Sunday, April 3, 2011

Konosé bo Isla 2011-03: Loempia



De Chinees in het vroegere en inmiddels gesloopte West-end gebouw was bekend om zijn heerlijke loempia’s.

Vraag: Hoe werd vroeger een loempia genoemd in het Papiaments?

Sluitingsdatum: zondag 1 mei 2011

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-02: antwoord

Antwoord: Doen alsof je iets niet hoort (Oost-Indisch doof)

Er zijn 7 inzendingen, waarvan 4 goed:

Melinda Domacassé
America Augusta
Imogene Rosario
Reginald Römer
Regina v/d Biest
Jamila Romero
Frans Kapteijns

De winnaar is Frans Kapteijns

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De hervorming

‘Weet je wat het probleem is?’ vraagt Nanzi aan de tijger die hem de pas afsnijdt.
‘Ja,’ antwoordt de tijger, ‘ik heb honger en er is niets te eten. Als ik mijn maag kon vullen met een magere spin, dan had ik jou al drie keer opgegeten. Maar, bij nader inzien.’
‘Nee, nee, nee,’ zegt Nanzi haastig, ‘daar hebben wij het nu niet over. Ik heb het over het staatsbestel.’
‘Vult het mijn maag, dat staatsbestel?’ vraagt de tijger.
‘Nee. Ja. Wat ik bedoel is dit. Op de keper beschouwd bestaat de gemeenschap uit drie groepen dieren: de denkers, de hebbers en de werkers. En nogmaals op de keper beschouwd moet het staatsbestel, of beter gezegd, het bosbestel ook zo ingericht zijn. De denkers zijn wijs en onbaatzuchtig, dus zij besturen het bos. De kosten van het besturen worden betaald door de hebbers die de goederen bezitten. De werkers produceren de goederen en die worden hen door de bezitters afgepakt. Zo krijgen wij de zogenoemde goederenstroom en economische stabiliteit. Wat ik hiermee probeer te zeggen is dat wij de staat, of beter gezegd, het bos dienovereenkomstig moeten hervormen.’
De tijger die maar de helft verstaat van wat Nanzi zegt, onderbreekt hem.
‘Luister Nanzi, Ik versta de helft van wat je daar raaskalt. Op de keper dit en op de keper dat, vertel mij maar liever, wat is de bottomline?’
‘De bottomline?’ mompelt Nanzi terwijl hij nadenkt. ‘De bottomline is, hoe zal ik het uitleggen, de bottomline is dat jij nooit meer honger zult hebben.’
‘Is dat zo?’ brult de tijger enthousiast. ‘Laten wij meteen gaan hervormen. Waar beginnen wij?’
‘Wij beginnen bij de denkers,’ antwoordt Nanzi opgelucht. ‘Even denken. Wie is de grootste denker van het bos? Natuurlijk, professor dr. Palabrua, laten wij hem gaan opzoeken.’

Professor Palabrua zit gebogen over vijf dikke boeken over de actuariële wiskunde en rekent tien vellen vol. Maar hij komt er niet uit. Wat is de minimale pensioengerechtigde leeftijd van de dieren in het bos? De eendagsvliegen willen hun recht doen gelden. Hoe hij ook integreert en differentieert, hij komt telkens uit op 65 en dat pikt geen hond.
‘Hooggeleerde heer Palabrua,’ zegt Nanzi met een plechtige stem, ‘vergeeft u ons de brutaliteit om zonder afspraak langs te komen en zonder te kloppen binnen te komen.’
‘Insgelijks, hooggezeten heer’ bromt de tijger ook plechtig.
Dr. Palabrua schrikt zich een uil bij het horen van de bromstem van de tijger en fladdert angstig naar de hoogste tak van zijn boomhuis.
‘Hooggeleerde,’ zegt Nanzi geruststellend, ‘u hoeft niet bang te zijn. Wij komen u alleen maar vertellen dat u de grootste denker van het bos bent. Komt u maar naar beneden.’
‘Ik zit liever hier,’ antwoordt de uil die wijs genoeg is om geen van beide gasten te vertrouwen, ‘vertelt u het maar.’
‘Goed dan,’ gaat Nanzi verder, ‘wij zijn zojuist tot de conclusie gekomen dat voor de goede gang van zaken de denkers het bos moeten besturen. U krijgt alle benodigde middelen van de hebbers. In ruil daarvoor moet u naar hun pijpen dansen. De tijger is een hebber, hij blijft hier en zal u alles uitleggen.’

‘Wacht, ik ga mee,’ schreeuwt de tijger die merkt dat Nanzi er stiekem tussenuit knijpt. Onderweg komen zij een boer tegen die een vet varken aan een touw meetrekt.
‘Mag een hebber het bezit van een andere hebber opeisen?’ vraagt de tijger aan Nanzi
‘Er moet altijd iets tegenover staan,’ antwoordt Nanzi, ‘dat heet een ruil.’
‘Hebt u uw leven lief?’ vraagt de tijger aan de boer.
‘Nou en of,’ antwoordt de boer.
‘Dan mag u het behouden in ruil voor het varken,’ zegt de tijger en neemt het touw over van de boer.
‘Jij vergeet iets,’ zegt Nanzi tegen de tijger, ‘ik ben een denker en ik krijg de middelen van de hebbers.’ En hij neemt het touw over van de tijger.

Middelmatigheid

Het elftal loopt trots het veld op in het nieuwe uniform, een zwarte broek en een gele trui: de Geelbuiken van Banda Riba. Chapè vloekt en schopt een steen weg met zijn kromme rechtervoet. Hij blijft op de bank, hij speelt niet mee. Je bent twee keer niet komen trainen, zegt de trainer, dus je doet niet mee. Maar ik heb uitgelegd waarom ik niet kon, antwoordt Chapè boos. De trainer is al op het veld instructies aan het geven aan de spelers. Zij spelen tegen de Kachapas van Banda Bou. Het is een belangrijke wedstrijd, de winnaar moet Curaçao vertegenwoordigen tijdens de regionale kampioenschappen in Suriname.

Chapè of Welek, zo wordt hij ook wel genoemd omdat hij bliksemsnel is, vindt dat hij de beste speler van de club is. Waarom moet hij trainen? Met zijn kromme rechtervoet weet de keeper nooit welke richting hij de bal uitschopt. Hij is degene die altijd de strafschoppen neemt. De keeper springt naar links en de bal rolt rechts het doel binnen. Nu zit hij op de bank. Wij gaan verliezen, bromt hij. Een schande.

Hij vindt het vooral een schande omdat allebei zijn vriendinnen op de tribune zitten, onwetend van elkaar. Allebei zijn komen kijken hoe hij de doelpunten maakt. Zeker drie, had hij beloofd.
Het eerste doelpunt valt, één nul voor Banda Bou. Nu kunnen zij niet zonder mij, denkt Chapè en maakt gebaren naar de trainer. Deze schudt met zijn hoofd van nee. Goooool, twee nul voor Banda Bou. Wat een lamzak, gromt Chapè.

Andrew Jones, Churandy Martina, Jean-Julien Rojer, wat hebben zij met elkaar gemeen? Zij zijn allemaal hier geboren. Akkoord, wat nog meer? Zij zijn alle drie internationaal bekend. Goed, maar nog iets. Hmmm, de lezer denkt na. Nee, wat dan? Alle drie oefenen zij vele uren per dag.

Ja, mijn dikke bult, zegt Chapè, ik moet ook nog werken. Elke dag een paar uur trainen, ben je gek. Twee keer per week is meer dan voldoende.
Er is een regel die zegt dat als je de top wil bereiken in sport, muziek, kunst, etc. of deskundig wil zijn op het een of ander gebied, je 10.000 uur daaraan besteed moet hebben. Alle drie de namen die wij genoemd hebben en waar wij trots op zijn, hebben de 10.000 uur ruimschoots overschreden.

De Canadese schrijver Malcolm Gladwell heeft in zijn boek Outliers: The Story of Success deze zogenaamde 10.000 uur regel populair gemaakt. Volgens Gladwell wordt succes meer bepaald door inzet dan door talent. Natuurlijk speelt talent een rol. Als je twee linkerhanden hebt, word je nooit een goede timmerman.
Ook de omgeving speelt vaak een doorslaggevende rol, zegt Gladwell. Waarom komen zoveel wiskundigen uit China, hardlopers uit Ethiopië, musici uit Cuba? Omdat de omgeving dat stimuleert. Er worden uren in geïnvesteerd. Bewust of onbewust. Wat stimuleren wij?

Middelmatigheid, zegt Reginald V. Römer tijdens de presentatie van zijn nieuwste boek: Sapaté, na bo sapatu! Een boek, 742 bladzijden dik, vol spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen in het Papiaments, met de equivalente vertalingen in het Nederlands, Engels en Spaans. Er staan 10.600 uitdrukkingen in, waaronder natuurlijk herhalingen, want een uitdrukking waar kat en muis in voorkomt, is te vinden onder ‘kat’ en onder ‘muis’.
Middelmatigheid, zegt Römer, omdat wij kiezen voor de weg van de minste weerstand en de tijd niet nemen om iets goed te doen. Dat hij de nodige uren heeft geïnvesteerd in het boek, is evident.

Ik sla het boek open op een willekeurige bladzijde. Mòfi di: ‘Mi ta traha mi kas, pero ku su dak’. Engelse vertaling: If a thing is worth doing, it’s worth doing well. / Do what you do with all your might.
Hé, wat toevallig.

Funchi met bakkeljauw

U luistert naar de radio en u hoort in het nieuws het bericht dat bij een instelling de bewoners boos zijn omdat zij stamppot voorgeschoteld krijgen in plaats van funchi met bakkeljauw. Het probleem is de nieuwe Hollandse kok, alsof er niet genoeg te bakken is in Holland komt een kok helemaal van de andere kant van de oceaan een potje stampen in plaats van in de funchi te roeren.
Uw kinderen hadden geen Hollandse kok, maar toch kregen zij twee keer per week stamppot van groene groenten te eten waardoor zij de volgende dag hun groene poep hadden na te kijken. Dat moet je de kinderen van tegenwoordig niet flikken. Zij hangen meteen aan de hulplijn en vertellen dat zij thuis gruwelijk mishandeld worden.
Krijgen jullie elke dag een pak rammel met een natte riem, vraagt de mevrouw aan het andere eind van de lijn. Neen, antwoorden de kinderen. Worden jullie met de kop in de wasmachine geduwd? Neen, antwoorden de kinderen. Wat verdorie dan wel, vraagt een ongeduldige hulpverleenster. Wij moeten twee keer per week stamppot eten van groene groenten. Wat zeggen jullie daar? Dat verzinnen jullie toch niet? Gruwelijk.
Hallo, zijn jullie er nog? Komen jullie uit een 1- of 2-ouder gezin? Twee ouders. Woont jullie vader nog thuis? Ja, mevrouw. Stamp hem het huis uit. Wij moeten van onze moeder stamppot eten. O ja? Stamp haar ook het huis uit en bellen jullie volgende week weer voor een follow-up. Hebben jullie het nummer?
En dan hebt u een vriend die zegt dat hij geen geld heeft om gezond te eten. Weet je wat een pakje kruidenthee kost in de winkel? Kruidenthee om je van binnen schoon te spoelen gelijk een wit laken? Dat is niet te betalen. Daarom gaat uw vriend naar McDonalds, Burgerking en Kentucky omdat daar de thee goedkoop is. En u legt uw vriend uit dat hij in de nieuwe markt goedkoop groenten kan kopen en daarmee een lekkere en gezonde pot kan stampen. En uw vriend snapt niet dat gezond ook nog lekker kan zijn.
Een andere kennis komt bij u klagen dat haar kinderen niet gezond willen eten en geen groenten lusten. Zij zet elke dag groente en fruit voor hun neus, maar zij raken die niet aan. En wie eet dan de groente en het fruit op, vraagt u aan uw kennis. Niemand, antwoordt zij. U ook niet, vraagt u verbaasd. Ik krijg het niet door mijn keel, antwoordt zij en trekt een vies gezicht.
Ook de overheid klaagt van obesitas dit en obesitas dat. De mensen zijn te dik, de jeugd is te dik. Er moet een nationale bewustwordingcampagne opgezet worden. Op school, op kantoor, op straat. Meer groenten en fruit op tafel. De mensen moeten meer bewegen, het liefst in het openbaar, op het Brionplein, met dure sportkleren aan van bekende merken. De overheid stelt dus een commissie in om dit alles in kaart te brengen en een rapport te schrijven en een congres te organiseren. De commissie vergadert na kantoortijd wanneer iedereen precies honger krijgt en de voorzitter vraagt voordat de vergadering begint wie snel een emmer Kentucky gaat halen.
In de zomer gaat u naar Nederland op bezoek bij de kinderen die groot en sterk en slim zijn geworden, en u maakt uw koffer open en haalt er allerlei lekkere dingen uit die u glimlachend op tafel uitstalt -pepersardientjes, libby’s sausijsjes, club social beschuiten- en de jongste zegt: Dit kunnen wij allemaal krijgen aan de Kruiskade. U kijkt een beetje sip en zij nemen u mee uit eten. Waar gaan wij? Een verrassing, een eettent in Zuid waar zij allerlei lekkere dingen hebben. U ziet flatwoningen met satellietschotels. U ziet hoofddoeken en kinderwagens. U ziet... verrek is dat niet Djidji van Boca Sami? Hier is het. Buiten staat een groot bord en u leest: Dagschotel: funchi met bakkeljauw. Hebben jullie ook stamppot, vraagt u.

Sunday, February 6, 2011

Konosé bo Isla 2011-02: Papiamentu

Vraag:
Wat betekent de uitdrukking in het Papiaments: ‘Ni patu, ni riu’?


Sluitingsdatum: zondag 6 maart 2011

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-01: antwoord

Antwoord: Maria Porko Sushi

Er zijn 29 inzendingen, waarvan 26 goed:

Max Maria
America Augusta
Ariadne Faries
Max Martina
Solange Nijdam
Glyraine Celestina
Reginald Romer
Siagnee Mariano
Aileen Looman
Angélique Da Costa Gomez
Leendert J.J. Pengel
Winsel Peney
R. Severing
Arelis Hurtado
Jamila Romero
Douglas, Brigitte
Laicam How
Sheryl Losiabaar
Madelyn Francisco
Dominique Jong
Yolanda Chakoetoe
Lucinda Martha
Edward Nahar
Regina v/d Biest
Sam Shorty
L.J.Chr. Dee
Edith Wal
Emely Garcia
Rudy Hollander

De winnares is Ariadne Faries

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Cinelandia

Als ik ergens een hekel aan had, dan was dat koude reskuk (rijstpannenkoek). Dat verkocht de oude vrouw die elke zondagmiddag naast de ingang van Cinelandia achter een bak vol lekkernijen zat. Koud in de zin van niet warm. Pannenkoeken moet je warm eten, vers uit de pan. Zij verkocht ook arepa di pampuna (pompoenpannenkoeken), koud. Dat vond ik helemaal smerig. Ik hield het op een zakje fruta di pan (broodvrucht) met een stukje kokos, een merkwaardige combinatie weliswaar, maar lekker. Dat wist de oude verkoopster, want ze zette het zakje al klaar wanneer zij mij aan zag komen. Ik betaalde met gepast geld, een kwartje.

Dit gebeurde allemaal nadat ik een kaartje had gekocht voor de voorstelling van half zeven: Bandits of the West, van Alan Rocky Lane. Hij was een betere tipo, held, dan Roy Rogers. Hij liet zich niet makkelijk in de luren leggen. Ik hoefde mij niet te haasten om naar binnen te gaan, want het eerste half uur zag je toch geen pest. Pas rond zeven uur zag je Alan Rocky Lane voorbij stuiven op zijn witte paard helemaal in het wit gekleed, achter de bandiet op een zwart paard en in het zwart gekleed aan .

‘Kijk boven je,’ riepen wij allemaal hysterisch. Maar het was te laat. De bandiet was op een rots geklommen en sprong bovenop Alan Rocky Lane toen deze, niets vermoedend, voorbij galoppeerde. Zij vielen allebei op de grond en gingen met elkaar op de vuist. ‘Hul e,’ schreeuwden wij bij elke vuistslag. ‘Hul e!’ ‘Sla hem!’ Maar de bandiet ontsnapte. ‘Stommerik.’ schreeuwden wij tegen Alan Rocky Lane.

Wat deed je als Otrobandista in Cinelandia? Goede vraag. Cinelandia was het domein van de jongens uit Pietermaai, Fleur de Marie, Sint Jago, Parera ... En er waren daar lastige individuen tussen.

‘Hul e,’ klonk het achter in de zaal. ‘Hul e.’ Alan Rocky Lane zat rustig op een stoel voor de Cantina een sigaret te roken. Nee, het gevecht was in filmzaal. Iedereen vergat het scherm en rende naar achteren. Het licht ging aan. Een jongen in het wit klom op een stoel en sprong op een andere jongen in het zwart. Zij tuimelden over de stoelen. Iedereen maakte plaats. ‘Hul e!’ De beheerder kwam aanlopen. Iedereen snelde naar zijn zitplaats. De twee jongens stonden op en gingen voorin zitten. Het licht ging weer uit.

De bandiet liep de Cantina binnen, in het wit gekleed. ‘Hij is het, pak hem,’ schreeuwden wij. Maar Alan Rocky Lane had niets in de gaten. Hij had zijn hoed over zijn ogen geschoven en deed een dutje. ‘Och, och, och, wat een stommerik,’ jammerden wij.

Op de muur aan de oostzijde van de filmzaal verscheen een gestalte. Het silhouet tekende zich af tegen de heldere sterrenhemel. Er verscheen nog een gedaante en nog een. Alle drie verdwenen tegelijk. Zij waren in de zaal gesprongen. Vanachter in de zaal schenen twee lichtbundels. Achter de lichtbundels liepen twee politieagenten. Iedereen zat doodstil. Niemand bewoog. De drie gestalten waren opgelost in het duister tussen de stoelen van de middelste rij. Ik had het door midden gescheurde entreekaartje klaar in mijn hand. Een lichtbundel scheen erop. Het licht verplaatste zich. Even later liepen de politieagenten weer naar achteren. Zij hadden drie jongens bij de kraag.

De bandiet ging aan de bar staan en bestelde een dubbele whisky. De barman schonk de whisky in met bevende handen. In plaats van te betalen, grijnsde de bandiet en liet zijn gouden tanden zien. Alan Rocky Lane kwam naast hem staan. Wij hielden onze adem in. Plotseling verschenen er allemaal rare tekens en sterretjes op het scherm. Het scherm werd wit. De filmstrook was geknapt. ‘Krak,’ klonk het. Een stoel rechtsvoor in de zaal sneuvelde. ‘Krak.’ Nog één, nu linksvoor. ‘Ik wil mijn geld terug,’ riep iemand.
Na een poosje werd de film hervat. Alan Rocky Lane zat op zijn paard. Hij floot en zong een liedje. Daarna draaide hij zich om en liet zijn paard steigeren. Het licht ging aan. The End.

K.

Waar leef je?

Het toestel op de vergadertafel piept twee keer. Een mooi dingetje, wit met een zilveren rand in een wit etuitje. Linda Treurniet pakt het snel op en drukt op een toets. Johan van den Bergh, verkoopmanager van IT4U, twijfelt. Moet hij doorgaan met de presentatie of moet hij even stil blijven? Linda kijkt met een schichtige blik op en knikt dat hij door moet gaan. Johan had net iedereen in zijn greep, hij was vol zelfvertrouwen. Nog één plaatje en ik heb ze over de streep, dacht hij. Maar nu is hij hun aandacht kwijt. In een fractie van een seconde.

Linda kijkt op het scherm en leest het bericht. Mariëla is bevallen van een meisje. Dat het een meisje was, wisten zij allang. Tegenwoordig weet je alles van te voren. De medische wetenschap staat voor niets. De dokter heeft zelfs al de intelligentie van het kind vastgesteld aan de hand van het aantal schoppen per tijdseenheid tegen de buik van de moeder.

Linda glimlacht. Niet tegen Johan, maar tegen zichzelf. Zij wordt de madrina, dat was afgesproken. Nee, niet daarom glimlacht zij. Zij glimlacht omdat in het bericht staat dat Michael de padrino wordt. Een knappe jongen, die Michael. Zij was al een tijd aan het broeden op hoe zij met hem in contact kon komen. Nu komt hij uit de hemel vallen.

Johan is toch niet doorgegaan met de presentatie, hij wacht totdat Linda weer opkijkt. Linda Treurniet MBA is de Financieel Manager van Bo Banko N.V. en Johan wil een nieuwe accounting software aan de bank slijten. Linda kijkt aandachtig op. Johan herhaalt wat er op het vorige plaatje stond: de tien voordelen van de nieuwe software. Linda knikt instemmend. ‘Piep, piep,’ gaat het toestel weer. Linda kijkt en krijgt de slappe lach. Een foto van Michael.

In het dorp Kitengui in Bas-Congo dansen de vrouwen in het rond van blijdschap. Er is een meisje geboren, gezond en wel. De goden worden bedankt. De moeder van veertien maakt het ook goed. De vader mag het kind nog niet zien. Twee weken later krijgt de familie in het dorp Niala, 200 kilometer verderop, bericht van de geboorte van hun nicht. Zij heet Dime Robo: zij die voor een dubbeltje geboren is. Het bericht wordt doorgeseind en komt een week later aan in het volgende dorp: ‘Onze nicht is geboren in Kitengui en zij heet Dime Robo. Volgende maand is het doopfeest.’ ‘Robo?’mompelt de dorpsoudste. ‘Zij die nooit een kwartje wordt?’

Jessica zit in haar auto, een grote grijze SUV, op de parkeerplaats van Fort Nassau. Het is zondagochtend zes uur. De parkeerplaats is verlaten, op een witte Toyota na die een eindje verderop geparkeerd staat. Toen Jessica aankwam rijden heeft zij gezien dat er jong stel in de auto zit. Zij heeft haar auto geparkeerd met de neus naar de straat en de motor en de lichten aan. Zij kijkt op de klok. Wat raar. De meiden zijn nooit laat. Integendeel, zij komt meestal als laatste aanrijden.

Zij beginnen precies om zes uur te lopen. Berg af richting CPA en dan linksaf naar Telecuraçao. Dat is het makkelijke gedeelte. Maar nu terug. Vijf keer heen en terug. Zij moeten terug, de auto’s staan boven op de heuvel geparkeerd. Psychologisch bedacht.

Het is tien over zes. Nu moet zij wel gaan bellen. Het kan toch niet dat zij zich alle vijf verslapen hebben. Linda proberen. Geen gehoor. Nog een keer. Eindelijk, Joyceline.
‘Hallo?’ klinkt een slaperige stem.
‘Met Jessica, ik sta hier alleen, wat is er gebeurd?’
‘Wat bedoel je? Er is niets gebeurd. Wij hadden gisteravond een doopfeest. Linda heeft iedereen gepingd op hun BlackBerry.’
‘Ik heb geen BlackBerry,’ antwoordt Jessica onnozel.
‘O nee?’ klinkt het verbaasd aan de andere kant van de lijn. ‘Waar leef je?’
‘Moet ik zo’n ding hebben dan?’ wil Jessica zeggen, maar Joyceline heeft al opgehangen.

K.

Tuesday, January 25, 2011

Sapaté, na bo sapatu! Nieuw boek van Reginald Römer



Mil i un
ekspreshon / lokushon / refran / dicho / proverbio / paremia / adagio / anegin / sentensia / komparashon / máksima
pa mi pueblo.

Reginald V. Römer

Sunday, January 2, 2011

Konosé bo Isla 2011-01: Vuurwerk



’s Morgens vroeg op nieuwjaarsdag zoeken de kinderen tussen de resten van het afgeschoten vuurwerk naar mislukte rotjes die niet afgegaan zijn. De rotjes hebben geen lont meer ofwel een te korte lont om aan te steken. Dus worden zij middendoor gebroken en het vrijkomende kruit wordt aangestoken. Dit maakt een sissend geluid.

Vraag: Hoe heet zo’n sissend rotje?

Sluitingsdatum: zondag 6 februari 2011

Prijs: een cadeaubon van Delifrance.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2010-11: antwoord

Antwoord: Kalbas largu

Er zijn 15 inzendingen, waarvan 11 goed:

Douglas, Brigitte
Erich Rene
Leendert J.J. Pengel
Sahermaina La Croes
Tamira La Cruz
Max Martina
Winsel Peney
Rudy Hollander
Aida Geerman
Yolanda Chakoetoe
Norman Levens
Eduardo Vlieg
L.J.Chr. Dee
America Augusta
Edith Wal

De winnaar is Max Martina

Iedereen bedankt voor het meedoen.

2011

Het jaar begint goed met de naamswijziging van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, de UNA, aangezien de Nederlandse Antillen niet meer bestaan en derhalve een Universiteit van de Nederlandse Antillen ook niet kan bestaan, hoewel de fysieke aanwezigheid van het instituut aan de Jan Noorduijnweg zich wel degelijk opdringt. In een vloek en een zucht zijn de Nederlandse Antillen met alles erop en eraan op 10-10-10 van de kaart geveegd.

Na rijp beraad kiest een commissie van wijze mannen en vrouwen voor de nieuwe naam, die de afkorting CUWUC meekrijgt. Zoals bekend staat deze afkorting voor Curaçao University for Wisdom, Understanding and Communication.

De eerste daad van deze qua naam kersverse universiteit is het benoemen van de hele ministerraad tot eredoctor. Alle ministers kunnen zich voortaan doctor in de isotropische wetenschappen noemen en derhalve naar wens een d en een r, met een punt achter de r, voor hun naam zetten. Ministers die al in het bezit zijn van een eredoctoraat zijn dus doctor in het kwadraat, (dr.)².

De eerste steen van het nieuwe ziekenhuis wordt gelegd.

Ook de naamswijziging van het Peter Stuyvesant College valt, na een hevige strijd, in goede aarde. Het ene na het andere voorstel wordt door de ene, dan wel door de andere, partij verworpen: het Da Costa Gomez College, Tula, Karpata, Kolegio Soberano en wat dies meer zij. Totdat, warempel door de minister zelf, de oplossing aangedragen wordt. Zo simpel, zo eenvoudig, zo voor de hand liggend. Kolegio Shon Pe Lantasantu. Of zo men wil, het SPL College. Iedereen happy, iedereen blij. De minister krijgt een erediploma.

De tweede steen van het nieuwe ziekenhuis laat op zich wachten.

Het arbeidsplaatsenfonds werpt haar vruchten af. Het fonds is een initiatief van de Minister van Arbeid. Alle werknemers met een salaris boven het minimumloon storten vrijwillig vijf procent van hun salaris in het fonds. Met dit geld worden werkgevers gestimuleerd om jongeren in dienst te nemen en hen de mogelijkheid te bieden om een leertraject te doorlopen. Hiermee wordt het dilemma opgelost dat men eerst werkervaring moet hebben om een eerste baan te krijgen. De jeugdwerkeloosheid neemt af, wat zich vertaalt in minder criminaliteit.

Miss Karnaval, Miss Seú, Miss Deporte, Miss Teenage, Miss Curaçao, eindelijk een Miss Verstand.

Curaçaose jongeren keren terug uit Nederland om zich hier te vestigen. Niet in groten getale, maar zij zijn gesignaleerd in de stad. Zij zijn herkenbaar aan te wijde broeken en te blote bloesjes. De bevolking wordt opgeroepen om als zij zo’n exemplaar zien, dit te melden aan een speciaal hiervoor in het leven geroepen bureau ‘Curaçaose Jongeren Keren Terug’, tijdelijk ressorterend onder de Minister van Onderwijs. Er zijn tien jongeren aangemeld. Zij zijn in verzekerde bewaring gesteld onder verdenking van uitstaande studieschulden.

De eerste steen van het nieuwe ziekenhuis is gejat.

De Isla draait het hele jaar door op volle toeren, tot ergernis van de Smoc die ettelijke keren bij de directeur aanklopt maar hem nooit thuis aantreft. De BOO gaat niet plat. Welingelichte bronnen beweren dat de fabriek handmatig door kabouters draaiende gehouden wordt. Aqualectra levert stroom, waarachtig, zonder onderbreking. UTS upgrade in gedachten tot 100 Mb.

De eerste steen van de nieuwe schouwburg lijkt verdacht veel op die van het nieuwe ziekenhuis.

Met de jaarwisseling is een nieuw record gevestigd in het Guinness Book of World Records. Een pagara rond het Schottegat. Bij het ter perse gaan van deze krant knalt zij nog steeds.

K.

De feestdagen

Sinterklaas is weg. Met de stille trom vertrokken. De pijl en boog die ik gekregen heb, is allang kapot. Bij de eerste pijl al. ‘Krak,’ zei de boog. De pijl viel voor mijn voeten neer. Mijn broertje lag in een deuk. Daar ligt hij nog. Ik zit namelijk op karate.
Niemand is Sinterklaas uit gaan zwaaien. Zo zijn de mensen eenmaal. Als er iets te graaien valt, dan komen zij in grote getallen opdraven. Zij zijn zelfs bereid om stomme liedjes te zingen. ‘Zie ginds komt de stoomboot.’ Er varen allang geen stoomboten meer. ‘Zie ginds komt de olietanker.’ Dat moeten zij zingen.
Als ze eenmaal gekregen hebben wat zij wilden, dan besta je niet meer voor hen. Iemand op 6 december ooit horen zingen ‘Dank je wel, Sinterklaasje’? Geen hond. Ik zeker niet. Die stomme pijl en boog.
En Zwarte Piet? Die is er nog. Dat was de buurjongen van hiernaast. Hij rende in de straten op en neer met een roe van twijgen van de kokosboom in zijn hand, waarmee hij ieder kind dat hij tegenkwam een pak rammel gaf. Dat is de taak van de Zwarte Piet. Kinderen een pak rammel geven. De zwarte Piet is de boeman en de witte Sint is de goedheilig man. Dat hoefde je Buchi Fil niet uit te leggen. En Tula ook niet.
In Bijlmer kregen de kinderen een bruine Sint op bezoek. Dat slaat ook nergens op. Dat is geschiedvervalsing. Eerst de goedheilig man uren onder de hoogtezon laten liggen en dan op de onnozele kindertjes afsturen. En in plaats van cadeautjes uit te delen, ging hij met de kinderen discussiëren. ‘Wat krijgen wij nou?’ zeiden de kindertjes. ‘Geen cadeautjes? Rot op met die bruine Sint.’ Geef mij maar een pijl en boog van La Curaçao, denk ik dan.

Op 16 december om vijf uur ’s ochtends begint de eerste auroramis. Wie heeft dat ooit kunnen bedenken? Een mis om vijf uur beginnen. God slaapt nog. De hele hemelse santenkraam slaapt nog.
Wij staan om vier uur op. Het hele gezin moet douchen en het water is ijskoud. Het schiet dus niet op als iedereen eerst tien minuten naar de waterstralen moet staan staren, terwijl deze geen graad warmer worden.
Om half vijf luiden de kerkklokken. Arme klokkenluiders. Zij moeten hoognodig beschermd worden. Hoe laat moeten zij wel opstaan?
De kerk stroomt vol. De lekkere wierookgeur wordt verdrongen door een mengelmoes van parfumgeuren. De hoge hakken klikklakken op de vloertegels. Dat de vrouwen zo vroeg al de moeite nemen om zich te kleden als kerstbomen.
Wij gaan vooraan zitten. Dat moet, anders krijg je geen prentje van de frater. Geen prentje betekent dat je niet naar de mis bent geweest, al heeft de hele wereld je gezien.
‘Ja, Frater, ik ben vanochtend naar de kerk gegaan.’
‘Waar is je prentje?’
‘Ik heb geen prentje gehad, Frater. Zij waren op.’
‘Dan ben je niet naar kerk gegaan, ga daar in de hoek staan.’
En dan is het communietijd. Iedereen staat tegelijk op. Je moet nuchter zijn om naar de communie te gaan, want je ziel moet rein zijn. Ik denk eerder dat je mond rein moet zijn. De pastoor heeft geen zin om de hostie tussen de etensresten van honderd monden te stoppen. Je mag ook niet op de hostie kauwen. Dat doet pijn. ‘Au, wie bijt daar in mijn billen?’ roept Jezus.
Om zes uur zijn wij weer thuis. Te laat om weer te gaan slapen. In de klas besterft iedereen het van de slaap. Niemand kan zijn ogen open houden. Behalve de Surinaamse jongen. Hij is protestant. Wij bewaren de prentjes zorgvuldig. Wie negen prentjes heeft, krijgt een kerkboekje. Ik heb al vijf kerkboekjes.

Op kerstdag begint de kerk om acht uur en duurt een eeuwigheid. Er wordt gezongen. Ik zing niet mee, dat mag niet van de frater. Ik heb een bromstem. Dus beweeg ik mijn mond op en neer, zonder geluid voort te brengen. Mijn eerste remming. Goed voor zes maanden therapie.
Na de kerk bezoeken wij een tante, een oom, nog een tante en een peetoom. Overal moeten wij een half uur zitten. Mijn nieuwe schoenen klemmen.
Op tweede kerstdag hetzelfde verhaal. Mijn nieuwe schoenen klemmen minder.
De feestdagen? Welk feest?

K.

Kampie

Meneer Kamperveen loopt al veertig jaar rond het Schottegat. Iedere zaterdag. Om de simpele reden dat meneer Kamperveen geen rijbewijs en dus geen auto heeft.
‘Nergens voor nodig, vriend,’ antwoordt hij wanneer iemand een opmerking maakt. ‘Onze Lieve Heer heeft mij twee benen gegeven om te lopen. Anders had hij mij wielen gegeven.’

Iedere zaterdag vertrekt hij om zeven uur ’s ochtends van huis, met zijn aktetas stevig vastgeklemd onder zijn arm. Bij de snèk op de hoek van de Suffisantweg en de Schottegatweg drinkt hij een kop zwarte koffie. Daarna loopt hij in de richting van Kwartier.

‘Goede morgen,’ roept hij voor de deur van zijn eerste klant. Hij verkoopt lootjes voor de kerk.
‘Mama, Baas is aan de deur,’ klinkt een dochterstem.
‘Zeg hem, vandaag niet,’ antwoordt een moederstem.
Meneer Kamperveen maakt zijn aktetas open en geeft het meisje een snoepje. Blij rent zij weg en struikelt bijna over haar eigen slippers.
Meneer Kamperveen lacht en vervolgt zijn weg richting Biesheuvel.

‘Kampie, jongen, wat houd je zo jong?’ vraagt meneer Wong-A-Loi wanneer meneer Kamperveen moeiteloos de trappen oploopt naar het balkon waar zijn vriend in een schommelstoel zit.
Zij zijn ongeveer even oud en hebben jaren samen gewerkt op het hoofdkantoor van de Shell. Maar meneer Wong ziet er een stuk ouder uit.
‘Lopen, mati. Dat moet je ook doen in plaats van de hele dag op je luie reet in die schommelstoel te zitten,’ antwoordt meneer Kamperveen.
‘Mijn benen, Kampie,’ klaagt meneer Wong. ‘Mijn benen willen niet meer. Coromoto, un café negro voor mijn vriend Kampie.’

Na het korte bezoek loopt meneer Kamperveen verder. Hij bezoekt klanten in Rooi Catochi, Cerito, Saliña, Parera, Pietermaai en komt in Punda aan zonder een enkel lot te hebben verkocht. In de oude markt rust hij uit. Zijn maag knort.

‘Een guiambo zonder varkensstaart voor de oude Surinamer,’ roept Zus tegen een andere vrouw achter een grote pot soep.
‘Met rijst,’ vult meneer Kamperveen haar aan. Zus trekt een vies gezicht.
Meneer Kamperveen slurpt de slijmerige soep op en leunt voldaan achterover. Hij staat op en laat ongewild een boer. ‘Geef de boer een stoel,’ zegt de Nederlandse toerist naast hem. Meneer Kamperveen verontschuldigt zich en vervolgt zijn weg.

Hij steekt de pontonbrug over naar Otrobanda en loopt linea recta naar JPF. Daar drinkt hij zijn eerste biertje. Niet meer dan twee, heeft hij zich voorgenomen en geen biljarten.
‘Kampie, neem er nog een,’ roepen zijn vrienden. ‘Kom mee een potje biljarten.’
‘De geest is gewillig maar het vlees is zwak,’ citeert hij Mattheüs en doet twee rondjes mee. Daarna vertrekt hij.

Onderweg stopt hij bij elke snèk. ‘De zon schijnt fel vandaag,’ verontschuldigt hij zich tegen de dienster wanneer hij een biertje bestelt. ‘Abrasador,’ antwoordt het meisje.

Bij een huis in Palu Blanku klopt hij aan. Mevrouw Weerwind doet open.
‘Kampie, mijn schat,’ zegt zij, ‘ik dacht, die komt vandaag niet meer. Kom binnen.’
Meneer Kamperveen gaat naar binnen en mevrouw Weerwind sluit de deur achter zich.
Na een poos komt hij weer naar buiten om het laatste stuk naar huis af te leggen.
‘Kampie, mi boi,’ zegt mevrouw Weerwind. ‘Jij kunt er wat van, hoor. Waar haal jij de energie vandaan?’ Maar meneer Kamperveen is al een eind weg.

K.

Sunday, December 19, 2010

Bon Pasku i Felis Aña 2011



De gevallen bal

De gevallen bal
bal ... bal ...
verrek, wat rijmt er nou op bal?
geen bal
voorwaar, geen bal rijmt op bal

De gevallen bal
gevallen?
ben je mal?
zegt de gevallen bal
het interesseert mij waarlijk geen bal

De gevallen bal
gevallen?
hou toch op met dat gelal
ik lig hier naast een heilige stal
met Kindje Jezus en al

De gevallen bal
gevallen?
God zal ...
jij bent werkelijk een ongelooflijke kwal
ik laat mijn feest niet verknallen
mensen, de ballen


Roy & Co.

Sunday, December 5, 2010

Konosé bo Isla 2010-11: Vruchten



Vraag: Hoe heet de grote vrucht die rechtop midden op de schaal staat?

Sluitingsdatum: zondag 2 januari 2011

Prijs: een cadeaubon van Mensing Boekhandel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2010-10: antwoord

Antwoord: Charlotte van der Lith had vele bijnamen. De meest typerende was ‘de vrouw met de zeven achternamen'.

Er zijn 13 inzendingen, waarvan 11 goed:

L.J.Chr. Dee
Erich Rene
Dominique Jong
Yolanda Chakoetoe
Madelyn Francisco
Kerssenberg, I.
Alexis A.
Flavia Vasco de Sousa
Cynthia Alendy
Winsel Peney
Marcel Leune
Cheryl Coffi
Frans Kapteijns

De winnaar is Alexis A.

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Pais Kòrsou

Antia a muri
n’ ta tin ni ocho dia
Antia a muri
n’ ta tin ni misa rekièm
Pais a nase
ta ki dia tin boutismo?

Wak dilanti ruman
laga pasado pa olvido
wak bo dilanti
pa bo no bira un pilá di salu
Ki nos ta bai hasi ruman
kiko ta bo plan pa futuro?

Bo ta djaki?
awèl mi tambe i tur otro
Bo ta djaki?
awèl nos tur ta yu di tera
kome funchi, kome yòrki, aros moro
pan shoarma, yena keshi ku galiña

Stòp di pleita ruman
pleita den parlamento
No tin koriente
ki ta hasi k’e planta fantasma?
M’a bira malu
den kua hospital mi tin ku drumi?
Sèn ta kaba
nos ta bolbe kai den debe?

Pais ta mucha
e tin ku bira un adulto
Pais ta gatia
e tin ku kana, kore, p’e por bula.

Kompader

Nepotisme

Een nieuw woord bijgeleerd vanochtend: nepotisme.
‘Het is toch schandalig,’ zei mijn vrouw zonder van haar krant op te kijken. ‘Dat een minister open en bloot, en met een zekere trots, zegt dat zijn eigen belangen en die van zijn familie voorgaan.’
‘Wat is nu schandalig?’ vroeg ik. ‘Dat zijn belangen voorgaan of dat hij dat open en bloot zegt?’
‘Allebei,’ beet zij mij toe. ‘Dit is je ware nepotisme.’ Ik bleef haar dom aankijken.
‘Dommerik,’ mompelde zij. Ik deed alsof ik haar niet hoorde. Het woord nepotisme speelde door mijn hoofd.
‘Dat kan toch niet,’ ging zij verder. ‘In Brazilië moest de minister van Binnenlandse Zaken aftreden naar aanleiding van een nepotismeschandaal. Haar zoon was erbij betrokken. Hij verdiende als consultant geld aan deals tussen de overheid en het bedrijfsleven.’
‘Zo kan ik hier ook een paar van die gevallen opnoemen,’ merkte ik op. ‘Niemand heeft ooit hoeven af te treden. Zo zwaar tilt men niet aan dat nepotisme.’ Wat het ook mag wezen, dacht ik er achteraan. Zij negeerde mijn opmerking.
‘Toen de 23-jarige zoon van de Franse president Nicolas Sarkozy, Jean, een leidende functie zou krijgen in een overheidsdienst in verband met ruimtelijke ordening, riep dat weerstand op in heel Frankrijk en beschuldigingen van nepotisme. Wist je dat?’
Nee, dat wist ik niet.
‘Heeft Jean die baan gekregen?’
‘Natuurlijk niet,’ gokte zij, terwijl zij de krant omsloeg. ‘En weet je wat die minister nog meer zei? Het is aan de oppositie om nepotisme tegen te gaan en de minister te controleren. Zo van, ik rij door rood licht, het is aan de politie om dat tegen te gaan en mij te controleren. Ik doe niets verkeerds.’
‘Wat voor belangen heeft die goede man of vrouw dan?’ vroeg ik.
‘Hij verkoopt brillen.’
‘Als zijn brillen nu de goedkoopste zijn, dan is er toch niets aan de hand? Het volk profiteert ervan.’
‘Daar gaat het niet om, er is sprake van verstrengeling van belangen. Hij kan de vraag beïnvloeden. Hij kan bijvoorbeeld een wet afvaardigen die iedereen verplicht in het verkeer om veiligheidsredenen een bril te dragen, net als de veiligheidsgordel. En hij verkoopt dan de veiligheidsbrillen.’
Vrouwenlogica. Nu ben ik echt wel benieuwd wat dat nepotisme van haar betekent, lijkt mij wel interessant, dacht ik.

Nepotisme komt van het Latijnse woord nepos. Nepos betekent kleinzoon of nakomeling, ook wel neef. Neef? Die betekenis mag ik wel. Primu. Dat zijn wij allemaal van elkaar. ‘Primu, trakteer mij op een biertje,’ zeggen wij bij de snèk.

Nepotisme is het begunstigen van eigen familieleden of vrienden door autoriteiten, bijvoorbeeld door ze in hoge functies te benoemen of door ze opdrachten te gunnen. Ook is het mogelijk dat het nepotisme een vorm van patronage is. Het kan gezien worden als een vorm van corruptie. De populaire naam voor nepotisme is vriendjespolitiek.

Verrek, dacht ik, waar heeft mijn vrouw het over?. Wij hangen aan elkaar van nepotisme. Deze minister is gewoon eerlijk.
‘Roy?’
‘Ja, schat.’
‘Heb je eraan gedacht je broer bij Financiën te bellen over de sollicitatie van Hedi?’
‘Ja schat.’

K.

Taal is macht

Stephen is heel vroeg op. Om half vijf.
‘Stephen, ben jij daar?’ roept zijn moeder vanuit de keuken. Niemand antwoordt. Er valt iets in de badkamer.
‘Wat doe je zo vroeg op? Voel je je niet lekker?’ vraagt Moeder, terwijl zij het verse brood uit de oven haalt.
Stephen voelt zich juist prima. De hele nacht heeft hij onrustig geslapen, want vandaag is de grote dag. Vandaag komen de schrijvers. Echte schrijvers. Hij heeft de namen in het programmaboekje gelezen en de foto’s gezien.

Stephen zit in de examenklas van de MULO in Lelydorp en wil later schrijver worden. Zijn vader had hem uitgelachen toen hij dat een keer had gezegd.
‘Luister, mi boi, ik ben als schrijver begonnen bij het Bosbeheer en ik ben nog steeds schrijver. Word arts of advocaat, dat soort boeven verdient veel geld.’
‘Jij bent geen goed voorbeeld voor de jongen,’ had Moeder boos gereageerd. ‘Jij bent een lui varken. Je vertrekt om zeven uur naar het werk en om tien uur ben je alweer thuis.’

Stephen pakt een schoon hemd uit de mand en legt het op de strijkplank. Het strijkijzer is al heet.
‘Waarom moet je weer een schoon hemd aan?’ schreeuwt Moeder. ‘Laat dat hemd voor maandag. Ik blijf aan de gang met het wassen van schoolkleren.’
Stephen is koppig, hij strijkt rustig door. Hij denkt aan het verhaal dat hij aan het schrijven is.

“In het grote bos van Tropenland woonde een grote, sterke leeuw. Wanneer hij brulde was dat te horen tot aan de rand van het bos en alle andere dieren bleven stil. De grote leeuw had gemerkt dat de dieren beefden van de angst wanneer hij brulde. Dus wanneer hij honger had, brulde hij: ‘Breng mij eten. Brrruuulll. En snel.’ En alle dieren brachten wat zij hadden ...”

Zijn leraar Nederlands heeft het verhaal gelezen.
‘Hmm,’ had hij gezegd. ‘De lezer zal hiervan niet in een shock raken. Echt niet. Een grote, sterke leeuw die hard brult. Dat weet de lezer ook, dat leeuwen groot en sterk zijn, en hard brullen. En dat zij stinken ook. Dat had je er ook bij kunnen zetten. Nee, er zitten geen verrassingselementen in het verhaal. Jij moet iets bedenken dat de lezer intrigeert.’

Dat laatste woord kende Stephen niet, maar hij had het verhaal aangepast.
“In het grote bos van Tropenland woonde een leeuw die zo lam was als Job ...”
‘Jongen, hou toch op,’ had de meester gezegd. ‘In de eerste plaats was Job niet lam maar arm, je moet je bijbel weer eens een keer openslaan, en verder: waar moet je heen met een lamme leeuw?’

Stephen dacht dat het wel een verrassing voor de lezer zou zijn als een lamme leeuw de koning van het grote bos zou zijn. Hij begreep het niet meer.
Vandaag krijgt hij te horen hoe het wel moet. De meester kan kletsen wat hij wil, maar hij heeft ook nog nooit een boek geschreven.

De schrijvers zijn stipt op tijd. Zij stellen zich voor. Een mevrouw met rood haar uit België, een meneer met een kale kop uit Curaçao en een bekende Surinaamse schrijver. Stephen heeft zijn schrift en pen al klaargelegd.
Alle drie de schrijvers hebben het over meertaligheid. Wie meer dan één taal spreekt mag zich gelukkig prijzen, want taal is macht.

Stephen schrijft het op: Taal is Macht. Nu weet hij wat hij moet schrijven.
“De koning van het grote bos spreekt de taal van de duiven, de taal van de mieren, de taal van de slang. De taal van de bomen, van de bloemen en van het gras. De koning van het grote bos is Kiki, de paarse aap.” Wat zal de meester hiervan zeggen?

K.

Monday, November 8, 2010

Konosé bo Isla 2010-10: Suriname, Berg en Dal



De geschiedenis van Berg en Dal begint met de stichting van een militaire post bij de Parnassus-berg, als bescherming tegen de indianen. Vervolgens — volgens schaarse en niet te controleren bronnen — werd er een "bergwerk" aangelegd met de naam Trouw-op-God. Dat was omstreeks 1717, en het doel was natuurlijk goudwinning. Een bezoek van gouverneur Temming bracht aan deze poging een einde. Temming achtte het gehele werk zinloos en zette de zaak onmiddelijk stop. Wel had de plaats een gunstige indruk op hem gewekt, want hij besloot 1500 akkers nabij de mijn aan zichzelf toe te kennen. In 1923 werd dit areaal vergroot tot 3000 akkers toen Temming het hoogste bod deed op de mijnconsessie. Vervolgens verwierf hij nog eens 2000 Akkers aan de overzijde der rivier, waarvan 1000 akkers op naam van zijn aanstaande vrouw, Charlotte van der Lith.

Hiermee hebben wij kennis gemaakt met de hoofdrolspelers in de geschiedenis van de plantage Berg en Dal : de gouverneur-generaal Hendrik Temming, maar toch vooral diens echtgenote Charlotte van der Lith. Charlotte arriveerde omstreeks 1722 in Suriname, en meldde zich aan als lidmaat van de gereformeerde kerk. Zij werd ingeschreven in het lidmaatregister van dat jaar :

".....1722 september 25 juff: Charlotta Elizabeth van der Lith met Attestatie van St.Hagen....."

Twee jaar later trad Charlotte in het huwelijk met de gouverneur Hendrik Temming. Het was haar eerste huwelijk in een serie van vijf, Charlotte heeft haar leven gedeeld met 3 gouverneurs en 2 predikanten.


Vraag: Hoe werd Charlotte van der Lith ook wel genoemd?

Sluitingsdatum: zondag 5 december 2010

Prijs: een cadeaubon van The Cinemas.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2010-09: antwoord

Antwoord: Shimaruku

Er zijn 34 inzendingen, waarvan 33 goed:

Aida Geerman
Daisy Casimiri
Reginald Römer
Ariadne Faries
Guiselle de Kaster
Elaine Con
Madelyn Francisco
Max Martina
King Yen Yung
Solange Nijdam
Angélique Da Costa Gomez
L.J.Chr. Dee
Winsel Peney
Sijonara Maria
Jamila Romero
Flavia Vasco de Sousa
Yolanda Chakoetoe
Erseline Mauricio
Maria Montroos
Edgar de Palm
Elodie Heloise
Cheryl Coffi
Glyraine Jukema
Regina v/d Biest
Renny Albertus
Max Maria
Evelyn Aliff
Lina Engelhart-Gillen
Jan Philipsen
Niels Augusta
America Augusta
Siagnee Mariano
Ingrid R.
Frans Kapteijns

De winnares is Jamila Romero

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De laatste Antilliaan

Opgewonden rende Techi het café binnen. Daar zat Roro aan zijn vaste tafel. Techi ging zitten en snakte naar adem.
‘Wat is er aan de aan de hand?’ vroeg Roro bezorgd. ‘Heb je de duivel gezien?’
‘Nee, nog erger,’ pufte Techi, ‘Ik heb Hem gezien. De Antilliaan. Ik heb de Antilliaan gezien.’
Roro keek nog bezorgder, omdat hij begon te twijfelen aan de verstandelijke vermogens van Techi. Arme Techi, dacht hij. Zij werkt veel te hard. Van ’s morgens zes tot ’s avonds zes. De hele dag in de hitte van de stomerij. Daar krijg je ook wat van.

‘Wat heb je dan precies gezien?’ vroeg hij aan Techi, want hij had geleerd dat je gekken niet moest tegenspreken. ‘Hoe zag hij eruit, die Antilliaan?’
‘Hij had een witte mantel om met een rode en een blauwe streep erop. En boven zijn hoofd hing een aureool van zes, nee vijf sterren.’ Techi bleef stil en staarde voor zich uit.
‘En?’ vroeg Roro ongeduldig. ‘Hoe zag hij er verder uit. Was hij groot? Klein? Welke huidskleur had hij?’
‘Hij was niet groot en ook niet klein. Hij was niet zwart en niet wit. Hij was ...’

Techi kreeg het benauwd, het zweet brak haar uit. Haar handen beefden. Roro vreesde dat zij flauw zou vallen.
‘Water,’ riep hij tegen de barman. ‘Koud water. Snel.’ Maar Techi nam zelf een fles glacial uit haar tas en besprenkelde haar voorhoofd ermee. Dat deed haar goed. Zij kon weer spreken.
‘Wat was hij dan?’ vroeg Roro. Hij zat op het puntje van zijn stoel.
‘Hij was ...,’ hakkelde Techi. ‘Hij was ... transparant.’

‘Hij was transparant, laat mij niet lachen,’ zei een krakende stem. Zij keken verbaasd om. Daar zat een oude man aan het tafeltje achter hen. Zij hadden hem niet opgemerkt. Hij was geruisloos binnengekomen.
‘Een LV*,’ fluisterde Roro tegen Techi.
‘Helemaal geen LV,’ sprak de oude man, ‘jullie kunnen fluisteren wat jullie willen, ik hoor het allemaal. Ik ben niet doof. De Antilliaan heeft nooit bestaan. Hij is een verzinsel van de Hollanders, net als de Vliegende Hollander. Het verhaal werd vroeger ’s avonds voor het slapen gaan aan kinderen verteld en dan konden zij van de angst niet slapen. Zij pisten in hun broek. Aan stoute kinderen werd gezegd, ‘ik roep de Antilliaan voor je’, en dan werden zij stil. De Antilliaan was de boosdoener. Hij kreeg de schuld van alles wat de Hollanders verkeerd deden. Dat is heel lang geleden. Als je het nu over de Antilliaan hebt, lachen de kinderen je uit. Professor V. Marsje heeft een boek over geschreven.’

Wan was zeer verontrust. Hij wist zeker dat de vrouw hem gezien had. Al die jaren had hij zich schuil kunnen houden. Niemand wist dat hij nog bestond. En al had hij aan hen verklapt dat hij een Antilliaan was, dan nog hadden zij hem uitgelachen. Niemand geloofde meer in de Antilliaan. Maar nu liep hij gevaar. De vrouw had hem herkend, dat had hij aan haar reactie gezien. En zij ging het rondbazuinen. En dan kwam de RST.

Midden in de nacht werd op de deur van Techi’s huis gebonsd. ‘Doe open. De RST.’ zei een zware stem. Techi deed met bevende handen open.
‘U bent Techi en u heeft de Antilliaan gezien?’ sprak de Blonde Reus. ‘Kunt u ons naar de plek des onheils brengen?’
Techi kreeg geen tijd om zich aan te kleden. Tussen drie grote mannen in liep zij naar de plaats waar zij die middag de gedaante gezien had. Het was volle maan, maar zij vonden niets. Heel in de verte zagen zij de witte mast van een zeilschip wegvaren richting Coro.
Dat was Wan, de laatste Antilliaan. Maar zij konden dat niet weten.

*LV: de LuisterVinken, de geheime dienst van de Geheime Leider.

Een speld

Ik ben een kinderboek aan het schrijven en ging op het internet op zoek naar informatie over het gedrag van kinderen in de verschillende leeftijdscategorieën. Wat vinden zij leuk om te lezen? Wat voor soort humor houden zij van? Hoe stellen zij de wereld om hun heen voor? Nou, het lijkt wel alsof je een doctortitel in de psychologie moet hebben om een kind te begrijpen. Toch heeft mijn moeder elf kinderen grootgebracht en zij was een doodgewone huisvrouw. Dus zo ingewikkeld als het in de internetartikelen staat, is het ook weer niet. Als je goed luistert en kijkt, zijn kinderen best te begrijpen. Getuige het verhaal dat ik een keer gehoord heb van een leerkracht.

‘Wat zijn jullie stil, jongens,’ zei mevrouw Martina, onderwijspsychologe bij het Departement van Onderwijs, tegen de kinderen in de klas, terwijl zij in een strakke spijkerbroek en met naaldhakken - tak, tak, tak - op en neer liep. Johnny vond haar meteen lief, in ieder geval leuker dan die vervelende Juf Ivonne.

‘Jazeker,’ viel Juf Ivonne haar trots in de rede. ‘Je hebt geen kind aan ze. In mijn klas kun je een speld horen vallen.’

Daar zegt ze het weer, dacht Johnny. Hij had vanochtend een speld meegebracht van huis en die laten vallen, maar niemand hoorde iets. Juf Ivonne het minst, want die is zo doof als een kwartel. Dat zei zijn moeder een keer na een ouderavond.
‘Die juffrouw van jullie is zo doof als een kwartel. Zij hoort gewoon niet als je iets tegen haar zegt.’
Johnny kon dat niet weten, want hij had nooit een kwartel gezien. ‘Dat is een soort vogel,’ had zijn moeder uitgelegd.
Hij kon zich wel voorstellen dat die kwartels makkelijk te vangen waren. Makkelijker dan totolikas, de kleine duifjes die ’s ochtends bij hem op het erf broodkruimels kwamen pikken. Die waren verre van doof, bij het minste geluid vlogen zij weg.

‘U moet juist een kind aan ze hebben, daarom staat u voor de klas, juffrouw Ivonne,’ merkte mevrouw Martina luchtig op. ‘De kinderen moeten zich kunnen uiten.’

Wat denkt dat wijf nou wel, dacht Juf Ivonne, zij is amper vijfentwintig en die komt mij de les lezen. Zij vergeet dat ik al meer dan dertig jaar voor de klas sta.

‘Hoor je dat,’ fluisterde Johnny tegen Nathalie die naast hem zat, ‘Juf Ivonne moet een kind van ons krijgen. Dat kan helemaal niet.’
‘Stil,’ siste Nathalie, ‘wij moeten van Juf Ivonne stil zijn.’
‘Trut,’ zei Johnny en stak haar met het speldje in de bil.
‘Au,’ schreeuwde Nathalie en buitelde van haar stoel.

‘Johnny!’ gilde Juf Ivonne boos, ‘zit je weer te klieren? Kom hier!’
Mevrouw Martina had binnenpret, nu werd het spannend. Johnny liep aarzelend naar voren en bleef met gebogen hoofd voor Juf Ivonne staan.
‘Johnny! Kijk mij in de ogen.’ Dat was mevrouw Martina.
Johnny keek haar met vragende ogen aan.
‘Vertel mij eens, wat doe je met een speld op school?’
Johnny keek even naar de boze Juf Ivonne en toen weer naar mevrouw Martina.
‘En?’ vroeg mevrouw Martina en streelde hem over zijn kaalgeknipte kop.
‘Ik...’ hakkelde Johnny, ‘wij... wij moesten van Juf Ivonne heel stil zijn wanneer u op bezoek kwam. Zo stil dat je een speld kon horen vallen. Ik heb vanochtend een speld laten vallen, maar niemand hoorde iets. Ik...’
Geen speld tussen te krijgen, dacht mevrouw Martina.