Saturday, August 6, 2011

Konosé bo Isla 2011-06: Politieke historie


(Foto Nationaal Archief)

Vraag: Na welke verkiezingen in de Antillen deed het fenomeen ‘gana anochi, pèrdè mainta’ zich voor het eerst voor?

Sluitingsdatum: zondag 4 september 2011

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-05: antwoord

Antwoord: Maduro & Curiel’s Bank, Plasa Jojo Correa

Er zijn 12 inzendingen, waarvan 9 goed:

Jamila Romero
Arelis Hurtado
Ariadne Faries
America Augusta
L. Blijden
Max Maria
Joyce Mahabali
Reginald Romer
Jules Marchena
Madelyn Francisco
L.J.Chr. Dee
Regina v/d Biest

De winnares is L. Blijden

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Master


(Foto Amigoe)

Als Jezus van Nazareth weer geboren wordt, dan zal hij een vrouw zijn en noodgedwongen de paus van Rome ook. Ik ben tot deze stellige conclusie gekomen na het zien van de foto in de Amigoe van donderdag 14 juli, ter gelegenheid van het feit dat 23 personen hun master titel talen ontvangen hebben. Allemaal welgevoede dames, behalve Jeroen Heuvel. Hoe heb je het volgehouden, Jeroen? Ik ben erg trots op deze 23 personen, een paar van hen ken ik persoonlijk. Pabien! Eerlijk gezegd ben ik ook een beetje jaloers op twaalf van hen, die hun master titel Papiaments behaald hebben. De krant heeft het over een creoolse taal, ik heb het over taal.

Er is werk aan de winkel voor deze nieuwe masters. Ik heb de vrijheid genomen om een aantal taken voor hen te bedenken. In de eerste plaats het optreden als taalpolitie. Laatst zag ik in de krant een foto met Minister Koeiman erop ter gelegenheid van een eerste steenlegging. Op de eerste steen stond ‘prome blokki’. Erg. Die steen staat er voor altijd. Ten tweede, overeenstemming bereiken met betrekking tot de schrijfwijze van het Papiaments. Die is er toch, zegt u. Die is er niet, zeg ik. Ook overeenstemming met betrekking tot de grammatica . Verder mis ik een verklarend woordenboek Papiaments. En tot slot, het organiseren van een leergang Papiamentse Taal en Letterkunde. Dit laatste riekt naar eigenbelang.

Djidja

Met haar linkerhand houdt zij mijn rechterhand stevig vast. Haar tas hangt over haar rechterschouder en die houdt zij ook stevig vast. Daarin zitten de loten van de Landsloterij die zij verkoopt. Het verkoop vlot niet erg meer. Het is bijna bedelen geworden, je moet de mensen smeken om een lot te kopen.

Er staat een matige wind en de pontonbrug deint, voor haar gevoel, vervaarlijk op en neer. Dat is de reden dat zij nooit, of bijna nooit, naar Otrobanda gaat. Sinds zij naar Pietermaai is verhuisd, nu al een paar jaar geleden, steekt zij zelden nog de brug over. De laatste keer was voor de begrafenis van dinges, hoe heette zij ook weer, zij zat altijd naast de ingang van de supermarkt daar in de Breedestraat. Zij verkocht ook bièchi.
‘Ik hou je toch niet op, eh ..., mijn jongen?’ vraagt Djidja. ‘Nee, Djidja,’ lieg ik.

Djidja pan bolo. Zo noemde men haar vroeger omdat zij de lekkerste pan bolo’s van het eiland bakte.
‘Voor drie scholen bakte ik pan bolo’s. Iedere dag. Van maandag tot en met vrijdag. Twee jongensscholen en een meisjesschool. Voor de meisjes maakte ik de pan bolo’s ietsjes kleiner, niemand had dat in gaten, ha, ha, ha. Freddie bracht toen de pan bolo’s rond, op de bakfiets. Met Freddie moest je uitkijken. Hij drukte soms een paar pan bolo’s achterover en dan kreeg ik frater ..., frater ..., hoe heette hij ook weer? In ieder geval, dan kreeg de frater op mijn kop.
Ik heb er goed aan verdiend, ik heb alle drie mijn zoons naar de fraterschool kunnen sturen. Alles zelf betaald, een man had ik niet. De oudste heeft gestudeerd, hij woont nu in Nederland. Met kerst stuurt hij een kaart. De jongste wilde nooit deugen. Het gevang in, het gevang uit. Slechte vrienden heeft hij, want ik heb hem niet zo opgevoed. Als zij hem zoeken, dan komt hij soms bij mij schuilen. Jongen, zeg ik tegen hem, jongen, ik heb je niet zo opgevoed. Drugs dit en drugs dat. Ik heb je alles gegeven waar je om vroeg, je kwam nooit iets tekort. Dus donder op, of ik bel zelf de politie op. Ga terug naar je vrienden, ga daar schuilen.’

De wind waait een stukje van haar rok omhoog, haar benen zitten verpakt in dikke kousen. Aan haar voeten heeft zij witte sportschoenen.
‘Zij lopen geweldig, voor mijn verjaardag gehad van Didi, mijn dochter. Zij werkt bij de dinges bank daar in Punda, met papieren en zo. Eigenlijk is zij mijn dochter niet. Ik heb haar van de straat gehaald toen zij vier was. Ik heb haar gebaad, gekamd, zij had heel mooi lang zwart haar, en schone kleren aangetrokken. Zij is nooit meer naar haar echte moeder teruggegaan. Ik ben haar moeder, zij noemt mij Mai.’

Wij steken het Brionplein over. Djidja trotseert de felle zon. ‘Het doet mij nog altijd pijn,’ zegt zij. Ik kijk haar vragend aan.
‘Het doet mij nog altijd pijn, dat zij toen al die gebouwen in brand hebben gestoken. Didi zat daar op school. Ik zat in de Breedestraat toen de bende langskwam. Ik heb mijn stoel gepakt en ik ben naar huis gerend. Freddie kwam vertellen dat het hele plein in brand stond. Waar is Didi, gilde ik. Ik heb geen twee keer nagedacht, ik ben via de achtersteegjes naar de school gerend. Onderweg kwam ik haar tegen.’
‘Je hebt toch geen haast, mijn jongen?’ vraagt Djidja en pakt mijn hand weer stevig vast. Ik mompel iets, geen ja en geen nee.

‘Ik heb toch zo’n rare droom gehad vannacht. Ik was op een communiefeest ergens op Banda Abou. Ik kende niemand, allemaal onbekenden. Iedereen was in het wit gekleed. Ik was ook in het wit, maar op blote voeten. Plotseling zag ik Freddie lopen, hij was helemaal in het zwart. Ik liep naar hem toe en toen was hij verdwenen. Daarom ga ik hem nu opzoeken, ik moet hem de droom vertellen. Wij zijn er, hier linksaf, in deze steeg woont Freddie. Een geel huis. Wacht even, of is het de volgende steeg? Ik weet het niet meer.’

Hutspot

26 juli 1953: Mijn oom komt thuis met een stuk in zijn kraag en een grote sigaar in zijn mond. Hij stinkt naar Cubaanse rum. ‘Leve de revolutie,’ lalt hij. ‘Wat revolutie, in mijn huis geen revolutie,’ schreeuwt mijn oma en schopt hem het huis uit. Een eerste mislukte poging. 21 augustus 1966: Ik kom op Schiphol aan. Hoofddoel studeren. Nevendoel feestvieren. Of is het andersom? Ik moet naar Eindhoven. Overal staan mensen met borden waarop namen van studentensteden: Den Haag, Leiden, Nijmegen, Tilburg, geen Eindhoven. ‘Waar moet je naartoe,vriend?’ vraagt iemand. ‘Eindhoven.’ ‘Daar staat de bus. Die vertrekt over vijf minuten.’ 21 juli 1969: ‘Er staat een man op de maan,’ zingen wij op de melodie van ‘Er staat een paard in de gang.’ Later zingt Andre van Duin ‘Er staat een paard in de gang,’ op de melodie van ‘Er staat een man op de maan’. Je reinste plagiaat. 30 mei 1969: Curaçao staat in brand. Fè Lusafè heeft met lucifers gespeeld. Wij spoeden ons naar het Antillenhuis in Den Haag en vragen de gevolmachtigde minister Dr. Efrain Jonckheer om tekst en uitleg. Tekst kan hij geven, uitleg niet. ‘Daarvoor moeten jullie niet bij mij zijn,’ antwoordt hij. ‘Agenten, arresteer deze lastposten.’ 12 september 1966: Eerste collegedag. ‘Kijk naar de persoon links van u, kijk naar de persoon rechts van u. Een van u drieën zal deze studie afmaken.’ Slagingspercentage studie Technische Wiskunde in Eindhoven: 30%. De professor heeft er lol in. ‘Waarom is 0 kleiner dan 1?’ vraagt hij. ‘Wat doe ik hier?’ vraag ik. 4 december 1947: Ik word geboren als kind van mijn moeder en mijn vader. ‘Wat is dat?’ vraagt mijn vader. ‘Jouw kind,’ antwoordt mijn moeder. De zon komt die dag op om 06:41 uur en gaat onder om 18:09 uur, 11.27 uren zon. ‘Kind van de zon,’ zegt mijn vader. ‘Nee, jouw kind,’ herhaalt mijn moeder. 1 mei 1977: Mijn eerste werkdag bij Shell Curaçao N.V. Wacht even, dat kan niet. Dat is een zondag en nota bene arbeidersdag. 2 mei dan. 2 mei 1977: Mijn eerste werkdag bij Shell Curaçao N.V. als systeem analist bij de computer afdeling. Nu mag je wel technische wiskunde gestudeerd hebben en een jaar lang in Den Haag en Londen om- , her- en bijgeschoold zijn in de informatica, van de systemen die daar op de computer draaien, snap je geen sikkepit. Mijn systemen draaien dagelijks tussen 12:00 en 4:00 uur ’s nachts. Dan moet ik stand-by zijn. Ook in het weekend. April 1976: Ik studeer eindelijk af. Het slagingspercentage blijkt 10% te zijn. Ik ben de laatste der Mohikanen van 1966. Wordt er nog geschonken of niet? Mei 1984: Ik vertrek bij de Shell. Mei 1985: De Shell vertrekt van Curaçao. Wat een toeval. 4 april 1968: ‘Het is zijn eigen schuld dat hij doodgeschoten is,’ zegt persoon X. De namen zijn weggelaten om de gekken te beschermen. Wij zitten met een groep vrienden aan tafel in de kantine van de universiteit wanneer het nieuws ons bereikt. ‘Wat bedoel je?’ vragen wij en kijken persoon X vol ongeloof aan. ‘Ja, hij had niet moeten aankomen met negerrechten dit en negerrechten dat. Dat is provocatie.’ Zalig zijn de armen van geest (Mattheüs 5, 3). 5 juni 1968: Houden zij nou een keertje op met dat schieten? Nu is Robert Kennedy aan de beurt. 18 september 1970: Jimmy Hendrix. 4 oktober 1970: Janis Joplin. 29 juli 1974: Mama Cass. Allemaal dood. Wat is er aan de hand? 18 juli 1976: Het is zondag, 10 uur ’s avonds. De derde dag van de eerste editie van het North Sea Jazz festival in Den Haag. Wij zitten in de PWA zaal. Sun Ra speelt, begeleid door zijn Arkestra. ‘Some call me Mr. Ra. Some call me Mystery. But you can call me Mr. Mystery.’ 4 september 2010: Het is zaterdag. De tweede avond van de eerste editie van het Curaçao North Sea Jazz festival. Nathalie Cole zingt. Onvergetelijk. Voorjaar 1995: Ronnie Scott’s jazz club in Soho Londen. Monty Alexander is net klaar met spelen. Ronnie Scott sluit de avond af: ‘Thank you, ladies and gentlemen. You have made a happy man very old.’

Thursday, June 9, 2011

Clothilde

een schooljuffrouw, ene Clothilde
wist heel goed wat ze wilde
zo sprak zij, niet van trots ontbloot
wat vind je van mijn nieuwe boot
waarop de kinderen reageerden
wij hadden liever dat je ons taal en rekenen leerde.

030611 Frans Kapteijns.

Sunday, June 5, 2011

Konosé bo Isla 2011-05: Gebouw



Vraag: Welk gebouw is dit?

Sluitingsdatum: zondag 7 augustus 2011 (i.v.m. de vakantie)

Prijs: een cadeaubon van Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-04: antwoord

Antwoord: Talmu

Er zijn 20 inzendingen, waarvan 19 goed:

Angélique Da Costa Gomez
Max Martina
Joyce Mahabali
Verna Lopez
Reginald Romer
Andrés F. Casimiri
Yolanda Chakoetoe
Madelyn Francisco
Arelis Hurtado
Ethel Mercera
America Augusta
L.J.Chr. Dee
Winsel Peney
Regina v/d Biest
Siagnee Mariano
Eduardo Vlieg
Cheryl Coffi
Frans Kapteijns
Jaap Blenk
Edith Wal

De winnares is Angélique Da Costa Gomez

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Naar de knoppen

Vandaag is hij in het wit gekleed, helemaal in het wit, dat wil zeggen: een korte witte broek en een wit shirt met lange mouwen. Je zou denken een lange witte broek en een wit shirt met korte mouwen, net als ieder ander, maar dat is niet wat Shon Ki aan heeft. De drie zwarte strepen van de witte Adidas schoenen passen bij de zwarte rand van de witte hoed. Alleen zijn zonnebril is niet wit, die is donkergroen zodat hij altijd een groene kijk heeft op de wereld. Groen zoals de tamarindeboom altijd groen is, ook in dorre tijden. En net als de tamarindeboom trotseert hij de hete tropenzon.

Hij is op het Waaigat uitgestapt. Vanochtend heeft hij een lift gekregen, normaal neemt hij de bus. Toen hij van huis ging, zei hij dat hij een ommetje ging maken. Dat zegt hij iedere ochtend wanneer hij de deur uitgaat, tegen niemand in het bijzonder. Kom je vroeg of laat, vraagt zijn vrouw iedere ochtend. Shon Ki gromt dan wat. Dan weet zijn vrouw dat hij vroeg komt, dat wil zeggen, vóór het middageten. Anders antwoordt hij niet en komt laat in de middag thuis met een stuk in zijn kraag.

Op de Wilhelminabrug glinsteren zijn twee gouden tanden in het zonlicht wanneer hij tegen de Haïtiaanse lacht en haar ronde gespierde billen nakijkt. ‘Mon amour,’ fluistert hij, want hij heeft op de mulo gezeten bij frater Pushi Machu waar hij Frans heeft gehad, alsook Engels en Spaans. ‘Fresku,’ antwoordt de Haïtiaanse en lacht haar mooie witte tanden bloot.

Hij haast zich Kuchara Alegre binnen, het restaurant van Shon Benchi dat sinds mensenheugenis op de Dèmpel staat, want hij kan zijn plas niet houden. Hij heeft geen tijd om te groeten en rent, voor zover je zijn dribbelen rennen kunt noemen, naar het toilet waar hij net op tijd de gele, niet meer zo krachtige, straal over de rand mikt. Zijn witte broek is gespaard gebleven. Hij denkt met weemoed terug aan de tijd dat hij op twee passen afstand in de pot kon richten.

Weer buiten kijkt hij naar links en hij kijkt naar rechts om te beslissen welke kant hij opgaat. Omdat hij toch nergens heengaat, zou het niets moeten uitmaken. Maar op de een of andere manier maakt het toch uit, in een van de twee richtingen ligt zijn geluk. Gisteren is hij naar rechts gegaan en heeft hij bij de vrouw verderop een lot van een gulden gekocht en gewonnen. Twintig gulden. Het geluk zit niet altijd in hetzelfde hoekje, dus gaat hij vandaag naar links.

Thuis weten zij niets van de twintig gulden. Ik ga mijn vrouw verrassen, denkt hij wanneer hij langs de barkjes loopt. Ik breng een zak lekkere rijpe mango’s voor haar mee. Hoewel, zij moet er niet teveel van eten. Haar bloed wordt warm van teveel mango’s eten en dan krijgt zij overal jeuk. Vooral tussen haar dijen. Het is geen gezicht haar zo tussen haar dijen te zien schuren. En dan met een harde haarborstel. Nee, het is geen goed idee om mango’s te kopen.

In de Heerenstraat wordt hij aangesproken door een schoolmeisje van een jaar of achttien. Een slank meisje met grote borsten. Of meneer vijf gulden voor haar heeft. Voor de bus. Zij moet helemaal naar Montaña. Zij glimlacht afwachtend.
Shon Ki aarzelt. Vijf gulden voor de bus, mompelt hij. Vijf gulden betaalde je vroeger in Campo Alegre. Vijf gulden betaalde Solema elke dag aan Manchi. Hij kijkt naar haar grote borsten. Zij glimlacht uitdagend.
‘Ik heb geen haast,’ zegt zij en neemt Shon Ki bij de arm, ‘wij kunnen ook eerst een pastechi gaan eten ergens. Waar gaan wij?’
‘Naar de knoppen ..., ik bedoel nergens,’antwoordt Shon Ki en trekt zijn arm terug.

De jury

Juffrouw Kip loopt parmantig het klaslokaal binnen. Vandaag is zij extra vroeg, want het is een bijzondere dag. Vandaag gaat zij op excursie met de kuikentjes. De klas gaat het maisveld bezoeken. Daar zullen zij uitleg krijgen van de boer hoe hij de lekkere mais verbouwt. Gisteravond heeft zij de picknickmandjes klaargezet met heerlijke maïskoekjes voor de leerlingen. De picknickmandjes? Lieve hemel! Nu ziet zij het pas. Alle mandjes zijn weg. Help!

Juffrouw Kip begint hysterisch te kakelen. ‘Een dief. Help! Een dief. Alle mandjes zijn weg.’ Op haar korte pootjes rent zij naar de rector van de school. ‘Meneer de Haan, help. Een dief heeft alle mandjes meegenomen. Wat moet ik nu doen?’
‘Rustig, rustig,’ zegt meneer de Haan, terwijl hij zijn pijp uitklopt in de asbak. ‘Wat is er aan de hand? Een dief? Mandjes?’
‘Ja,’ antwoordt juffrouw Kip, ‘een dief heeft ...’. Maar zij maakt haar zin niet af. Buiten op de speelplaats maken de kuikentjes een hels kabaal. Een gepiep vanjewelste. Juffrouw Kip en meneer de Haan rennen naar buiten.

‘Alle gebraden kiekens aan het spit,’ kraait meneer de Haan. Juffrouw Kip gruwt. De dief heeft zijn behoefte midden op het schoolplein gedaan.
‘Alle kuikens naar de klas,’ tokt juffrouw Kip streng, ‘vooruit, opschieten.’
Meneer de Haan kijkt beduusd. ‘Spinnenpoep,’ zegt hij met een ernstig gezicht. Van drollen weet hij alles af, hij heeft niet voor niets fecalica gestudeerd.

Spinnenpoep? Spinnenpoep? ‘Nanzi!’ schreeuwen juffrouw Kip en meneer de Haan in koor.
‘Dit kan niet,’ bromt meneer de Haan met ingehouden boosheid. Hij blijft kalm, wat er ook gebeurt. ‘Dit loopt de spuigaten uit. Nu is Nanzi echt te ver gegaan.’
‘Ja,’ antwoordt juffrouw Kip, ‘veel te ver, mijlen te ver. Alle mandjes jatten en ook nog dit. Bah. Wij moeten ons beklag doen bij de koning.’

‘Nanzi! Nanzi!’ roept Shi Maria. ‘Vandaag of morgen groei je vast aan die hangmat. Kom eruit. De koning laat je roepen, je moet onmiddellijk bij hem komen. Nanzi, schoft. Doe niet alsof je mij niet hoort.’ Shi Maria slaat met een stok tegen de hangmat. Een zak stro valt op de grond.

‘Nanzi is niet thuis en niemand weet waar hij is,’ zegt Kompa Sese tegen de koning.
‘Och, och, och, wat heb ik toch een koppijn,’ klaagt de koning, ‘waarom moet ik al die karweitjes opknappen? Die rotspin van een Nanzi. Kan hij zich niet een keertje fatsoenlijk gedragen? Och, och, och, wat moet ik doen om van deze koppijn af te komen? En u weet ook niet waar Nanzi zich schuilhoudt, meneer Sese?’
‘Nee, majesteit,’ antwoordt Kompa Sese.
‘Goed dan, u bent zijn beste vriend. Als u het niet weet, dan weet niemand het. Ik hou het proces zonder hem. Soldaat, roep alle dieren bijeen die een aanklacht hebben tegen Nanzi. De zitting begint nu meteen. Meneer Sese u kunt gaan.’ Hij weet drommels goed waar Nanzi uithangt, mompelt de koning.

‘Het proces gaat beginnen,’ zegt de koning plechtig en slaat met zijn voorzittershamer drie keer op tafel. ‘Wie wil er zitting nemen in de jury?’
‘Ik,’ brult de tijger, ‘hij heeft mij een lekker vet varkentje afhandig gemaakt.’ Mevrouw Pig knort afkeurend.
‘En ik,’ zegt het schildpad, ‘hij heeft van mijn oom soep gemaakt.’
‘Ik wil ook,’ kakelt juffrouw Kip.
‘Akkoord,’ spreekt de koning, ‘de eerste aanklacht tegen Nanzi is van de eierboer uit Barber.’
‘Onschuldig,’ klinkt de stem van Nanzi vanuit de verte. Iedereen kijkt verbaasd om.
‘Majesteit,’ spreekt Nanzi eerbiedig, ‘ik ben gekomen omdat ik een remedie heb tegen uw hoofdpijn. Allereerst eet u een sterke soep getrokken van schildpaddenkop, vervolgens kruipt u onder een warme deken gemaakt van tijgervacht en rust u uw hoofd op een zacht kussen gevuld met kippenveren.’
De koning kijkt hoopvol rond. De jury is verdwenen.

Monday, May 2, 2011

Konosé bo Isla 2011-04: Heilige Communie



Voor het communicantje wordt een stoel mooi versierd en op een verhoging geplaatst, zodat hij of zij op een soort troon zit.

Vraag: Hoe heet die troon in het Papiaments?

Sluitingsdatum: zondag 5 juni 2011

Prijs: een cadeaubon van Delifrance.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-03: antwoord

Antwoord: Krokèt di nasigori of krokèt di chines.

Er zijn 3 inzendingen, waarvan allemaal goed:

Flavia Vasco de Sousa
Reginald Römer
Edith Wal

De winnaar is Reginald Römer

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Negentig

Amper heeft de mens rechtop leren lopen en komt hij met zijn hoofd boven het grasveld uit, of hij ziet ginder een wezen dat ook rechtop loopt en ook met zijn hoofd boven het grasveld uitkomt, en dat wezen lijkt heel erg veel op hem. Te veel zelfs. Ha, denkt de mens –nee, hij kan nog niet denken- ha, mompelt de mens, mijn evenbeeld en gelijkenis, en hij pakt zijn knuppel en slaat zijn medemens de hersenpan in. Ziezo.
De mens loopt verder en zwaait onwennig met zijn armen, die gisteren nog zijn voorpoten waren, en al zwaaiend met zijn armen ontwikkelen zich nieuwe cellen in zijn hersenen en de mens wordt intelligent. Nu kan hij wel denken.
In gedachten verzonken hoort de mens een gebrul achter hem. Hij draait zich om en staat oog in oog met een leeuw. Of is het een tijger? Om het even. Wat begint de mens tegen zo’n roofdier? Hij heeft geen klauwen, hij heeft geen scherpe tanden. Wegrennen? Hij heeft te korte benen. Denken? Helaas geldt de wet van de sterkste en niet de wet van de slimste. De leeuw valt aan.
Hoe oud is de mens als hij in stukken gereten wordt?
De mens loopt niet meer naakt in het veld. De mens heeft zich een hutje gebouwd en zich een stuk akker toegeëigend, waarop hij yam en zoete aardappelen verbouwt, en ook sorghum. Hij heeft een gnoe gedomesticeerd, die elke ochtend een emmer warme melk geeft.
De mens heeft geleerd om de wereld in twee groepen te verdelen: zijn stamgenoten en de rest, de vijand. Hij trekt eropuit om de vijand de hersenpan in te slaan. Boem, pats, krak. Ziezo.
Maar dan komt de droge tijd. De droge tijd? Nooit van gehoord. Voedsel gehamsterd? Moest dat? Dus daar is de droge tijd en niets groeit meer. Geen yam, geen zoete aardappel, geen sorghum, niets. De gnoe loopt erbij als een levend skelet en geeft alleen nog maar een druppel bloed bij het melken.
De mens trekt eropuit, maar bij de vijand groeit ook niets. Trouwens, de mens is te zwak om hersenpannen in te slaan. Wat te doen? Een kind opofferen aan de regengod, en nog één en nog één.
Hoe oud is de mens wanneer hij aan de honger bezwijkt?
De nieuwe hersencellen blijven groeien en de mens is nu de baas van de natuur. Een leeuw? Laat maar komen. De droge tijd? Laat maar komen. En de mens groeit in aantal en bouwt huizen naast elkaar, boven elkaar, onder elkaar. Gehuchten worden dorpen, dorpen worden steden, steden worden metropolen.
Maar wat hij eet, moet er ook weer uit, en waar moet de mens dat allemaal laten? In de riolen, in de sloten, in de rivieren. Hoe staat het met het drinkwater? Ja, hoe staat het daarmee? Niet mijn zorg, zegt de elite. De elite, een nieuw soort mens dat alles heeft. De andere mens, die dus niets heeft, heet nu het volk.
De mens krijgt gezelschap. Ratten! Ratten die zich tegoed doen aan de troep die de mens weggooit. De ratten hebben ook gezelschap. De Zwarte Dood.
Hoe oud zijn de elite en het volk als de Zwarte Dood toeslaat?
De mens wordt slimmer, maar niet wijzer. Hij splitst atomen en voelt zich machtig. De heerser van de schepping. Met een druk op de knop kan hij de wereld vernietigen. En ook zichzelf, realiseert hij zich tot zijn schrik.
Eindelijk wordt de mens wakker. Het kan zo niet langer. Milieu dit en milieu dat. Groen zus en groen zo. Longevity. Oud worden wordt een wetenschap. Hoe word je gezond en vitaal ouder?
Heel simpel, zegt Tante Alice Kuster, die pas negentig is geworden. Groente en fruit eten, niet roken en niet drinken. Trutru.

Vandaag dit en morgen dat

‘Wij hebben je gisteren gemist Oskar. Was je ziek?’

‘Nee, ik was jarig, 75, is dat geen mooie leeftijd? Ik ben de hele dag thuis gebleven, opgeruimd, alles netjes gezet, de keuken schoongemaakt. De kinderen zouden bellen en dan moest ik thuis zijn. ’s Morgens vroeg ben ik wel even naar de kerk gegaan, maar zij bellen niet zo vroeg. Na de mis heb ik wat groente gekocht bij de Portugees en een grote pan soep gemaakt. Je weet nooit wie langs komt. De pan soep staat er nog, ik heb er een kommetje van gegeten, maar de rest staat er nog. Ik heb ook zes flessen bier gehaald en in de koelkast gezet. Ik heb zelf twee van gedronken, ik ben geen bierdrinker.’

‘Kijk eens aan, morgen begraven ze Donny al. Dat staat hier in de krant. Arme Donny, die ochtend heb ik hem nog gesproken. Hij was hier in de markt geitenvlees komen kopen en een grote pompoen. Voor de soep, zei hij. Wat een combinatie, pompoensoep met geitenvlees, daar ga je wel dood van, zeker weten. Je hebt gehoord hoe het gebeurd is? Hij werd onwel in de bus. Hij neemt altijd de bus van Momon, die zet hem af tot voor de deur, dan hoeft hij niet met die zware tassen te sjouwen. Dus, hij begon te zweten en te stuiptrekken. De andere passagiers stopten de bus en stapten uit. Momon wist niet wat hij moest doen. Ik heb niet voor dokter gestudeerd, zei hij. Hij is dus als de duvel naar Maria’s huis in Montaña gereden en hem daar afgezet. Donny ging door de week iedere ochtend naar Maria en bleef tot in de namiddag. Daar lunchte hij. Ik weet niet wat hij thuis vertelde, dat hij ging vissen of zo. In ieder geval, Maria gaf hem een glas suikerwater, maar dat hielp niet. Zijn gezicht werd al blauw. Zij heeft hem toen in de auto gezet en naar zijn huis in Pietermaai gereden. Maar onderweg ging hij de pijp uit. Ter hoogte van de kerk van Santa Rosa. Zij had hem meteen daar op de begraafplaats kunnen laten, want daar wordt hij morgen begraven. Dus Maria moest de hele weg afleggen met een lijk naast haar. Hebben de kinderen nog gebeld?’

‘Nee, zij hebben niet gebeld. Zij hebben het druk daar in Nederland. Zeker bellen zij zondag. Zij weten dat ik zondag de hele dag thuis ben. Sinds Mirna er niet meer is maak ik zondag het huis aan kant, anders wordt het zo’n troep. De honden heb ik weggedaan. Hondenpoep opruimen in de tuin was Mirna’s taak. Om twaalf uur ga ik een portie eten halen bij de Chinees. Het moet dan heel toevallig zijn dat zij in dat half uurtje bellen. Hoe laat ga je morgen begraven?’

‘Dat weet ik nog niet. Morgen moet ik voor controle naar de dokter. Ik heb om één uur een afspraak. Maar je weet hoe het is, om vier uur zit je er nog. Hij gaat weer zeuren over die breuk. Dat ik moet opereren. Ik loop er al twee jaar mee rond, waarom zou ik opereren op mijn leeftijd. Ik hoef toch niet meer te voetballen?’

‘Gelijk heb je. Het ziekenhuis zal mijn gezicht niet zien. Ik ga daar niet eens op bezoek. Dinges, hoe heette hij ook weer? Ik kom zo op zijn naam. Hij is preventief zijn prostaat gaan opereren. Eddie heette hij, hij heeft het niet overleefd. Hij kreeg een of andere vreemde bacterie in zijn bloed. Eddie was een stuk jonger dan wij. Hij heeft niet van zijn pensioen kunnen genieten.’

‘De minister wil de pensioengerechtigde leeftijd verhogen naar 65 jaar.’

‘De minister kan de pot op. De hele regering kan de pot op. Wat doen zij voor de ouderen? Wat doen zij voor ons? Hopen dat wij doodgaan. Dat is goedkoper voor het pensioenfonds. Vroeger kregen de gepensioneerden van de Shell een prikje. Konden zij thuis op hun balkon in een schommelstoel koud worden. Djo, mijn neef, had pertinent geweigerd. Jullie stoppen die naald maar in jullie eigen reet, had hij tegen hen gezegd. Hij leeft nog, ver in de tachtig.’

‘Ik ga opstappen. Ik moet de bus nemen, de auto deed het vanochtend niet. Het is elke dag wat. Vandaag dit en morgen dat.’

Sunday, April 3, 2011

Konosé bo Isla 2011-03: Loempia



De Chinees in het vroegere en inmiddels gesloopte West-end gebouw was bekend om zijn heerlijke loempia’s.

Vraag: Hoe werd vroeger een loempia genoemd in het Papiaments?

Sluitingsdatum: zondag 1 mei 2011

Prijs: een cadeaubon van boekhandel Mensing.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-02: antwoord

Antwoord: Doen alsof je iets niet hoort (Oost-Indisch doof)

Er zijn 7 inzendingen, waarvan 4 goed:

Melinda Domacassé
America Augusta
Imogene Rosario
Reginald Römer
Regina v/d Biest
Jamila Romero
Frans Kapteijns

De winnaar is Frans Kapteijns

Iedereen bedankt voor het meedoen.

De hervorming

‘Weet je wat het probleem is?’ vraagt Nanzi aan de tijger die hem de pas afsnijdt.
‘Ja,’ antwoordt de tijger, ‘ik heb honger en er is niets te eten. Als ik mijn maag kon vullen met een magere spin, dan had ik jou al drie keer opgegeten. Maar, bij nader inzien.’
‘Nee, nee, nee,’ zegt Nanzi haastig, ‘daar hebben wij het nu niet over. Ik heb het over het staatsbestel.’
‘Vult het mijn maag, dat staatsbestel?’ vraagt de tijger.
‘Nee. Ja. Wat ik bedoel is dit. Op de keper beschouwd bestaat de gemeenschap uit drie groepen dieren: de denkers, de hebbers en de werkers. En nogmaals op de keper beschouwd moet het staatsbestel, of beter gezegd, het bosbestel ook zo ingericht zijn. De denkers zijn wijs en onbaatzuchtig, dus zij besturen het bos. De kosten van het besturen worden betaald door de hebbers die de goederen bezitten. De werkers produceren de goederen en die worden hen door de bezitters afgepakt. Zo krijgen wij de zogenoemde goederenstroom en economische stabiliteit. Wat ik hiermee probeer te zeggen is dat wij de staat, of beter gezegd, het bos dienovereenkomstig moeten hervormen.’
De tijger die maar de helft verstaat van wat Nanzi zegt, onderbreekt hem.
‘Luister Nanzi, Ik versta de helft van wat je daar raaskalt. Op de keper dit en op de keper dat, vertel mij maar liever, wat is de bottomline?’
‘De bottomline?’ mompelt Nanzi terwijl hij nadenkt. ‘De bottomline is, hoe zal ik het uitleggen, de bottomline is dat jij nooit meer honger zult hebben.’
‘Is dat zo?’ brult de tijger enthousiast. ‘Laten wij meteen gaan hervormen. Waar beginnen wij?’
‘Wij beginnen bij de denkers,’ antwoordt Nanzi opgelucht. ‘Even denken. Wie is de grootste denker van het bos? Natuurlijk, professor dr. Palabrua, laten wij hem gaan opzoeken.’

Professor Palabrua zit gebogen over vijf dikke boeken over de actuariële wiskunde en rekent tien vellen vol. Maar hij komt er niet uit. Wat is de minimale pensioengerechtigde leeftijd van de dieren in het bos? De eendagsvliegen willen hun recht doen gelden. Hoe hij ook integreert en differentieert, hij komt telkens uit op 65 en dat pikt geen hond.
‘Hooggeleerde heer Palabrua,’ zegt Nanzi met een plechtige stem, ‘vergeeft u ons de brutaliteit om zonder afspraak langs te komen en zonder te kloppen binnen te komen.’
‘Insgelijks, hooggezeten heer’ bromt de tijger ook plechtig.
Dr. Palabrua schrikt zich een uil bij het horen van de bromstem van de tijger en fladdert angstig naar de hoogste tak van zijn boomhuis.
‘Hooggeleerde,’ zegt Nanzi geruststellend, ‘u hoeft niet bang te zijn. Wij komen u alleen maar vertellen dat u de grootste denker van het bos bent. Komt u maar naar beneden.’
‘Ik zit liever hier,’ antwoordt de uil die wijs genoeg is om geen van beide gasten te vertrouwen, ‘vertelt u het maar.’
‘Goed dan,’ gaat Nanzi verder, ‘wij zijn zojuist tot de conclusie gekomen dat voor de goede gang van zaken de denkers het bos moeten besturen. U krijgt alle benodigde middelen van de hebbers. In ruil daarvoor moet u naar hun pijpen dansen. De tijger is een hebber, hij blijft hier en zal u alles uitleggen.’

‘Wacht, ik ga mee,’ schreeuwt de tijger die merkt dat Nanzi er stiekem tussenuit knijpt. Onderweg komen zij een boer tegen die een vet varken aan een touw meetrekt.
‘Mag een hebber het bezit van een andere hebber opeisen?’ vraagt de tijger aan Nanzi
‘Er moet altijd iets tegenover staan,’ antwoordt Nanzi, ‘dat heet een ruil.’
‘Hebt u uw leven lief?’ vraagt de tijger aan de boer.
‘Nou en of,’ antwoordt de boer.
‘Dan mag u het behouden in ruil voor het varken,’ zegt de tijger en neemt het touw over van de boer.
‘Jij vergeet iets,’ zegt Nanzi tegen de tijger, ‘ik ben een denker en ik krijg de middelen van de hebbers.’ En hij neemt het touw over van de tijger.

Middelmatigheid

Het elftal loopt trots het veld op in het nieuwe uniform, een zwarte broek en een gele trui: de Geelbuiken van Banda Riba. Chapè vloekt en schopt een steen weg met zijn kromme rechtervoet. Hij blijft op de bank, hij speelt niet mee. Je bent twee keer niet komen trainen, zegt de trainer, dus je doet niet mee. Maar ik heb uitgelegd waarom ik niet kon, antwoordt Chapè boos. De trainer is al op het veld instructies aan het geven aan de spelers. Zij spelen tegen de Kachapas van Banda Bou. Het is een belangrijke wedstrijd, de winnaar moet Curaçao vertegenwoordigen tijdens de regionale kampioenschappen in Suriname.

Chapè of Welek, zo wordt hij ook wel genoemd omdat hij bliksemsnel is, vindt dat hij de beste speler van de club is. Waarom moet hij trainen? Met zijn kromme rechtervoet weet de keeper nooit welke richting hij de bal uitschopt. Hij is degene die altijd de strafschoppen neemt. De keeper springt naar links en de bal rolt rechts het doel binnen. Nu zit hij op de bank. Wij gaan verliezen, bromt hij. Een schande.

Hij vindt het vooral een schande omdat allebei zijn vriendinnen op de tribune zitten, onwetend van elkaar. Allebei zijn komen kijken hoe hij de doelpunten maakt. Zeker drie, had hij beloofd.
Het eerste doelpunt valt, één nul voor Banda Bou. Nu kunnen zij niet zonder mij, denkt Chapè en maakt gebaren naar de trainer. Deze schudt met zijn hoofd van nee. Goooool, twee nul voor Banda Bou. Wat een lamzak, gromt Chapè.

Andrew Jones, Churandy Martina, Jean-Julien Rojer, wat hebben zij met elkaar gemeen? Zij zijn allemaal hier geboren. Akkoord, wat nog meer? Zij zijn alle drie internationaal bekend. Goed, maar nog iets. Hmmm, de lezer denkt na. Nee, wat dan? Alle drie oefenen zij vele uren per dag.

Ja, mijn dikke bult, zegt Chapè, ik moet ook nog werken. Elke dag een paar uur trainen, ben je gek. Twee keer per week is meer dan voldoende.
Er is een regel die zegt dat als je de top wil bereiken in sport, muziek, kunst, etc. of deskundig wil zijn op het een of ander gebied, je 10.000 uur daaraan besteed moet hebben. Alle drie de namen die wij genoemd hebben en waar wij trots op zijn, hebben de 10.000 uur ruimschoots overschreden.

De Canadese schrijver Malcolm Gladwell heeft in zijn boek Outliers: The Story of Success deze zogenaamde 10.000 uur regel populair gemaakt. Volgens Gladwell wordt succes meer bepaald door inzet dan door talent. Natuurlijk speelt talent een rol. Als je twee linkerhanden hebt, word je nooit een goede timmerman.
Ook de omgeving speelt vaak een doorslaggevende rol, zegt Gladwell. Waarom komen zoveel wiskundigen uit China, hardlopers uit Ethiopië, musici uit Cuba? Omdat de omgeving dat stimuleert. Er worden uren in geïnvesteerd. Bewust of onbewust. Wat stimuleren wij?

Middelmatigheid, zegt Reginald V. Römer tijdens de presentatie van zijn nieuwste boek: Sapaté, na bo sapatu! Een boek, 742 bladzijden dik, vol spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen in het Papiaments, met de equivalente vertalingen in het Nederlands, Engels en Spaans. Er staan 10.600 uitdrukkingen in, waaronder natuurlijk herhalingen, want een uitdrukking waar kat en muis in voorkomt, is te vinden onder ‘kat’ en onder ‘muis’.
Middelmatigheid, zegt Römer, omdat wij kiezen voor de weg van de minste weerstand en de tijd niet nemen om iets goed te doen. Dat hij de nodige uren heeft geïnvesteerd in het boek, is evident.

Ik sla het boek open op een willekeurige bladzijde. Mòfi di: ‘Mi ta traha mi kas, pero ku su dak’. Engelse vertaling: If a thing is worth doing, it’s worth doing well. / Do what you do with all your might.
Hé, wat toevallig.

Funchi met bakkeljauw

U luistert naar de radio en u hoort in het nieuws het bericht dat bij een instelling de bewoners boos zijn omdat zij stamppot voorgeschoteld krijgen in plaats van funchi met bakkeljauw. Het probleem is de nieuwe Hollandse kok, alsof er niet genoeg te bakken is in Holland komt een kok helemaal van de andere kant van de oceaan een potje stampen in plaats van in de funchi te roeren.
Uw kinderen hadden geen Hollandse kok, maar toch kregen zij twee keer per week stamppot van groene groenten te eten waardoor zij de volgende dag hun groene poep hadden na te kijken. Dat moet je de kinderen van tegenwoordig niet flikken. Zij hangen meteen aan de hulplijn en vertellen dat zij thuis gruwelijk mishandeld worden.
Krijgen jullie elke dag een pak rammel met een natte riem, vraagt de mevrouw aan het andere eind van de lijn. Neen, antwoorden de kinderen. Worden jullie met de kop in de wasmachine geduwd? Neen, antwoorden de kinderen. Wat verdorie dan wel, vraagt een ongeduldige hulpverleenster. Wij moeten twee keer per week stamppot eten van groene groenten. Wat zeggen jullie daar? Dat verzinnen jullie toch niet? Gruwelijk.
Hallo, zijn jullie er nog? Komen jullie uit een 1- of 2-ouder gezin? Twee ouders. Woont jullie vader nog thuis? Ja, mevrouw. Stamp hem het huis uit. Wij moeten van onze moeder stamppot eten. O ja? Stamp haar ook het huis uit en bellen jullie volgende week weer voor een follow-up. Hebben jullie het nummer?
En dan hebt u een vriend die zegt dat hij geen geld heeft om gezond te eten. Weet je wat een pakje kruidenthee kost in de winkel? Kruidenthee om je van binnen schoon te spoelen gelijk een wit laken? Dat is niet te betalen. Daarom gaat uw vriend naar McDonalds, Burgerking en Kentucky omdat daar de thee goedkoop is. En u legt uw vriend uit dat hij in de nieuwe markt goedkoop groenten kan kopen en daarmee een lekkere en gezonde pot kan stampen. En uw vriend snapt niet dat gezond ook nog lekker kan zijn.
Een andere kennis komt bij u klagen dat haar kinderen niet gezond willen eten en geen groenten lusten. Zij zet elke dag groente en fruit voor hun neus, maar zij raken die niet aan. En wie eet dan de groente en het fruit op, vraagt u aan uw kennis. Niemand, antwoordt zij. U ook niet, vraagt u verbaasd. Ik krijg het niet door mijn keel, antwoordt zij en trekt een vies gezicht.
Ook de overheid klaagt van obesitas dit en obesitas dat. De mensen zijn te dik, de jeugd is te dik. Er moet een nationale bewustwordingcampagne opgezet worden. Op school, op kantoor, op straat. Meer groenten en fruit op tafel. De mensen moeten meer bewegen, het liefst in het openbaar, op het Brionplein, met dure sportkleren aan van bekende merken. De overheid stelt dus een commissie in om dit alles in kaart te brengen en een rapport te schrijven en een congres te organiseren. De commissie vergadert na kantoortijd wanneer iedereen precies honger krijgt en de voorzitter vraagt voordat de vergadering begint wie snel een emmer Kentucky gaat halen.
In de zomer gaat u naar Nederland op bezoek bij de kinderen die groot en sterk en slim zijn geworden, en u maakt uw koffer open en haalt er allerlei lekkere dingen uit die u glimlachend op tafel uitstalt -pepersardientjes, libby’s sausijsjes, club social beschuiten- en de jongste zegt: Dit kunnen wij allemaal krijgen aan de Kruiskade. U kijkt een beetje sip en zij nemen u mee uit eten. Waar gaan wij? Een verrassing, een eettent in Zuid waar zij allerlei lekkere dingen hebben. U ziet flatwoningen met satellietschotels. U ziet hoofddoeken en kinderwagens. U ziet... verrek is dat niet Djidji van Boca Sami? Hier is het. Buiten staat een groot bord en u leest: Dagschotel: funchi met bakkeljauw. Hebben jullie ook stamppot, vraagt u.

Sunday, February 6, 2011

Konosé bo Isla 2011-02: Papiamentu

Vraag:
Wat betekent de uitdrukking in het Papiaments: ‘Ni patu, ni riu’?


Sluitingsdatum: zondag 6 maart 2011

Prijs: een cadeaubon van Candy Barrel.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)

Konosé bo Isla 2011-01: antwoord

Antwoord: Maria Porko Sushi

Er zijn 29 inzendingen, waarvan 26 goed:

Max Maria
America Augusta
Ariadne Faries
Max Martina
Solange Nijdam
Glyraine Celestina
Reginald Romer
Siagnee Mariano
Aileen Looman
Angélique Da Costa Gomez
Leendert J.J. Pengel
Winsel Peney
R. Severing
Arelis Hurtado
Jamila Romero
Douglas, Brigitte
Laicam How
Sheryl Losiabaar
Madelyn Francisco
Dominique Jong
Yolanda Chakoetoe
Lucinda Martha
Edward Nahar
Regina v/d Biest
Sam Shorty
L.J.Chr. Dee
Edith Wal
Emely Garcia
Rudy Hollander

De winnares is Ariadne Faries

Iedereen bedankt voor het meedoen.

Cinelandia

Als ik ergens een hekel aan had, dan was dat koude reskuk (rijstpannenkoek). Dat verkocht de oude vrouw die elke zondagmiddag naast de ingang van Cinelandia achter een bak vol lekkernijen zat. Koud in de zin van niet warm. Pannenkoeken moet je warm eten, vers uit de pan. Zij verkocht ook arepa di pampuna (pompoenpannenkoeken), koud. Dat vond ik helemaal smerig. Ik hield het op een zakje fruta di pan (broodvrucht) met een stukje kokos, een merkwaardige combinatie weliswaar, maar lekker. Dat wist de oude verkoopster, want ze zette het zakje al klaar wanneer zij mij aan zag komen. Ik betaalde met gepast geld, een kwartje.

Dit gebeurde allemaal nadat ik een kaartje had gekocht voor de voorstelling van half zeven: Bandits of the West, van Alan Rocky Lane. Hij was een betere tipo, held, dan Roy Rogers. Hij liet zich niet makkelijk in de luren leggen. Ik hoefde mij niet te haasten om naar binnen te gaan, want het eerste half uur zag je toch geen pest. Pas rond zeven uur zag je Alan Rocky Lane voorbij stuiven op zijn witte paard helemaal in het wit gekleed, achter de bandiet op een zwart paard en in het zwart gekleed aan .

‘Kijk boven je,’ riepen wij allemaal hysterisch. Maar het was te laat. De bandiet was op een rots geklommen en sprong bovenop Alan Rocky Lane toen deze, niets vermoedend, voorbij galoppeerde. Zij vielen allebei op de grond en gingen met elkaar op de vuist. ‘Hul e,’ schreeuwden wij bij elke vuistslag. ‘Hul e!’ ‘Sla hem!’ Maar de bandiet ontsnapte. ‘Stommerik.’ schreeuwden wij tegen Alan Rocky Lane.

Wat deed je als Otrobandista in Cinelandia? Goede vraag. Cinelandia was het domein van de jongens uit Pietermaai, Fleur de Marie, Sint Jago, Parera ... En er waren daar lastige individuen tussen.

‘Hul e,’ klonk het achter in de zaal. ‘Hul e.’ Alan Rocky Lane zat rustig op een stoel voor de Cantina een sigaret te roken. Nee, het gevecht was in filmzaal. Iedereen vergat het scherm en rende naar achteren. Het licht ging aan. Een jongen in het wit klom op een stoel en sprong op een andere jongen in het zwart. Zij tuimelden over de stoelen. Iedereen maakte plaats. ‘Hul e!’ De beheerder kwam aanlopen. Iedereen snelde naar zijn zitplaats. De twee jongens stonden op en gingen voorin zitten. Het licht ging weer uit.

De bandiet liep de Cantina binnen, in het wit gekleed. ‘Hij is het, pak hem,’ schreeuwden wij. Maar Alan Rocky Lane had niets in de gaten. Hij had zijn hoed over zijn ogen geschoven en deed een dutje. ‘Och, och, och, wat een stommerik,’ jammerden wij.

Op de muur aan de oostzijde van de filmzaal verscheen een gestalte. Het silhouet tekende zich af tegen de heldere sterrenhemel. Er verscheen nog een gedaante en nog een. Alle drie verdwenen tegelijk. Zij waren in de zaal gesprongen. Vanachter in de zaal schenen twee lichtbundels. Achter de lichtbundels liepen twee politieagenten. Iedereen zat doodstil. Niemand bewoog. De drie gestalten waren opgelost in het duister tussen de stoelen van de middelste rij. Ik had het door midden gescheurde entreekaartje klaar in mijn hand. Een lichtbundel scheen erop. Het licht verplaatste zich. Even later liepen de politieagenten weer naar achteren. Zij hadden drie jongens bij de kraag.

De bandiet ging aan de bar staan en bestelde een dubbele whisky. De barman schonk de whisky in met bevende handen. In plaats van te betalen, grijnsde de bandiet en liet zijn gouden tanden zien. Alan Rocky Lane kwam naast hem staan. Wij hielden onze adem in. Plotseling verschenen er allemaal rare tekens en sterretjes op het scherm. Het scherm werd wit. De filmstrook was geknapt. ‘Krak,’ klonk het. Een stoel rechtsvoor in de zaal sneuvelde. ‘Krak.’ Nog één, nu linksvoor. ‘Ik wil mijn geld terug,’ riep iemand.
Na een poosje werd de film hervat. Alan Rocky Lane zat op zijn paard. Hij floot en zong een liedje. Daarna draaide hij zich om en liet zijn paard steigeren. Het licht ging aan. The End.

K.

Waar leef je?

Het toestel op de vergadertafel piept twee keer. Een mooi dingetje, wit met een zilveren rand in een wit etuitje. Linda Treurniet pakt het snel op en drukt op een toets. Johan van den Bergh, verkoopmanager van IT4U, twijfelt. Moet hij doorgaan met de presentatie of moet hij even stil blijven? Linda kijkt met een schichtige blik op en knikt dat hij door moet gaan. Johan had net iedereen in zijn greep, hij was vol zelfvertrouwen. Nog één plaatje en ik heb ze over de streep, dacht hij. Maar nu is hij hun aandacht kwijt. In een fractie van een seconde.

Linda kijkt op het scherm en leest het bericht. Mariëla is bevallen van een meisje. Dat het een meisje was, wisten zij allang. Tegenwoordig weet je alles van te voren. De medische wetenschap staat voor niets. De dokter heeft zelfs al de intelligentie van het kind vastgesteld aan de hand van het aantal schoppen per tijdseenheid tegen de buik van de moeder.

Linda glimlacht. Niet tegen Johan, maar tegen zichzelf. Zij wordt de madrina, dat was afgesproken. Nee, niet daarom glimlacht zij. Zij glimlacht omdat in het bericht staat dat Michael de padrino wordt. Een knappe jongen, die Michael. Zij was al een tijd aan het broeden op hoe zij met hem in contact kon komen. Nu komt hij uit de hemel vallen.

Johan is toch niet doorgegaan met de presentatie, hij wacht totdat Linda weer opkijkt. Linda Treurniet MBA is de Financieel Manager van Bo Banko N.V. en Johan wil een nieuwe accounting software aan de bank slijten. Linda kijkt aandachtig op. Johan herhaalt wat er op het vorige plaatje stond: de tien voordelen van de nieuwe software. Linda knikt instemmend. ‘Piep, piep,’ gaat het toestel weer. Linda kijkt en krijgt de slappe lach. Een foto van Michael.

In het dorp Kitengui in Bas-Congo dansen de vrouwen in het rond van blijdschap. Er is een meisje geboren, gezond en wel. De goden worden bedankt. De moeder van veertien maakt het ook goed. De vader mag het kind nog niet zien. Twee weken later krijgt de familie in het dorp Niala, 200 kilometer verderop, bericht van de geboorte van hun nicht. Zij heet Dime Robo: zij die voor een dubbeltje geboren is. Het bericht wordt doorgeseind en komt een week later aan in het volgende dorp: ‘Onze nicht is geboren in Kitengui en zij heet Dime Robo. Volgende maand is het doopfeest.’ ‘Robo?’mompelt de dorpsoudste. ‘Zij die nooit een kwartje wordt?’

Jessica zit in haar auto, een grote grijze SUV, op de parkeerplaats van Fort Nassau. Het is zondagochtend zes uur. De parkeerplaats is verlaten, op een witte Toyota na die een eindje verderop geparkeerd staat. Toen Jessica aankwam rijden heeft zij gezien dat er jong stel in de auto zit. Zij heeft haar auto geparkeerd met de neus naar de straat en de motor en de lichten aan. Zij kijkt op de klok. Wat raar. De meiden zijn nooit laat. Integendeel, zij komt meestal als laatste aanrijden.

Zij beginnen precies om zes uur te lopen. Berg af richting CPA en dan linksaf naar Telecuraçao. Dat is het makkelijke gedeelte. Maar nu terug. Vijf keer heen en terug. Zij moeten terug, de auto’s staan boven op de heuvel geparkeerd. Psychologisch bedacht.

Het is tien over zes. Nu moet zij wel gaan bellen. Het kan toch niet dat zij zich alle vijf verslapen hebben. Linda proberen. Geen gehoor. Nog een keer. Eindelijk, Joyceline.
‘Hallo?’ klinkt een slaperige stem.
‘Met Jessica, ik sta hier alleen, wat is er gebeurd?’
‘Wat bedoel je? Er is niets gebeurd. Wij hadden gisteravond een doopfeest. Linda heeft iedereen gepingd op hun BlackBerry.’
‘Ik heb geen BlackBerry,’ antwoordt Jessica onnozel.
‘O nee?’ klinkt het verbaasd aan de andere kant van de lijn. ‘Waar leef je?’
‘Moet ik zo’n ding hebben dan?’ wil Jessica zeggen, maar Joyceline heeft al opgehangen.

K.

Tuesday, January 25, 2011

Sapaté, na bo sapatu! Nieuw boek van Reginald Römer



Mil i un
ekspreshon / lokushon / refran / dicho / proverbio / paremia / adagio / anegin / sentensia / komparashon / máksima
pa mi pueblo.

Reginald V. Römer

Sunday, January 2, 2011

Konosé bo Isla 2011-01: Vuurwerk



’s Morgens vroeg op nieuwjaarsdag zoeken de kinderen tussen de resten van het afgeschoten vuurwerk naar mislukte rotjes die niet afgegaan zijn. De rotjes hebben geen lont meer ofwel een te korte lont om aan te steken. Dus worden zij middendoor gebroken en het vrijkomende kruit wordt aangestoken. Dit maakt een sissend geluid.

Vraag: Hoe heet zo’n sissend rotje?

Sluitingsdatum: zondag 6 februari 2011

Prijs: een cadeaubon van Delifrance.

Sponsor: ESCRIBA N.V.

(Het inzenden van het antwoord op de prijsvraag gebeurt via e-mail:

revers@cura.net

of door een reply op de door u ontvangen mail. De winnaar wordt door loting bepaald uit de goede inzendingen.)