op bezoek kwam. Zo stil dat je een speld kon horen vallen. Ik heb vanochtend een speld laten vallen, maar niemand hoorde iets. Ik...’
Geen speld tussen te krijgen, dacht mevrouw Martina.
‘Wat zijn jullie stil, jongens,’ zei mevrouw Martina, onderwijspsychologe bij het Departement van Onderwijs, tegen de kinderen in de klas, terwijl zij in een strakke spijkerbroek en met naaldhakken - tak, tak, tak - op en neer liep. Johnny vond haar meteen lief, in ieder geval leuker dan die vervelende Juf Ivonne.
‘Jazeker,’ viel Juf Ivonne haar trots in de rede. ‘Je hebt geen kind aan ze. In mijn klas kun je een speld horen vallen.’
Daar zegt ze het weer, dacht Johnny. Hij had vanochtend een speld meegebracht van huis en die laten vallen, maar niemand hoorde iets. Juf Ivonne het minst, want die is zo doof als een kwartel. Dat zei zijn moeder een keer na een ouderavond.
‘Die juffrouw van jullie is zo doof als een kwartel. Zij hoort gewoon niet als je iets tegen haar zegt.’
Johnny kon dat niet weten, want hij had nooit een kwartel gezien. ‘Dat is een soort vogel,’ had zijn moeder uitgelegd.
Hij kon zich wel voorstellen dat die kwartels makkelijk te vangen waren. Makkelijker dan totolikas, de kleine duifjes die ’s ochtends bij hem op het erf broodkruimels kwamen pikken. Die waren verre van doof, bij het minste geluid vlogen zij weg.
‘U moet juist een kind aan ze hebben, daarom staat u voor de klas, juffrouw Ivonne,’ merkte mevrouw Martina luchtig op. ‘De kinderen moeten zich kunnen uiten.’
Wat denkt dat wijf nou wel, dacht Juf Ivonne, zij is amper vijfentwintig en die komt mij de les lezen. Zij vergeet dat ik al meer dan dertig jaar voor de klas sta.
‘Hoor je dat,’ fluisterde Johnny tegen Nathalie die naast hem zat, ‘Juf Ivonne moet een kind van ons krijgen. Dat kan helemaal niet.’
‘Stil,’ siste Nathalie, ‘wij moeten van Juf Ivonne stil zijn.’
‘Trut,’ zei Johnny en stak haar met het speldje in de bil.
‘Au,’ schreeuwde Nathalie en buitelde van haar stoel.
‘Johnny!’ gilde Juf Ivonne boos, ‘zit je weer te klieren? Kom hier!’
Mevrouw Martina had binnenpret, nu werd het spannend. Johnny liep aarzelend naar voren en bleef met gebogen hoofd voor Juf Ivonne staan.
‘Johnny! Kijk mij in de ogen.’ Dat was mevrouw Martina.
Johnny keek haar met vragende ogen aan.
‘Vertel mij eens, wat doe je met een speld op school?’
Johnny keek even naar de boze Juf Ivonne en toen weer naar mevrouw Martina.
‘En?’ vroeg mevrouw Martina en streelde hem over zijn kaalgeknipte kop.
‘Ik...’ hakkelde Johnny, ‘wij... wij moesten van Juf Ivonne heel stil zijn wanneer u op bezoek kwam. Zo stil dat je een speld kon horen vallen. Ik heb vanochtend een speld laten vallen, maar niemand hoorde iets. Ik...’
Geen speld tussen te krijgen, dacht mevrouw Martina.
Monday, October 25, 2010
Sunday, October 3, 2010
Konosé bo Isla 2010-09: Vruchten
Vraag: Welke vrucht is deze?
Pregunta: Kua fruta esaki?
Sluitingsdatum: zondag 7 november 2010
Prijs: een cadeaubon van Boekhandel Mensing.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-08: antwoord
Antwoord:
Nanzi heeft 9 kinderen. (Bron: Hoe Nanzi de koning beetnam en andere Antilliaanse verhalen over de slimme spin. Nilda Pinto. Tweede druk 2006)
Er zijn 7 inzendingen, waarvan 3 goed:
Regina v/d Biest
Elaine.Con
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
Loeki Peters
Leendert J.J. Pengel
Flavia Vasco de Sousa
De winnaar is Leendert Pengel
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Nanzi heeft 9 kinderen. (Bron: Hoe Nanzi de koning beetnam en andere Antilliaanse verhalen over de slimme spin. Nilda Pinto. Tweede druk 2006)
Er zijn 7 inzendingen, waarvan 3 goed:
Regina v/d Biest
Elaine.Con
Frans Kapteijns
Yolanda Chakoetoe
Loeki Peters
Leendert J.J. Pengel
Flavia Vasco de Sousa
De winnaar is Leendert Pengel
Iedereen bedankt voor het meedoen.
De redding
Het is zaterdag en al bijna twaalf uur ’s middags. Er is geen bedrijvigheid in de keuken. De geur van gebakken bananen vullen de steegjes van Otrobanda. Het is stil en somber in huis. Oma Polita heeft een wit doek om haar hoofd gebonden dat zij telkens nat maakt met awa maravia, wonderwater. Zij heeft koppijn van de kopzorgen.
‘Sarajulia,’ roept zij.
Sarajulia is mijn moeder, maar niemand weet dat zij zo heet. Iedereen noemt haar Julia. Als Oma haar Sarajulia noemt, dan is dat een teken dat zij ruzie zoekt. Oma Polita zoekt een zondebok.
‘Sarajulia, heb je al een bloemetje gezet bij het beeld van Sint Antonius?’ vraagt Oma klaaglijk.
Mijn moeder reageert niet, zij heeft geen bloemetje gezet want zij gelooft niet in die onzin. Mijn moeder gelooft nergens in, behalve dan in goed geluk. De dingen komen vanzelf goed. Oma Polita ergert zich hier mateloos aan, zij is het goed geluk.
‘Ga jij een bloemetje plukken,’ zegt zij tegen mij.
Ik sta lusteloos op. Ik heb honger, wil ik zeggen, maar ik pas ervoor op. Voor het beeld van Sint Antonius ligt een hard saladebroodje, half opgevreten door de kakkerlakken.
‘Moet ik dit weggooien?’ vraag ik.
‘Nee, laat maar liggen en zet het bloemetje een beetje netter. Zet het rechtop tegen het beeld aan.’ Ik snap ook niet hoe Sint Antonius door dit eerbetoon voor eten kan zorgen.
Iemand hoest opzichtig in het kamertje naast de kast waar het beeldje op staat. Oom Romoldo ligt op bed en staart naar het plafond. Als er iemand recht heeft op eten, dan is hij het wel. Hij heeft het huishoudgeld netjes op tijd afgedragen aan Oma Polita. Dat gehoest van hem maakt Oma Polita nog ongeduriger.
Het is vaker gebeurd dat er geen eten in huis was. Maar op de een of ander manier kwam er toch manna uit de hemel vallen. Vandaag lijkt de situatie echter uitzichtloos. Oma heeft nergens meer krediet. Geld lenen lukt ook niet. De belofte om morgen terug te betalen, daar trapt niemand in. Het is pas de helft van de maand.
Voor de deur van de overburen klinkt een luidruchtige stem. Oma springt op.
‘Dat is Freddie,’ roept zij, ‘roep hem binnen.’ Het komt plotseling in haar op dat Freddie haar tien gulden schuldig is. Iets uit het grijze verleden, zij weet niet precies meer wat. Zij pakt de schoenendoos waar zij haar papieren in bewaart en begint te zoeken. Maar zij vindt alleen maar oude rekeningen en aanmaningen. Toch weet zij het zeker van die tien gulden. Iedere week heeft zij een tekort van tien gulden op haar budget, dat moet het zijn.
Freddie komt binnen, joviaal zoals altijd. Normaal duldt Oma Polita geen bezoek tegen etenstijd. Na veel omwegen en vragen naar de gezondheid van alle familieleden en aanverwanten van Freddie, brengt Oma de tien gulden ter sprake. Natuurlijk kan Freddie zich daar niets van herinneren en het is trouwens haast onmogelijk, want in de eerste plaats leent hij nooit iets van niemand, en mocht dat toch onverhoeds een keer het geval zijn, dan betaalt hij de volgende dag het geleende meteen terug, dus Polita vergist zich. Oma wordt boos: wil Freddie met andere woorden zeggen dat zij liegt?
Freddie wordt voorzichtig, Polita is niet iemand om ruzie mee te krijgen, wil je je doopceel niet gelicht hebben. Hij is degene die zich vergist, geeft hij toe, maar het probleem is dat hij geen geld bij zich heeft en het thuis moet gaan halen. Daar trapt Oma niet in, eenmaal weg komt hij niet meer terug. Oma kijkt strak naar zijn bestofte schoenen. Freddie begrijpt haar blik. Hij bukt en tovert een tientje tevoorschijn uit zijn rechtersok.
K.
‘Sarajulia,’ roept zij.
Sarajulia is mijn moeder, maar niemand weet dat zij zo heet. Iedereen noemt haar Julia. Als Oma haar Sarajulia noemt, dan is dat een teken dat zij ruzie zoekt. Oma Polita zoekt een zondebok.
‘Sarajulia, heb je al een bloemetje gezet bij het beeld van Sint Antonius?’ vraagt Oma klaaglijk.
Mijn moeder reageert niet, zij heeft geen bloemetje gezet want zij gelooft niet in die onzin. Mijn moeder gelooft nergens in, behalve dan in goed geluk. De dingen komen vanzelf goed. Oma Polita ergert zich hier mateloos aan, zij is het goed geluk.
‘Ga jij een bloemetje plukken,’ zegt zij tegen mij.
Ik sta lusteloos op. Ik heb honger, wil ik zeggen, maar ik pas ervoor op. Voor het beeld van Sint Antonius ligt een hard saladebroodje, half opgevreten door de kakkerlakken.
‘Moet ik dit weggooien?’ vraag ik.
‘Nee, laat maar liggen en zet het bloemetje een beetje netter. Zet het rechtop tegen het beeld aan.’ Ik snap ook niet hoe Sint Antonius door dit eerbetoon voor eten kan zorgen.
Iemand hoest opzichtig in het kamertje naast de kast waar het beeldje op staat. Oom Romoldo ligt op bed en staart naar het plafond. Als er iemand recht heeft op eten, dan is hij het wel. Hij heeft het huishoudgeld netjes op tijd afgedragen aan Oma Polita. Dat gehoest van hem maakt Oma Polita nog ongeduriger.
Het is vaker gebeurd dat er geen eten in huis was. Maar op de een of ander manier kwam er toch manna uit de hemel vallen. Vandaag lijkt de situatie echter uitzichtloos. Oma heeft nergens meer krediet. Geld lenen lukt ook niet. De belofte om morgen terug te betalen, daar trapt niemand in. Het is pas de helft van de maand.
Voor de deur van de overburen klinkt een luidruchtige stem. Oma springt op.
‘Dat is Freddie,’ roept zij, ‘roep hem binnen.’ Het komt plotseling in haar op dat Freddie haar tien gulden schuldig is. Iets uit het grijze verleden, zij weet niet precies meer wat. Zij pakt de schoenendoos waar zij haar papieren in bewaart en begint te zoeken. Maar zij vindt alleen maar oude rekeningen en aanmaningen. Toch weet zij het zeker van die tien gulden. Iedere week heeft zij een tekort van tien gulden op haar budget, dat moet het zijn.
Freddie komt binnen, joviaal zoals altijd. Normaal duldt Oma Polita geen bezoek tegen etenstijd. Na veel omwegen en vragen naar de gezondheid van alle familieleden en aanverwanten van Freddie, brengt Oma de tien gulden ter sprake. Natuurlijk kan Freddie zich daar niets van herinneren en het is trouwens haast onmogelijk, want in de eerste plaats leent hij nooit iets van niemand, en mocht dat toch onverhoeds een keer het geval zijn, dan betaalt hij de volgende dag het geleende meteen terug, dus Polita vergist zich. Oma wordt boos: wil Freddie met andere woorden zeggen dat zij liegt?
Freddie wordt voorzichtig, Polita is niet iemand om ruzie mee te krijgen, wil je je doopceel niet gelicht hebben. Hij is degene die zich vergist, geeft hij toe, maar het probleem is dat hij geen geld bij zich heeft en het thuis moet gaan halen. Daar trapt Oma niet in, eenmaal weg komt hij niet meer terug. Oma kijkt strak naar zijn bestofte schoenen. Freddie begrijpt haar blik. Hij bukt en tovert een tientje tevoorschijn uit zijn rechtersok.
K.
Le pays gris
De volgende dag was alles grijs. De regenboog was verdwenen.
Tony ging zijn vriendin Ellie ophalen. Zij hadden afgesproken om samen te gaan ontbijten. Hij toeterde en zij kwam naar buiten. Zij ziet er anders uit vanochtend, dacht Tony, haar haren glanzen niet en zij heeft geen lippenstift gezet.
‘Je hebt geen lippenstift gezet,’ zei Tony aarzelend toen Ellie in de auto stapte.
‘Ik heb wél lippenstift gezet,’ antwoordde Ellie gepikeerd. Zij raakte altijd geïrriteerd wanneer Tony opmerkingen maakte over haar uiterlijk. Moest zij er de hele dag als een miss bij lopen?
Het verkeer bij de grote kruising van Biesheuvel zat muurvast. Alle auto’s toeterden luidruchtig.
‘Wat is hier nou aan de hand?’ vroeg Ellie verbaasd.
‘Er zal wel een ongeluk gebeurd zijn. Een kettingbotsing of zo. Ik zal even kijken.’
Tony ging op de rand van het autoportier staan om over de andere auto’s heen te kunnen kijken.
‘A... alle verkeerslichten staan op grijs,’ stotterde hij.
‘Neem jij mij in de maling?’ reageerde Ellie boos. ‘Hoe kunnen de verkeerslichten nou op grijs staan?’
‘Kijk zelf maar,’ antwoordde Tony. ‘Rood staat op grijs, oranje staat op grijs en groen staat op grijs.’
Inderdaad.
Na handig manoeuvreren, konden zij doorrijden. Zij gingen bij Denny’s ontbijten.
‘Mogen wij de menukaart?’ vroeg Tony aan de serveerster.
‘Wij hebben geen menukaart, meneer,’ antwoordde het meisje. ‘Wij serveren maar één gerecht. Spek en bonen.’
‘Jij bent niet grappig, hoor,’ kwam Ellie tussenbeide, ‘ga de menukaart halen en breng ook twee glazen water voor ons mee.’
Het meisje ging weg en kwam niet meer terug.
‘Zij is ons vergeten,’ zei Ellie na een poosje. ‘Daar loopt zij. Hallo, jij daar, je bent ons vergeten. Zitten er ook hersens in die mooie kop?’
‘Ik heb u niet bediend, mevrouw,’ antwoordde het meisje en liep naar een andere klant.
‘Daar loopt ons meisje,’ zei Tony, ‘Nee, zij is het niet. Zij lijken allemaal sprekend op elkaar.’
‘Laten wij weggaan,’ opperde Ellie ongedurig.
Zij liepen naar de auto. Er kwam een groep schoolkinderen langs op weg naar het sportveld naast het gebouw. Tony stond perplex.
‘Verdorie nog aan toe,’ sprak hij als in een roes, ‘deze kinderen zijn gekloond. Er is geen verschil tussen het ene en het andere kind. Zij hebben allemaal hetzelfde gezicht, dezelfde lengte, dezelfde haren. Zij lopen allemaal hetzelfde. En, zij zijn allemaal... grijs.’
‘Stap snel in de auto,’ schreeuwde Ellie, ‘wij zien geesten.’
In de auto stond de radio aan. Het ochtendnieuws. Een politieke bestuurder was aan het woord.
‘Er bestaat geen multiculturele samenleving. De andere culturen proberen de ene echte cultuur te overwoekeren en te vernietigen. Er bestaat maar één cultuur. Er is maar één oorspronkelijke cultuur. De monocultuur. De grijze...’ Ellie had de radio uitgezet.
‘Die man praat onzin,’ zei ze. ‘De monkeycultuur bedoelt hij.’
Tony bleef stil, hij was diep in gedachten verzonken.
‘Wat scheel je?’ vroeg Ellie. ‘Jij voelt je toch niet verantwoordelijk voor de problemen in deze wereld? Daar hebben wij Obama voor. Wake up, schat.’
Zij liepen een dure dameszaak in de Renaissance Mall binnen. Een schoonheid stond achter de toonbank. Ellie bekeek de jurken die aan de rekken hingen.
‘Is dit de nieuwste mode?’ vroeg zij aan de dame achter de toonbank. Deze knikte bevestigend.
‘Waarom zijn alle jurken grijs?’ vroeg Tony en verstijfde.
K.
Tony ging zijn vriendin Ellie ophalen. Zij hadden afgesproken om samen te gaan ontbijten. Hij toeterde en zij kwam naar buiten. Zij ziet er anders uit vanochtend, dacht Tony, haar haren glanzen niet en zij heeft geen lippenstift gezet.
‘Je hebt geen lippenstift gezet,’ zei Tony aarzelend toen Ellie in de auto stapte.
‘Ik heb wél lippenstift gezet,’ antwoordde Ellie gepikeerd. Zij raakte altijd geïrriteerd wanneer Tony opmerkingen maakte over haar uiterlijk. Moest zij er de hele dag als een miss bij lopen?
Het verkeer bij de grote kruising van Biesheuvel zat muurvast. Alle auto’s toeterden luidruchtig.
‘Wat is hier nou aan de hand?’ vroeg Ellie verbaasd.
‘Er zal wel een ongeluk gebeurd zijn. Een kettingbotsing of zo. Ik zal even kijken.’
Tony ging op de rand van het autoportier staan om over de andere auto’s heen te kunnen kijken.
‘A... alle verkeerslichten staan op grijs,’ stotterde hij.
‘Neem jij mij in de maling?’ reageerde Ellie boos. ‘Hoe kunnen de verkeerslichten nou op grijs staan?’
‘Kijk zelf maar,’ antwoordde Tony. ‘Rood staat op grijs, oranje staat op grijs en groen staat op grijs.’
Inderdaad.
Na handig manoeuvreren, konden zij doorrijden. Zij gingen bij Denny’s ontbijten.
‘Mogen wij de menukaart?’ vroeg Tony aan de serveerster.
‘Wij hebben geen menukaart, meneer,’ antwoordde het meisje. ‘Wij serveren maar één gerecht. Spek en bonen.’
‘Jij bent niet grappig, hoor,’ kwam Ellie tussenbeide, ‘ga de menukaart halen en breng ook twee glazen water voor ons mee.’
Het meisje ging weg en kwam niet meer terug.
‘Zij is ons vergeten,’ zei Ellie na een poosje. ‘Daar loopt zij. Hallo, jij daar, je bent ons vergeten. Zitten er ook hersens in die mooie kop?’
‘Ik heb u niet bediend, mevrouw,’ antwoordde het meisje en liep naar een andere klant.
‘Daar loopt ons meisje,’ zei Tony, ‘Nee, zij is het niet. Zij lijken allemaal sprekend op elkaar.’
‘Laten wij weggaan,’ opperde Ellie ongedurig.
Zij liepen naar de auto. Er kwam een groep schoolkinderen langs op weg naar het sportveld naast het gebouw. Tony stond perplex.
‘Verdorie nog aan toe,’ sprak hij als in een roes, ‘deze kinderen zijn gekloond. Er is geen verschil tussen het ene en het andere kind. Zij hebben allemaal hetzelfde gezicht, dezelfde lengte, dezelfde haren. Zij lopen allemaal hetzelfde. En, zij zijn allemaal... grijs.’
‘Stap snel in de auto,’ schreeuwde Ellie, ‘wij zien geesten.’
In de auto stond de radio aan. Het ochtendnieuws. Een politieke bestuurder was aan het woord.
‘Er bestaat geen multiculturele samenleving. De andere culturen proberen de ene echte cultuur te overwoekeren en te vernietigen. Er bestaat maar één cultuur. Er is maar één oorspronkelijke cultuur. De monocultuur. De grijze...’ Ellie had de radio uitgezet.
‘Die man praat onzin,’ zei ze. ‘De monkeycultuur bedoelt hij.’
Tony bleef stil, hij was diep in gedachten verzonken.
‘Wat scheel je?’ vroeg Ellie. ‘Jij voelt je toch niet verantwoordelijk voor de problemen in deze wereld? Daar hebben wij Obama voor. Wake up, schat.’
Zij liepen een dure dameszaak in de Renaissance Mall binnen. Een schoonheid stond achter de toonbank. Ellie bekeek de jurken die aan de rekken hingen.
‘Is dit de nieuwste mode?’ vroeg zij aan de dame achter de toonbank. Deze knikte bevestigend.
‘Waarom zijn alle jurken grijs?’ vroeg Tony en verstijfde.
K.
Sunday, September 5, 2010
Konosé bo Isla 2010-08: Nanzi

Vraag: Hoeveel kinderen heeft Nanzi?
Pregunta: Kuantu yu Nanzi tin?
Sluitingsdatum: zondag 3 oktober 2010
Prijs: een cadeaubon van The Movies.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-07: antwoord
Antwoord:
‘Lili ta tra li lila pa Lala.’
‘Lilita, tra' li lila pa Lala!’ (Oplossing van Frans Kapteijns)
Er zijn 11 inzendingen, allemaal goed:
Frans Kapteijns
Joan Augusta
Elodie Heloise
Ariadne Faries
Aileen Looman
Edith Wal
Yolanda Chakoetoe
Regina v/d Biest
Jet Gruning
Niels Augusta
Max Maria
De winnares is Edith Wal
Iedereen bedankt voor het meedoen.
‘Lili ta tra li lila pa Lala.’
‘Lilita, tra' li lila pa Lala!’ (Oplossing van Frans Kapteijns)
Er zijn 11 inzendingen, allemaal goed:
Frans Kapteijns
Joan Augusta
Elodie Heloise
Ariadne Faries
Aileen Looman
Edith Wal
Yolanda Chakoetoe
Regina v/d Biest
Jet Gruning
Niels Augusta
Max Maria
De winnares is Edith Wal
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Saturday, September 4, 2010
Schildpaddensoep
Nanzi zit op de stoep van zijn voordeur en staart voor zich uit. Hij is ten einde raad. Vandaag is het al de vierde dag dat er niets te eten is in huis. Niets, nada, niet eens een houtje om op te bijten. Hij had die ochtend voorgesteld om soep te trekken van Pegasaya, hun jongste zoon, maar dat was Shi Maria, zijn vrouw, in het verkeerde keelgat geschoten.
‘Nanzi, ben je nou helemaal van lotje getikt? Van onze jongste soep trekken? Zal ik jou een kopje kleiner maken?’ schreeuwde zij en kwam met haar grotere lijf dreigend op Nanzi af.
‘Wacht,’ probeerde Nanzi zich te verdedigen, ‘Pegasaya heeft nog maar weinig gezien van de wereld en zal dus niet veel missen.’
‘Hou je kop en ga eten voor ons zoeken,’ snauwde Shi Maria, ‘spring desnoods zelf in de pan.’
Nanzi tuurt naar een kudde geiten die in het cactusveld aan het grazen is. Een malse geitenbout aan het spit zal hem nu heerlijk smaken, denkt hij. Hij begint ervan te watertanden. Een geit kan best op drie poten lopen, redeneert hij. In Santa Maria heeft hij een hond op drie poten zien rondhuppelen, waarom zou een geit dat niet kunnen. Het probleem is wel: hoe hak je een geit een poot af, zonder dat zij doodbloedt?
In de verte ziet hij Tante Leguaan aan komen waggelen, hoog op haar poten.
‘Dag Tante Leguaan,’ zegt Nanzi wanneer zij dichterbij is, ‘waar waggelt de reis naartoe?’
‘Dat gaat jou niks aan,’ antwoordt Tante Leguaan bits. ‘Trouwens wat kijk jij flauwtjes uit je ogen. Ik zou haast zweren dat je vier dagen niet gegeten hebt.’
Leguanenstaartsoep zal nu niet slecht smaken, peinst Nanzi. ‘Tante Leguaan,’ zegt hij met een slijmerige stem, ‘men beweert dat u het meest begenadigde onder de dieren bent.’
‘Is dat zo?’ antwoordt de leguaan ijdel, ‘en waarom dan wel?’
‘Zij zeggen dat als u uw staart kwijtraakt, er weer een nieuwe aangroeit. Zoveel wilskracht heeft u.’
‘Ja, ja, ja,’ kirt Tante Leguaan.
‘Maar ik geloof er niets van,’ spreekt Nanzi met een ernstig gezicht, ‘volgens mij bent u een oplichtster. Ik wil het met mijn eigen ogen zien.’ En terwijl hij dat zegt, loopt hij op de leguaan af. In een flits ziet deze de bijl in Nanzi’s hand glinsteren in het zonlicht en zet hem op een lopen.
‘Nanzi, de duivel zal je ziel halen,’ schreeuwt zij vanuit de verte.
Nanzi gooit de bijl aan de kant en gaat weer moedeloos zitten. Er zit niets anders op, denkt hij. Hij moet gaan werken om aan eten te komen. Hij zal de eerste telg zijn uit het oude geslacht Araña die gaat werken. Een grote schande, hij breekt met de traditie. Dan maar liever sterven. Hij zal zich opofferen voor zijn vrouw en kinderen.
Hij heeft gelezen van een religie waarvan gelovigen die zich opofferen in het hiernamaals beloond worden. Hij kijkt in de telefoongids, pakt de telefoon en bekeert zich. Hierna zet hij een pan water op het vuur. Hij zal in de pan springen en soep trekken van zichzelf. Hij zal een brief achterlaten waarin hij Shi Maria en de kinderen smakelijk eten wenst.
Nanzi gaat met zijn kop tussen zijn poten op de stoep zitten wachten totdat het water kookt.
‘Zo Nanzi,’ hoort hij een lijzige stem, ‘wat blik jij somber, is je laatste uur geslagen?’
Nanzi kijkt op. Het is Paddie Schildpad, helemaal onder de modder. ‘Donder op,’ zegt hij tegen Paddie, ‘je stinkt, maak dat je wegkomt, ga baden.’
‘Baden, baden,’ jammert Paddie, ‘waar kan ik op dit moment een warm bad nemen?’
Nanzi springt op. ’s Avonds komen Shi Maria en de kinderen thuis en worden onthaald op een bord heerlijke schildpaddensoep.
K.
‘Nanzi, ben je nou helemaal van lotje getikt? Van onze jongste soep trekken? Zal ik jou een kopje kleiner maken?’ schreeuwde zij en kwam met haar grotere lijf dreigend op Nanzi af.
‘Wacht,’ probeerde Nanzi zich te verdedigen, ‘Pegasaya heeft nog maar weinig gezien van de wereld en zal dus niet veel missen.’
‘Hou je kop en ga eten voor ons zoeken,’ snauwde Shi Maria, ‘spring desnoods zelf in de pan.’
Nanzi tuurt naar een kudde geiten die in het cactusveld aan het grazen is. Een malse geitenbout aan het spit zal hem nu heerlijk smaken, denkt hij. Hij begint ervan te watertanden. Een geit kan best op drie poten lopen, redeneert hij. In Santa Maria heeft hij een hond op drie poten zien rondhuppelen, waarom zou een geit dat niet kunnen. Het probleem is wel: hoe hak je een geit een poot af, zonder dat zij doodbloedt?
In de verte ziet hij Tante Leguaan aan komen waggelen, hoog op haar poten.
‘Dag Tante Leguaan,’ zegt Nanzi wanneer zij dichterbij is, ‘waar waggelt de reis naartoe?’
‘Dat gaat jou niks aan,’ antwoordt Tante Leguaan bits. ‘Trouwens wat kijk jij flauwtjes uit je ogen. Ik zou haast zweren dat je vier dagen niet gegeten hebt.’
Leguanenstaartsoep zal nu niet slecht smaken, peinst Nanzi. ‘Tante Leguaan,’ zegt hij met een slijmerige stem, ‘men beweert dat u het meest begenadigde onder de dieren bent.’
‘Is dat zo?’ antwoordt de leguaan ijdel, ‘en waarom dan wel?’
‘Zij zeggen dat als u uw staart kwijtraakt, er weer een nieuwe aangroeit. Zoveel wilskracht heeft u.’
‘Ja, ja, ja,’ kirt Tante Leguaan.
‘Maar ik geloof er niets van,’ spreekt Nanzi met een ernstig gezicht, ‘volgens mij bent u een oplichtster. Ik wil het met mijn eigen ogen zien.’ En terwijl hij dat zegt, loopt hij op de leguaan af. In een flits ziet deze de bijl in Nanzi’s hand glinsteren in het zonlicht en zet hem op een lopen.
‘Nanzi, de duivel zal je ziel halen,’ schreeuwt zij vanuit de verte.
Nanzi gooit de bijl aan de kant en gaat weer moedeloos zitten. Er zit niets anders op, denkt hij. Hij moet gaan werken om aan eten te komen. Hij zal de eerste telg zijn uit het oude geslacht Araña die gaat werken. Een grote schande, hij breekt met de traditie. Dan maar liever sterven. Hij zal zich opofferen voor zijn vrouw en kinderen.
Hij heeft gelezen van een religie waarvan gelovigen die zich opofferen in het hiernamaals beloond worden. Hij kijkt in de telefoongids, pakt de telefoon en bekeert zich. Hierna zet hij een pan water op het vuur. Hij zal in de pan springen en soep trekken van zichzelf. Hij zal een brief achterlaten waarin hij Shi Maria en de kinderen smakelijk eten wenst.
Nanzi gaat met zijn kop tussen zijn poten op de stoep zitten wachten totdat het water kookt.
‘Zo Nanzi,’ hoort hij een lijzige stem, ‘wat blik jij somber, is je laatste uur geslagen?’
Nanzi kijkt op. Het is Paddie Schildpad, helemaal onder de modder. ‘Donder op,’ zegt hij tegen Paddie, ‘je stinkt, maak dat je wegkomt, ga baden.’
‘Baden, baden,’ jammert Paddie, ‘waar kan ik op dit moment een warm bad nemen?’
Nanzi springt op. ’s Avonds komen Shi Maria en de kinderen thuis en worden onthaald op een bord heerlijke schildpaddensoep.
K.
Monday, August 30, 2010
Monday, August 23, 2010
Dies florin ku dies sèn
Benisio di Ma Keta
mainta promé ku solo sali
a lanta gloria su kurpa
bisti su wayabera blanku
sali kue kaminda pa Punda
promé ku Ma Keta hole sa.
Ta ayera Lunita di tra’i seru
a bin ta konta kuchikuchi
ku gobièrnu tin un plan sekreto
pa regalá tur penshonado
den kuadro di pais nobo
dies florin ku dies sèn.
Ta sèn ku nan a haña den un saku
den kantor di Bestuurscollege
makambanan ku a bishitá nos isla
a laga tras pa nos.
Benisio sintá den sala di espera
esun promé ta bebe awa limpi
diputado ta drenta otro ta sali
unu bistí manera un keke
fragansia di perfume karu
ta wal bo stoma bashí.
Porfin un señorita amabel
a bin atendé Benisio
skirbi number di buki di banko
pa asina ku elekshon pasa
depositá e sèn riba su kuenta.
Benisio a keda mashá kontentu
i a hura e damita bunita
na nòmber di su mama difuntu
ku e lo vota pa e Lider Máksimo
ku tin Benisio i Ma Keta na kurason.
Kompader
mainta promé ku solo sali
a lanta gloria su kurpa
bisti su wayabera blanku
sali kue kaminda pa Punda
promé ku Ma Keta hole sa.
Ta ayera Lunita di tra’i seru
a bin ta konta kuchikuchi
ku gobièrnu tin un plan sekreto
pa regalá tur penshonado
den kuadro di pais nobo
dies florin ku dies sèn.
Ta sèn ku nan a haña den un saku
den kantor di Bestuurscollege
makambanan ku a bishitá nos isla
a laga tras pa nos.
Benisio sintá den sala di espera
esun promé ta bebe awa limpi
diputado ta drenta otro ta sali
unu bistí manera un keke
fragansia di perfume karu
ta wal bo stoma bashí.
Porfin un señorita amabel
a bin atendé Benisio
skirbi number di buki di banko
pa asina ku elekshon pasa
depositá e sèn riba su kuenta.
Benisio a keda mashá kontentu
i a hura e damita bunita
na nòmber di su mama difuntu
ku e lo vota pa e Lider Máksimo
ku tin Benisio i Ma Keta na kurason.
Kompader
Thursday, August 19, 2010
Taal
Op het moment dat de rector van het Radulphus College zich zorgen maakt over de beheersing van de Nederlandse taal op zijn school, lees ik De Kapellekensbaan, de anti-roman van Louis Paul Boon, het meest onorthodoxe boek geschreven in de Nederlandse taal waarvan de beginzin al twaalf regels telt en de tangconstructies je om de oren vliegen, uit. Niettemin wordt dit meesterwerk van ‘Boontje’ beschouwd als een van de absolute hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur van de afgelopen eeuw. Je moet er wel wakker bij blijven, maar dat geldt voor ieder goed boek.
Wat bedoelt de rector nu met beheersing van de Nederlandse taal? Zal een VWO eindexamenkandidaat voor het vak Nederlands De Kapellekensbaan op zijn lijst moeten kunnen zetten als hij daar zijn goesting in heeft? Of voor mijn part om meer bij de tijd te blijven de Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst, ook al een Vlaamse schrijver verdorie, en kom nu niet met Herman Brusselmans aanzetten.
De rector kan zich om de beheersing van om het even welke taal zorgen maken. Alle talen worden slecht beheerst. Hij heeft gekozen voor het Nederlands, historisch, omdat wij in het Nederlands taalgebied van de Koninkrijk der Nederlanden liggen en praktisch, omdat onze jongens en meisjes na de middelbare school in Nederland gaan studeren. De tegenvallende schoolresultaten hier en het falen tijdens de studie daar, worden toegeschreven aan de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. Ik meen te weten dat de studieresultaten van de Marokkaanse studenten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam tot de beste behoren, zij spreken Marokkaans thuis en onderling.
Zouden ook andere factoren een rol kunnen spelen? Bijvoorbeeld een gebrek aan inzet en studiezin, en een laag ambitieniveau bij de leerlingen hier en aanpassingsproblemen, weinig doorzettingsvermogen en te veel afleiding bij de studenten daar? De deskundigen kunnen dat weten.
Maar laten wij terugkeren naar het taalprobleem. Om het probleem te vereenvoudigen maak ik onderscheid tussen de beheersing van de taal in een vakgebied, bijvoorbeeld informatica, economie, psychologie, vaktaal dus en het gebruik van taal in een dialoog, mondeling of schriftelijk.
Vaktaal is een middel om kennis van het vak over te brengen. Een student moet in de eerste plaats de vaktaal goed leren beheersen. De meeste disciplines volgen een min of meer standaard patroon om kennis over te brengen: een conclusie (stelling, bewering) die volgt uit een verzameling gegevens (feiten) en aannemelijk gemaakt wordt door middel van een redenering (betoog). Om het betoog te kunnen houden, moet de student de vaktaal beheersen. De vakdocent moet hier zorg voor dragen, maakt niet uit in welke taal. In de wiskunde gebruikt men symbolen. De Egyptenaren gebruikten hiërogliefen. Consistentie is het belangrijkste.
Taal als een middel voor het voeren van een dialoog is een probleem van een andere orde. De studenten kunnen niet uit hun woorden komen. De studenten kunnen hun gedachten niet op papier zetten. Deze zijn de veel gehoorde klachten. Deze problemen treden op zodra men het veilige patroon van gegevens, redenering en conclusie verlaat en van de student verwacht om zelf zijn gedachten te structureren. Dit vergt oefening en begeleiding. Ik stam zelf uit de tijd van opstellen schrijven en spreekbeurten houden. Maar dit beperkte zich tot de taalvakken. Het had eigenlijk ook voor de andere vakken gemoeten.
In het Amerikaans onderwijs worden veel papers geschreven en wordt er veel gediscussieerd. Een eigen mening hebben, argument en tegenargument, volzinnen gebruiken. Maakt niet uit in welke taal. Maar ook hier weer is consistentie belangrijk. Als men eenmaal een keuze gemaakt heeft, dan moet men zich aan die taal houden. Maar waarom die aversie tegen het Nederlands? Tja, hierover misschien een andere keer.
K.
Wat bedoelt de rector nu met beheersing van de Nederlandse taal? Zal een VWO eindexamenkandidaat voor het vak Nederlands De Kapellekensbaan op zijn lijst moeten kunnen zetten als hij daar zijn goesting in heeft? Of voor mijn part om meer bij de tijd te blijven de Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst, ook al een Vlaamse schrijver verdorie, en kom nu niet met Herman Brusselmans aanzetten.
De rector kan zich om de beheersing van om het even welke taal zorgen maken. Alle talen worden slecht beheerst. Hij heeft gekozen voor het Nederlands, historisch, omdat wij in het Nederlands taalgebied van de Koninkrijk der Nederlanden liggen en praktisch, omdat onze jongens en meisjes na de middelbare school in Nederland gaan studeren. De tegenvallende schoolresultaten hier en het falen tijdens de studie daar, worden toegeschreven aan de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. Ik meen te weten dat de studieresultaten van de Marokkaanse studenten aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam tot de beste behoren, zij spreken Marokkaans thuis en onderling.
Zouden ook andere factoren een rol kunnen spelen? Bijvoorbeeld een gebrek aan inzet en studiezin, en een laag ambitieniveau bij de leerlingen hier en aanpassingsproblemen, weinig doorzettingsvermogen en te veel afleiding bij de studenten daar? De deskundigen kunnen dat weten.
Maar laten wij terugkeren naar het taalprobleem. Om het probleem te vereenvoudigen maak ik onderscheid tussen de beheersing van de taal in een vakgebied, bijvoorbeeld informatica, economie, psychologie, vaktaal dus en het gebruik van taal in een dialoog, mondeling of schriftelijk.
Vaktaal is een middel om kennis van het vak over te brengen. Een student moet in de eerste plaats de vaktaal goed leren beheersen. De meeste disciplines volgen een min of meer standaard patroon om kennis over te brengen: een conclusie (stelling, bewering) die volgt uit een verzameling gegevens (feiten) en aannemelijk gemaakt wordt door middel van een redenering (betoog). Om het betoog te kunnen houden, moet de student de vaktaal beheersen. De vakdocent moet hier zorg voor dragen, maakt niet uit in welke taal. In de wiskunde gebruikt men symbolen. De Egyptenaren gebruikten hiërogliefen. Consistentie is het belangrijkste.
Taal als een middel voor het voeren van een dialoog is een probleem van een andere orde. De studenten kunnen niet uit hun woorden komen. De studenten kunnen hun gedachten niet op papier zetten. Deze zijn de veel gehoorde klachten. Deze problemen treden op zodra men het veilige patroon van gegevens, redenering en conclusie verlaat en van de student verwacht om zelf zijn gedachten te structureren. Dit vergt oefening en begeleiding. Ik stam zelf uit de tijd van opstellen schrijven en spreekbeurten houden. Maar dit beperkte zich tot de taalvakken. Het had eigenlijk ook voor de andere vakken gemoeten.
In het Amerikaans onderwijs worden veel papers geschreven en wordt er veel gediscussieerd. Een eigen mening hebben, argument en tegenargument, volzinnen gebruiken. Maakt niet uit in welke taal. Maar ook hier weer is consistentie belangrijk. Als men eenmaal een keuze gemaakt heeft, dan moet men zich aan die taal houden. Maar waarom die aversie tegen het Nederlands? Tja, hierover misschien een andere keer.
K.
Sunday, August 1, 2010
Konosé bo Isla 2010-07: Taal
lilitatralililapalala
Hierboven staat een zin in het Papiaments zonder hoofdletters, spaties en leestekens.
Vraag: Wat zegt de zin?
Pregunta: Kiko e frase ta bisa?
Sluitingsdatum: zondag 5 september 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Hierboven staat een zin in het Papiaments zonder hoofdletters, spaties en leestekens.
Vraag: Wat zegt de zin?
Pregunta: Kiko e frase ta bisa?
Sluitingsdatum: zondag 5 september 2010
Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.
Sponsor: ESCRIBA N.V.
(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:
revers@cura.net
of door een reply op de door U ontvangen mail van Learnforfun. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)
Konosé bo Isla 2010-06: antwoord
Antwoord: Palapa Hotel
Er zijn 7 inzendingen, allemaal goed:
Erich Renee
Eduardo Vlieg
America Augusta
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Yolanda Chakoetoe
Flavia Vasco de Sousa
De winnaar is Eduardo Vlieg
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Er zijn 7 inzendingen, allemaal goed:
Erich Renee
Eduardo Vlieg
America Augusta
Joan Augusta
Regina v/d Biest
Yolanda Chakoetoe
Flavia Vasco de Sousa
De winnaar is Eduardo Vlieg
Iedereen bedankt voor het meedoen.
Subscribe to:
Posts (Atom)

